bericht aan de terugkerenden (4) (475)

Zonder aarzelen haasten we ons drieduizend jaar verder.
Weinig gekend en dus weinig gesmaakt is de Islamitische kunst die al een grote schoonheid en verfijning bezat toen wij nog bezig waren met een veeldimensionele god in ééndimensionele afbeeldingen in te kleuren.

Deze bronzen leeuw uit de 10de eeuw na Chr. is een parfumbrander.
Het metaal is koud bewerkt, dat kun je zien aan de gegraveerde versieringen.
Prachtig stilering eigen aan de ateliers van Khurasan, tijdens de tijd van de saldjuqiden.
Kijk naar de kleine driehoekige neus, de oortjes die de lynx-oren voorstellen, de gegraveerde snorharen, en de blauw turkooizen ogen van glaspasta.

Er staat ook een wens op: Goddelijke genade, geluk, roem, een lang leven.
De taal is het driehoekige Koefische geschrift.

In het Metropilitan in New York staat een dergelijke parfumbrander (deze komt uit het Louvre) en die is van 1181.

Al komt de leeuw weinig voor in deze Islamitische landen toch werd hij er gebruikt als symbool voor macht, de moed en is hij het symbool van de heersers.
Ook verwijst hij naar de Leeuw uit de astronomie, een kunde die in het Oosten in hoog aanzien stond.

Kennen wij in onze religie de heilige geuren alleen in de wierook in de kerk, in de Islamitische beschaving was parfum erg in zwang.
Er waren de kleine flesjes met rozenwater of oranjebloesem-extracten, maar ook de wierookbranders waarin men bijvoorbeeld naast wierook ook aloé-hout liet smeulen.

De zinnelijke kant van deze beschaving mag nu wel ontkend worden of te weinig in de aandacht gebracht zijn, maar je moet er maar de verhalen van 1001 nacht op nalezen om te weten dat zij een rijkdom aan sensuele ervaringen inhoudt die de ziel op hoger niveau konden brengen.

Vaak brand ik de zuivere wierook voor de afwezigen, of voor het prachtige beeldje van Moureau’s Amor Vincit.

In deze koude lichtende winterdagen (bleak midwinter: de bleke midwinter) zie ik het zonlicht rond drie uur in de hoek van de kamer binnenkomen.
Het is gelig strijklicht dat langzaam afdaalt naar het leder van de zetels en dan in de vroege duisternis zachtjes oplost.

Ik associeer het vaak met de geuren van nat hout of de geur van de cederhouten potloden die je tegemoet komt als je de blikken doos opent.

Nu de vijver bevroren is, golft het licht niet op de wanden. Het is droevig strak uitgesmeerd, zwak nog, maar als ik het woord teer mag gebruiken (van teder) dan is dat de beste benadering.

Geuren en licht.
Ik haal een mooi stuk uit onze collectie en zet het in dat licht.
Een vaas, zilver of mooi glas.
Ik kijk.
De tijd lost op.
Als wierook.
De echte kracht van de Leeuw.


bericht aan de terugkerenden (3) (474)

Heel ver terug nu, naar Mesopotamië, het Tweestromenland (Eufraat en Tigris) waar volgens sommigen ooit het Paradijs was gevestigd, de vertrekplaats van Abraham, de hedendaagse brandhaard van de wereld tussen Syrië, Irak en Iran, de heiligheid en haar nefaste gevolgen is nooit ver weg.
Dat maar om mijn leeuw van gisteren, de leeuw van Urkish, te omkaderen.

De bewoners van deze streek, de Houritiërs, namen allerlei gewoonten over van de omringende Tweestromenland-culturen.
Eén daarvan was het plaatsen van documenten in de funderingen van gebouwen om hun stabiliteit te verzekeren en ze tegen vernietiging te bewaren.

Zowel op het koperen plaatje als op de steen daaronder die de dreigende leeuw vasthoudt is hetzelfde geschreven.
“Tishatel, heerser van Urkish heeft voor de god Nergal een tempel gebouwd.
De god Nubudag zal hem beschermen. Wie hem vernietigd zal op zijn beurt door Nubudag vernietigd worden.
Moge de zonnegod Shimiga en de god van het onweer hen vellen die dit gebouw vernietigen willen. Tienduizend keer vervloekt.”

