Ze had zestien kinderen, onze Maria Theresia waarvan wij de twee eerste letters van haar epitheta steeds verwisselden als we haar “de wettige vorstin noemden in onze geheugenles.

Drie stierven er jong en van de dertien overblijvenden was het alleen Maria Christina, haar lievelingskind overigens, die een huwelijk uit liefde sloot met hertog Albrecht von Sachsen-Techsen.

In feite was het graf eerst voor Titiaan bedacht, en daarna zou het voor Marie Christine zijn maar haar stoffelijke resten kwamen “in der Kapuzinergruft” terecht.

Antonio Canova maakte het in 1805 uit Carrara marmer.
Jouw wenende leeuw is maar een onderdeel. In feite is het een grote wandpiramide die zich in het rechtse zijschip van de Augustinerkerk bevindt.
In de geopende deur schrijdt de deugd met een urne, begeleid door twee meisjes met doodsfakkels.
Ze worden door de Caritas gevolgd, de Liefde dus, met een blinde grijsaard aan haar arm.
De wenende leeuw met “Genius” bevindt zich bij het wapenschild van de Sachsen-Teschens’s.
Boven zie je de “Gelukzaligheid” met het medaillon van de gestorvene Maria Christina.

Zo eenvoudig zat de wereld schijnbaar in elkaar, al zou ik je heel andere verhalen over die merkwaardige overgangstijden kunnen vertellen.

We vullen elkaar goed aan, jij als deskundige ik als nieuwsgierige naar de geschiedenis.
Toen je me gisteren over die wenende leeuw schreef, was het inderdaad Jungs synchroniciteit (let op het woord, het is inderdaad SYNCHRONICITEIT, een soort duratief zouden de Russen zeggen) die ons weer samenbracht.
Want voor ik je kende reisde ik langs Wenen naar Petersburg toen nog Leningrad.
Een vriendelijke mevrouw probeerde mij op enkele merkwaardigheden van deze stad te wijzen terwijl mijn vader zijn afspraken nakwam.
Zo kwam ik als jongetje bij de wenende leeuw terecht en kreeg ik het verhaal over Maria Christina te horen dat ik je hier verkort weergeef.

Ik weet nog dat ik mij het lot van de leeuw erg aantrok.
Hij, de koning, kon zelfs niet getroost worden door de mooie jongeman die tegen hem aanleunt.
Als dier en mens samen verdriet hebben zijn we terug aan de rand van het paradijs waarin lam en leeuw bij elkaar sliepen.
Nu heb ik de indruk dat de lammeren elkaar de strot overbijten terwijl de leeuwen wachten tot het zover is om zich aan de resten van de moordpartijen tegoed te doen.

Dat je “Heen en Terug” bij je verzameling op het net hebt gezet, vind ik best.
Het is het meest intense boek dat ik samen met Triangel achterliet.

Nu je weer op reis bent en je in Londen je werk wil afsluiten, denk ik aan de dagen waarin we meenden dat “les grandes vacances” het zouden halen op weten om te winnen.
Niet dus.

Maar:
“Het net des hemels is zo groot, zo groot,
en ook wijdmazig, en toch verliest het niets.”

En met deze mooie zin uit het 73ste hoofdstuk van Lao Tse, lang, heel lang geleden geschreven, troost ik onze wenende leeuw en vraag ik de mooie jongen met hem deze nacht door Wenen te trekken.
De schaduwen van vele grote zielen zijn hen vooraf gegaan.

(in Rotterdam kun je naar Rembrandts liggende leeuw gaan kijken!)