Deze taal is geen semitische noch een indo-europese taal, en dit geschrift is het oudste dat we van hen kennen.
Ze duiken in de Mesopotamische geschriften op rond 2400 voor Chr.
Ze leven in de uitlopers van de Taurus en de Zagros bergketens die de Mesopotamische vlakte in het Noorden begrenzen.
Deze streek tussen de bovenloop van de Eufraat en de Tigris heette het land van Subir.
De stad Urkish was het politieke centrum, en de voornaamste cultusplaats.

De gedachten van dit mooie gebruik om met lettertekens de stabiliteit van gebouwen te willen bevestigen en de vijanden af te schrikken ging me vandaag door de geest terwijl ik de beelden uit het Poolse Katowice bekeek.

De onmacht van woorden wanneer ons dit overkomt.

In het midden van het Eufraat gebied is de hierbij gevoegde leeuw gevonden, gemaakt uit verschillende lagen koper die op een ondergrond, meestal hout werden bevestigd.
het hout is vergaan, de leeuw is gebleven.

Zij werden in paren opgesteld bij de in- en uitgang van de tempel om de mensen in en om het gebouw te beschermen.

Ik stuur ze naar jou.
Mogen ze met hun vurige ogen ook jou bijstaan als de letters of de beelden niet genoeg troost of zekerheid bieden.

Al zijn hun gebouwen verdwenen of tot grondvesten herleid, in hun ogen straalt de kracht om altijd weer opnieuw een plaats voor het onvergankelijke te zoeken.
Tegen beter weten in.


Leeuw en Welp (3) (473)

Ontdekken

Leeuw en Welp hadden plannen.
Ze zouden samen een lange tocht maken.
Niet om te jagen maar om meer van de wereld te ontdekken. Misschien bleven ze wel twee dagen weg.

‘Ik ken de grasvlakte, de rivier en het woud,’ zei Welp. ’s Nachts kan ik de sterren zien en de groeiende of slinkende maan. Ik denk dus dat ik alles ken wat er bestaat.’
Leeuw schudde zijn grote kop.
‘Ik ken enkele plekjes van de vlakte. Bij de rivier weet ik goede drinkplaatsen of plekken waar je je baden kunt. In het woud ken ik hier en daar een boom en enkele paadjes . In de nachtelijke hemel herken ik enkele van de miljoenen sterren, en de nachten van de volle maan kan ik voorspellen. Maar waar het water van de rivier naar toe stroomt, waarom er tijden van hitte zijn en tijden van eindeloze regenbuien, dat weet ik niet. Hoe diep het woud zou zijn en welke wereld er achter het woud ligt, weet ik ook al niet. Of er nu werkelijk zilveren leeuwen in de nachtelijke hemel wonen en waarom de sterren klimmen en dalen, is mij een raadsel. En zelfs als ik dat allemaal zou weten, zijn er nog duizenden vragen waarop ik geen antwoord weet. Waarom jij mijn allerliefste Welp bent, of wat er gebeurt na dit leven, waarom ik soms tranen in mijn ogen krijg als ik jou zie slapen, het zijn nog maar enkele van de vele vragen waarop ik niet kan antwoorden.’

‘Ik wist niet dat er zoveel bestond,’ zei Welp.
Ze liepen langs de rand van het woud.
In de verte zagen de besneeuwde toppen van de bergen.

‘Zullen we naar die heuveltjes met die toppen van wit zand rennen?’
‘Om bij die “heuveltjes” te komen, moeten we zeker tien dagen en tien nachten reizen. Wat jij “heuveltjes” noemt, zijn verschrikkelijk hoge bergen. Sommige zijn wel meer dan honderd apebroodbomen hoog. Wat jij wit zand noemt zijn bevroren waterkristallen, ook sneeuw genoemd. Ik weet het van mijn vriend, de Bergleeuw. Hij heeft het van zijn vader geleerd die het op zijn beurt van zijn voorouders te horen kreeg.’
‘Wat zullen wij op deze reis gaan ontdekken, Leeuw?’
‘Dat weet je nooit op voorhand, Welp. Als je dat al wist, moest je het niet meer ontdekken. ”Maar hoe kun je nu iets van de maan of de sterren te weten komen? Leeuwen hebben geen vleugels. We kunnen ze dus alleen maar zien van op de vlakte.’
‘Als je elke nacht naar de sterren kijkt, ken je na een tijdje de wegen die ze aan de hemel afleggen. Zo leer je ook de dagen van de volle maan en de dagen zonder maanlicht kennen. Maar of er nu zilveren Leeuwen wonen of de sterren wellicht gaatjes in het donkere hemelvel zijn, dat blijft een raadsel.’
‘Misschien zijn het grote bollen vuur. Omdat ze zo ver weg zijn zoals de besneeuwde bergen, denken wij dat ze zo klein als vuurvliegjes zijn.’
‘Best mogelijk, Welp. Daar had ik nog niet aan gedacht. Ik vermoed dat jij een verstandige Leeuw zult worden.’
‘Maar stel dat de sterren vuurbollen zijn, dan leven er dus geen zilveren leeuwen en zijn er ook geen kijkgaatjes in het hemelvel?’
‘Het een sluit het andere niet uit. In mijn gedachten kunnen die vuurbollen net zo goed zilveren leeuwen zijn, de plaats waar je na je leven hier terecht komt. Ook al zou dat niet echt zou zijn, het is een mooi verhaal.’
‘Mijn kijkgaatjes in het hemelvel vind ik ook wel mooi. ‘

Ze kwamen bij een plaats waar de rivier heel breed was.
‘Zelfs de slimste Leeuw zal nooit alles kunnen kennen, Welp Er is wat er is. Maar je kunt zelf ook nieuwe dingen maken, zoals verhalen bijvoorbeeld.’
‘Of vriendschap. Vriendschap bestaat alleen maar als je ze maakt.’

Ze keken naar de rivier.
‘Als we weer thuis zijn, kan ik mij deze plaats herinneren, Welp. Herinneringen kun je dus ook maken.’
‘Gelukkig maar, Leeuw. Als jij niet bij mij bent, kan ik me jou toch nog herinneren. Zonder herinneringen zou jij niet meer bestaan als ik alleen was.’
Leeuw knikte.
‘Dit is een echte ontdekkingsreis, Welp.’
‘Maar we hebben nog niets nieuws gezien, Leeuw!’
‘Ook wat je niet kunt zien bestaat, en moet ontdekt worden.’
Welp knikte nu ook.
‘Elke dag ontdek ik jou opnieuw, Leeuw. Telkens leer ik jou weer anders kennen.’
‘Ik ken een goede plaats om de rivier over te steken,’ zei Leeuw.

Ze luisterden naar het water.


bericht aan de terugkerenden (2) (472)

469_9b24a06bdadd5fdd897aceaf91c97e43

Goede Vriend,

Eenmaal je de naam “Wenen” hebt laten vallen, is hij niet zo makkelijk op te rapen als je wel denkt.
De Oostenrijkers hebben de onhebbelijke gewoonte om alles in stukken te hakken en daarna spijt het hen nergens bij te horen. De heer Thomas Bernhard( 1931-1989) wist er alles van.
Robert Musil schreef in zijn “Man zonder eigenschappen”:
“Steden zijn als mensen aan hun gang te herkennen.”

Om even in de Augustinerkerk te blijven: in de grafkelder van deze kerk vind je de “Habsburger Herzgruft”.
Was je een Habsburger dan werd je (meestal) na je dood in stukken verdeeld:
Je hart ging in een zilveren schrijn naar deze grafkelder, de ingewanden naar de crypte in de Sint Stephansdom en je lichaam naar de Kapuzinergruft in de Kapucijnerkerk.

In de Sint Augustijner wordt nog iedere 21ste november, de sterfdag (1916) van Franz Joseph met een mis herdacht en naar verluidt zou Anton Brückner hier de inspiratie voor zijn mis in fa mineur gekregen hebben en werd ze hier ook uitgevoerd.
Ook het oude orgel werd door hem bespeeld.
Dat orgel kwam overigens uit een vernielde Spaanse Benedictijnerkerk (Schwarzpanier).

In deze kerk werden ook de huwelijken van Maria Theresia met Frans van Lotharingen, en van Elisabeth van Beieren en Franz Joseph ingezegend, en zelfs het huwelijk van Marie Antoinette (ook een dochter van Maria Theresia!) en Lodewijk XVI vond hier “per volmacht” plaats zonder dat van Napoleon I met Marie Louise van Habsburg te vergeten.

In het klooster heb jij in de Albertina gewerkt en het verbaast mij dus ten zeerste dat je slechts net voor je vertrek het monumentale grafmonument van Maria Christine hebt opgemerkt.
Je werk in het Globe-museum bracht je wellicht in contact met de heer Mercator (1512-1594) die er de atlassen en globes ontwierp voor Karel V (1541)
Ben je ook in het Theatermuseum geweest?

Ik stuur je een mooi document, een tête à tête in het beroemd Weens porselein dat de Hollandse schilder en tekenaar J.E. Liotard van Maria Theresia ten geschenke kreeg bij zijn vertrek uit Wenen in 1778.

Het woord zegt het zelf: het was een klein theeserviesje in een lederen etui bestaande uit een blad, twee kannetjes met deksels, een suikerbakje en twee koppen en schotels versierd met medaillons waarin een grijs gekleurd bloemboeket is uitgespaard in een paarse fond.
Een mooi cadeau!
Het doet me denken aan mijn eerste treffen in Berlijn waar ik in 1979 door de speling van het lot net niet zo’n theeserviesje in Berlijns porselein als geschenk kreeg.
Het lot (een Engels twopence) kende het serviesje aan mijn Duitse collega’ s toe, maar alle eer en glorie was voor de ongelukkige die niet het porselein maar wel het medevoelen als prijs kreeg.

Misschien hebben we nu weinig tijd voor een tête à tête, en het thee-uurtje schijnt een ongelofelijke luxe te zijn.
In onze collectie zijn er ook nog enkele fraaie stukken voor zijn intiem onderonsje.
De tijd moet je jezelf cadeau doen.

Ik hoop dat we elkaar bij zo’n onderonsje kunnen bijpraten, want elke dag is ons gegeven, en de voorbije tijd kunnen we best in deze innigheid hulde brengen.


Leeuw en Welp (2) (471)

schaduw-foto-serie-6

 

De schaduw

Op een zonnige morgen ontdekte Welp zijn schaduw. Die liep altijd met hem mee.
Als Welp sneller liep, was ook de schaduw sneller. Begon hij traag te sluipen dan sloop ook de schaduw traag over de grond.

Naarmate de zon hoger aan de hemel kwam te staan, werd Welp ’s schaduw kleiner.
‘Nog even en mijn schaduw is weg,’ dacht Welp.
‘Naar wie of wat kijk je?’ vroeg Leeuw.
‘Ik kijk naar mijn schaduw. Hij volgt me overal. Wat ik ook doe om me van hem los te maken, het wil maar niet lukken. Gelukkig wordt hij nu kleiner en kleiner. Nog even en hij is weg.’
‘Heb je ’t warm?’ vroeg Leeuw.
‘Van al dat rennen en sluipen heb ik inderdaad behoorlijk warm gekregen.’
‘Kom dan maar in mijn schaduw liggen tot de middaghitte geluwd is.’
Omdat Leeuw nog heel wat groter was dan Welp, was zijn schaduw groot genoeg om een ligplekje voor zijn vriendje koel te houden.
‘Spijtig dat je niet in je eigen schaduw kunt gaan liggen, Leeuw.’
‘Ik knijp mijn ogen wel dicht, Welp. De zon en ik, dat zijn oude bekenden. ‘
‘Morgen mag jij in mijn schaduw liggen. Afgesproken?’
‘Later, als jouw schaduw net zo groot is als de mijne, kom ik zeker in jouw schaduw liggen. Dan ben ik oud en zal ik een beetje koelte best kunnen gebruiken.’

Ze zwegen lange tijd. Ze deden samen hun middagdutje.
‘Jij hebt een zalige schaduw, Leeuw,’ rekte Welp zich uit.
‘Leeuwenschaduw staat bekend als schaduw van de beste soort.’
‘Kijk, nu kunnen er zelfs twee welpen in je schaduw rusten. En ook mijn schaduw is groter geworden.’
‘Hoe lager de zon, hoe groter de schaduw. Al meer dan honderd leeuwenlevens is dat zo.’
‘Kun je je schaduw nooit losmaken van jezelf?’
‘Net voor de zon ondergaat, lopen al onze schaduwen naar de horizon. Daar duiken ze kopje onder in het nest van de zon. Schaduwen moeten ook slapen na zo’n drukke dag. ’s Morgens rennen ze uitgerust terug naar hun eigenaar.’
‘Zullen we dan nu schaduwlopen spelen, Leeuw? Jij probeert eerst mijn schaduw te vangen. Daarna mag ik de jouwe achterna zitten.’
‘Dat lijkt me een aardig spelletje, Welp. Vertrek maar.’

Welp maakte de gekste sprongen. Als Leeuw bijna bij zijn schaduw was, rolde hij naar hem toe of maakte hij snelle zigzag – lijnen over de grote grasvlakte.
‘Jij hebt een duivels snelle schaduw, Welp!’
Daarna mocht Welp de Leeuwenschaduw achterna hollen.
Als hij er bijna was, versnelde Leeuw zijn loop. Zelfs met een stevig sprongetje kwam hij nog net naast de snelle Leeuwenschaduw terecht.
‘Jouw schaduw heeft zeker acht poten, Leeuw.’

Toen de zon nog lager aan de hemel stond, werd het makkelijker om de schaduw van je vriend te pakken. Niet alleen liepen ze trager omdat ze van al dat hollen moe werden, maar ook waren hun schaduwen veel langer geworden.
Zo kwamen ze bij de rivier. Het was avond. Terwijl ze dronken en zich baadden liepen hun schaduwen naar het warme nest van de zon.
‘Ik ben vast zo moe als mijn schaduw,’ zei Welp. ‘Wat jij, Leeuw?’
‘Kom maar dicht bij mij slapen, Welp. De nachten zijn zo fris als de dagen warm kunnen zijn.’
Welp nestelde zich behaaglijk bij zijn vriend Leeuw. Hij sliep vrijwel onmiddellijk in.

Groot en rond kwam de maan aan de hemel.
Leeuw was nog wakker.
Hij zag hoe de maan de schaduw van de nabije apenbroodboom over hen heen legde.

‘Natuurlijk is er bij maanlicht ook een nachtschaduw. Hij is veel zachter dan je dagschaduw. Hij geeft je moed als je bang bent in het donker. Met je schaduw ben je nooit alleen.’
Hij wist wel dat Welp hem niet meer hoorde, maar misschien kwam zijn stem wel tot in Welp’ s droom.
Welp kreunde in zijn slaap. Dicht bij Leeuw had hij het lekker warm.
Hij droomde dat hij rondliep op de grote grasvlakte. Daarom trok hij soms met zijn poten.
‘Kijk, olifant. Ik ben een welp met de schaduw van een leeuw.’
Inderdaad. Naast Welp liep een heuse grote Leeuwenschaduw mee.

Hij glimlachte in zijn slaap.
Toen Leeuw dat zag, sliep ook hij gelukkig in.

kat-leeuw

 


bericht aan de terugkerenden (1) (470)

Ze had zestien kinderen, onze Maria Theresia waarvan wij de twee eerste letters van haar epitheta steeds verwisselden als we haar “de wettige vorstin noemden in onze geheugenles.

Drie stierven er jong en van de dertien overblijvenden was het alleen Maria Christina, haar lievelingskind overigens, die een huwelijk uit liefde sloot met hertog Albrecht von Sachsen-Techsen.

In feite was het graf eerst voor Titiaan bedacht, en daarna zou het voor Marie Christine zijn maar haar stoffelijke resten kwamen “in der Kapuzinergruft” terecht.

Antonio Canova maakte het in 1805 uit Carrara marmer.
Jouw wenende leeuw is maar een onderdeel. In feite is het een grote wandpiramide die zich in het rechtse zijschip van de Augustinerkerk bevindt.
In de geopende deur schrijdt de deugd met een urne, begeleid door twee meisjes met doodsfakkels.
Ze worden door de Caritas gevolgd, de Liefde dus, met een blinde grijsaard aan haar arm.
De wenende leeuw met “Genius” bevindt zich bij het wapenschild van de Sachsen-Teschens’s.
Boven zie je de “Gelukzaligheid” met het medaillon van de gestorvene Maria Christina.

Zo eenvoudig zat de wereld schijnbaar in elkaar, al zou ik je heel andere verhalen over die merkwaardige overgangstijden kunnen vertellen.

We vullen elkaar goed aan, jij als deskundige ik als nieuwsgierige naar de geschiedenis.
Toen je me gisteren over die wenende leeuw schreef, was het inderdaad Jungs synchroniciteit (let op het woord, het is inderdaad SYNCHRONICITEIT, een soort duratief zouden de Russen zeggen) die ons weer samenbracht.
Want voor ik je kende reisde ik langs Wenen naar Petersburg toen nog Leningrad.
Een vriendelijke mevrouw probeerde mij op enkele merkwaardigheden van deze stad te wijzen terwijl mijn vader zijn afspraken nakwam.
Zo kwam ik als jongetje bij de wenende leeuw terecht en kreeg ik het verhaal over Maria Christina te horen dat ik je hier verkort weergeef.

Ik weet nog dat ik mij het lot van de leeuw erg aantrok.
Hij, de koning, kon zelfs niet getroost worden door de mooie jongeman die tegen hem aanleunt.
Als dier en mens samen verdriet hebben zijn we terug aan de rand van het paradijs waarin lam en leeuw bij elkaar sliepen.
Nu heb ik de indruk dat de lammeren elkaar de strot overbijten terwijl de leeuwen wachten tot het zover is om zich aan de resten van de moordpartijen tegoed te doen.

Dat je “Heen en Terug” bij je verzameling op het net hebt gezet, vind ik best.
Het is het meest intense boek dat ik samen met Triangel achterliet.

Nu je weer op reis bent en je in Londen je werk wil afsluiten, denk ik aan de dagen waarin we meenden dat “les grandes vacances” het zouden halen op weten om te winnen.
Niet dus.

Maar:
“Het net des hemels is zo groot, zo groot,
en ook wijdmazig, en toch verliest het niets.”

En met deze mooie zin uit het 73ste hoofdstuk van Lao Tse, lang, heel lang geleden geschreven, troost ik onze wenende leeuw en vraag ik de mooie jongen met hem deze nacht door Wenen te trekken.
De schaduwen van vele grote zielen zijn hen vooraf gegaan.

(in Rotterdam kun je naar Rembrandts liggende leeuw gaan kijken!)


Leeuw en Welp (1) (469)

verne dwawson

Leeuw en welp hebben gedachten.

Als je een leeuw bent en nog klein, dan word je een ‘welp’ genoemd.
Welpen hebben een vader en een moeder leeuw.
Deze welp had daarnaast nog een oudere leeuw als vriend die hij gemakshalve ‘Leeuw’ noemde.
Tegen zijn vader zei hij pa, en zijn moeder sprak hij met ma aan.
Welp zelf werd door iedereen ‘Welp’ genoemd.

Leeuw kon zijn grootvader zijn.
Maar als hij met Welp speelde, was hij zijn vriendje.
‘Leeuw is van alle leeftijden,’ dacht Welp.

Vroeger had Leeuw ook welpen gehad.
Twee waren er gestorven. Eentje, een mooie meisjeswelp, had een avontuurlijke leeuw gevonden.
Ze leefden nu dichtbij het jachtgebied van Leeuw en Welp.

Welp had nog twee broertjes.
Die deden heel druk.
Pa en Ma Leeuw hadden er hun poten vol mee.

Welp zelf hield wel van stoeien, maar druk was hij niet.
Hij kon heel stil op een heuvel naar de andere dieren kijken.
Hij luisterde naar de roep van de olifanten.
Hij dacht graag na.

‘Heb jij ook gedachten?’ vroeg hij aan Leeuw.
‘Hoe ouder je wordt, hoe meer je van gedachten kunt genieten, Welp.’
‘Ik ben nog heel jong, maar ik hou toch al veel van gedachten, Leeuw.’
‘Daarom ben ik ook je vriend, Welp. We houden allebei van gedachten.’
‘Kun je gedachten delen, Leeuw?’
‘Het water van de rivier stroomt voorbij. Iedereen die dorst heeft of zich wil wassen kan op zijn manier hetzelfde water gebruiken. Zo is het ook met gedachten.
We zien allemaal dezelfde sterren ’s nachts. Als ik de sterren zie, dan vraag ik me af of er daar ook leeuwen en welpen wonen. Wellicht zijn ze net zo zilver als de sterren.’
‘Mij doen de sterren aan gaatjes denken. Piepkleine gaatjes in het vel van de hemel.
Wie zou er langs die gaatjes naar ons kijken, denk ik dan.’
Daar dachten ze beiden over na.

De sterren schitterden aan de hemel boven de brousse.

‘Met gedachten kun je dus heel ver weg reizen?’
‘Ja, Welp, gedachten kunnen je tot bij de sterren brengen.’
‘Maar je kunt ook heel dichtbij jezelf blijven met gedachten. Soms denk ik hoe het later zal zijn, als ik ook Leeuw zal heten en zelf welpen heb.’
‘Zoals ik soms terugdenk aan vroeger, toen ik nog een welpje was.’
‘Denk je dat je altijd mijn vriend zult blijven, Leeuw? Ook als ik zo oud zal zijn als jij nu bent?’
Leeuw dacht na.
‘Zeker is dat ik altijd je vriend zal zijn. Al zou ‘altijd’ voor jou nog langer kunnen duren dan voor mij.’
Daar moest Welp wel even over nadenken.
‘Je bedoelt dat je op een dag dood zult gaan?’
‘Ook daar kun je gedachten over hebben, inderdaad.’
‘Waar zal ik je dan zoeken?’
‘Ik denk dat ik dan bij de zilveren Leeuwen aan de hemel zal staan. En door de gaatjes in het hemelvel zal ik naar jou kijken.’

Welp knikte en kroop dicht bij Leeuw.
‘Met je gedachten ben je altijd heel dicht bij elkaar. Ook als altijd voor jou voorbij is en voor mij nog verder duurt.’
‘In je gedachten is altijd altijd altijd, Welp.’

Ze keken naar de sterren.

(voorjaar 2001)


vanuit Wenen vertrokken (468)

302_9eb64c1903adfd697efdefd8d0af56cb

Nu mijn werk er in deze stad opzit, wil ik weer graag onze correspondentie verder zetten.
De verloren tekeningen van Columbus’ zoon heb ik intussen verlaten, en ik zwerf tussen veilingen, expertises en gewaardeerde (lees gratis) medewerking aan het erfgoed of wat daarvoor moet doorgaan.

Ik weet niet waarom ik in de Augustinerkerk in Wenen binnenliep, of we zouden Jungs synchronisatie weer moeten oppakken, maar ik kwam er plots oog in oog te staan met het beeld dat ik je hierbij meestuur.

Ik heb brullende, gapende, slapende, triomfantelijke, vertederende, felle en tamme leeuwen gezien in mijn werk voor de beeldende kunsten, maar een wenende was mij tot op de dag van vandaag onbekend.

Ik had de tijd niet om te ontdekken wie of wat hij beweende want vliegtuigpassagiers moeten om allerlei redenen bijna een dag op voorhand op de luchthaven zijn, maar de foto spreekt voor zichzelf.

En toen ik eenmaal vastgeklikt was en wij ons op comfortabele hoogte bevonden, kwamen jouw verhalen over leeuw en welp me voor de geest.

Natuurlijk heb ik ze bewaard.
Daar is het geheugen van onze computers voor gemaakt.

In Columbus’ tijd zou een vrachtschip zijn nodig geweest om de documenten van de vijf voorbije jaren mee te slepen, nu volstaat de boterhamdunne laptop met zijn harde schijf om de tijd terug te draaien.

Ik ben zo vrij geweest je verhaal “Heen en Terug” bij je linken te zetten zodat de lezer ook die weg kan opgaan, maar ik denk dat we ook je Leeuw zachtjes kunnen loslaten.

Het is een poging om zijn tranen te drogen.


colofon (467)

106_c2c629e15efb615b920a9310e7314134

Zijn we intussentijd één stapje dichterbij de opheldering tussen echt en onecht gekomen?
Dat zijn we niet.

Was het de bedoeling om de lijnen te markeren?
Dat was het niet.

Was het geen mooi afscheid, die laatste foto met de mogelijkheid tot terugkeer?
Dat was het.

Maar lieve reisgezel, uw correspondent is geen held, noch minder een filosoof of geleerde.
Hij is een reiziger, zoals jij.
Bij elke kromming van de weg denkt hij het wonder te ontwaren en u zult moeten toegeven dat ons vaak eerder de hel dan het paradijs overkomt.

Zullen we ons beperken tot het beeld in de grot van Plato?
Wij zien de schimmen, de weerspiegeling op de wanden en wij denken de werkelijkheid te zien.

Het is een mooi beeld, maar te idealistisch, te vrijblijvend.
We hebben onze jeugdjaren te veel met dergelijke utopieën moeten vullen.

Kijken we dan in de nacht?
Dat doen we.
Zijn we daarom droevig of terneergeslagen?
Waarom zouden we?

We kijken en bij gebrek aan beelden proberen we ons op de kopieën te oriënteren.
Dat is al een troost, en een getrooste reiziger voelt niet zo vlug de blaren of de ontmoediging.

Wij moeten de verschillende verhalen blijven vertellen uit angst dat ‘ één en waar’ verhaal ons wordt opgelegd.
Dergelijke verhalen hebben ons al veel pijn gedaan.
Heb dus maar een gezond wantrouwen bij woorden als heilige grond, heilige schrifturen en andere heilige dingen waarvoor mensen hun medemensen uitmoorden of zichzelf opblazen

Ik stuur je dus nog één fotootje mee van Bernard Faucon.
“Les petits bateaux”.
Elk bootje is een verhaal, een geschiedenis.

In de stilte van de nacht zwijg ik ons leven verder open.


le paradis, jamais perdu (10) (465)

 

Dit is de enige foto waarvan de omgeving niet werd geënsceneerd.

Hier zijn we in het grootouderlijke huis: chez Tatié.
De schilderijen aan de muur, de omgeving, de atmosfeer van het huis, het is “uit het leven gegrepen”.

De bewoners zijn niet allemaal van was.


le paradis, jamais perdu (8)

894_0373fddf624dc54b9bf5cf2732e73267

Aan de Sorbonne in Parijs studeert hij theologie en filosofie.
Als hij afstudeert wil hij niet dadelijk gaan werken.
Hij verdient de kost door allerlei dingen te kopen en te verkopen.
Uit allerlei gekochte of gevonden materialen maakt hij kleine nieuwe voorwerpen.

In 1976 wordt het idee van de mannequins geboren.
Eerst verzamelt hij deze ouderwetse wassen mannequins om ze te verkopen, maar dan besluit hij ze te fotograferen.

“Avant, je photographiais pour retenir ce que j’ aimais.
La photo n’ était pas un moyen d’ expression.
C’ est la peinture qui l’ était. C’ est elle qui comptait.”

Hij begint met de mannequins te theatraliseren: er ontstaat een bewuste opstelling en een omgeving.
Soms mengt hij de poppen met echte kinderen zodat de toeschouwer zich kan afvfragen wie van was is, en wie niet.

Hij laat het schilderen achter zich en wijdt zich aan de fotografie.In 1977 komt zijn eerste tentoonstelling er.
Later verschijnt “Les grandes vacances”, en in Parijs en in New York.

De titel “les grandes vacances” is een programma-verklaring: de enige kindertijd die naam waardig, de riten en mysteries, de vreemde wereld die snel voorbijgaat maar levenslang onze herinnering bepaalt.

De foto hierbij: Les lumières de la ville


le paradis, jamais perdu (7) (462)

864_5fbde2919e242038e9084418fe95410b

Het verhaal van zijn eerste grote liefde is geen leuk verhaal.
Het zijn vooral de volwassenen die het verhaal tot een ramp laten uitgroeien.

“J’ ai passé des nuits et des nuits avec le poids d’ une montagne qui m’ écrassait le corps.”

De families grijpen in.

“Les familles ont pris consciences, se sont gendarmées.”

Ze mogen elkaar niet meer zien.
De bescherming als diepste kwetsuur.

“Toutes les erreurs ont été commises, on nous a separés.
C ‘est une blessure qui a mis dix ans à se cicratiser pour moi, et pour lui; c ‘est n ‘est peut-être pas fini.”

Ook zijn geliefde grootmoeder Tatié speelt een zeer ambigue rol.
“…je crois que c ‘est elle qui a mis mon père en garde.

Ik laat de concrete gebeurtenissen rusten.
Je weet, beste reisgezel, dat de levens van anderen een gemakkelijke prooi zijn.

Met zijn eerste foto-apparaat, de Semflex, begint hij de werkelijkheid te onderzoeken.
Hij blijft trouw aan het 6 x 6 formaat.

Gelukkig ontmoet hij Henri Koerner, toen 53 jaar.
Met vrouw en kinderen komt hij op vakantie in een van de grootouderlijke eigendommen.
Na de vakantie blijven ze elkaar schrijven.

Op zijn achttiende schrijft Bernard: (1968!)

“Je n’ ai toujouts fait que trois hypothèses: mourir jeune, entrer dans un monastère ou être un grand artiste.”

Een schilderij uit die tijd noemt hij “raison d ‘ être”.


le paradis, jamais perdu. (6) (461)

331_0e800c607bd1dd46433b189e063cd753

Dit is een van zijn eerste gouaches.
1966, het jaar dat hij zestien zou worden.

Het is er niet rustig.
We zijn nu bij de piano van Brahms aangeland.

Toen hij vijftien was, zei de gymleraar tegen de klas:
“Faucon, il n ‘est pas si fou que ça.”

Zijn schoolresultaten verbeteren, hij leert de literatuur kennen maar hij blijft zichzelf een ‘uitvinder’ noemen.

“Je voulais être inventeur.
Je fabriquais, des engins roulants, des cabanes, je faisais de la pâtisserie.”

De keuken zal in zijn foto’s in allerlei aspecten aanwezig zijn.

Maar op diezelfde leeftijd beleeft hij zijn eerste grote liefde.