een brief aan Gustav (452)

405_e2fe0f221b6e33de6be9ad3f96ef6d57

Zeer geliefde Gustav,
Ich bins, der Friedrich.
Mijn pa wilde dat ik zoals hem jurist werd, en wat doe je met vaders?
Je volgt hun raad op om diezelfde raad daarna met alle heftigheid in de wind te slagen.
De enig juiste plaats voor goede raad.

Ik zag het levenslicht zoals dat zo mooi heet op 16 mei in 1788, in een dorp bij Coburg.(Schweinfurt!)
En je kunt die pastoors verketteren en al dan niet vals beschuldigen maar het was dank zij de pastoor van Oberlauringen dat ik de liefde voor de taal meekreeg.

Net zeventien was ik, Friedrich Rückert, toen ik in Würzburg aan de jura studie begon, maar al vlug meer interesse kreeg voor filologie en mooie mythologische verhalen.

Ik moet jou niets vertellen over sterven want toen mijn jongste zus Marie geboren werd hadden mijn ouders al drie kleine meisjes aan diezelfde dood afgegeven.
Ik schreef voor Marie in 1813 “Fünf Märlein zum Einschlafen” nadat ik intussen naar Heidelberg was verhuisd om er bij Creuzer me in de filologie te verdiepen.

Vergeet mijn thesis (de ideae philologiae) waarin ik het Duits als taal voor vertalingen uit de wereldliteratuur en eigen literaire scheppingen voorstelde.
Tenslotte waren dat ideeën die ik voorbeeldig van de heren Goethe en Herder heb ontvreemd.

We waren volop bezig met het verzet tegen Napoleon, en ik met mijn arme gezondheid had als enige wapen de pen die ik in mijn “Geharnischte Sonette” in het vreemde jaar 1812 publiceerde.
Jeugdzonden!

Net zo goed schreef ik dat jaar voor mijn gestorven zestienjarige vriendin Agnes Müller “Agnes’ Totenfeier” om de 75 sonnetten niet te vergeten die ik aan Marie Elisabeth opdroeg, de dochter van de herbergier.
Jeugdzonden! Maar stukken sterker dan het wapengekletter hierboven!

(ik heb ook nog een aantal woorden aan de vermoorde Abe Lincoln gewidmet!)

Dank zij belangrijke lieden kwam ik bij de Cotta uitgeverij in Stuttgart terecht, en toen mijn vriendschap met Ludwig Ühland was afgekoeld trok ik in oud Duitse klederdracht door Zwitserland, en Italië.
Jeugdzonden!

In Rome sloot ik vriendschap met de graveur Carl Barth (hij zou zich later in 1853 van het kostbare leven benemen) en naast deze innemende mens waren er ook de “Oktaven” en “Ritornelle”, de zingende vormen waarin de Italianen hun taal dichten.

Wie langs Wenen terugreist, weet dat hem iets vreemds zal overkomen.
Ik leerde er de Oriëntalist Hammer kennen (in feite Joseph von Hammer-Purgstall!) en die maakte ook bij mij de liefde voor de Oosterse literatuur los.
Ik bestudeerde Hafis, de grote Perzische dichter waaruit Goethe al had geput in zijn West-östlichter Divan”, en ikzelf schreef “Östliche Rosen”.

En waarde Gustav, met mijn liefde voor de Oosterse talen was het in één klap gedaan met mijn succes als Duitse nationalist.
Jaja, ze roemden mijn vertalingen, maar waarom zou een Duitser zich met die verre talen bemoeien?

Tegelijkertijd vertaalde ik “der Ghaselen” naar Dschelaladdin Rumi.
Deze in 1273 overleden Islamitische mystieker werd als de geestelijke vader van de dansende derwisjen aanzien.

Terug naar Coburg waar ik in de winter van 1820 de tien jaar jongere dochter van mijn huisbaas, Luise Wiethaus-Fischer ontmoette en…met haar trouwde, Kerstmis 1821.
Zij zal de moeder van mijn tien kinderen worden, de liefde van mijn leven.

De gedichten die ik voor haar schreef zal ik tot 1844 bijhouden en ze dan publiceren in “Liebesfrühling”.

Daarna heb ik verder in het Arabisch bekwaamd en grote stukken van de Koran vertaald.
Het allermoeilijkste werd “Makamen des Hariri”, een van de mooiste werken in het Arabisch.
Men verbaasde zich over mijn getrouwheid aan de tekst en aan de Islamitische cultuur die ik ten zeerste ben blijven bewonderen.

Met al dat volk in huis moest ik echter wel prof worden om hen te onderhouden.
In Erlangen werd ik dus hoogleraar voor Orientalische Sprachen.
Ik leerde mezelf Sanskriet, en zag mezelf als “abgedankte Poet und notgedrungene Orientalist”.

In 1838 (in dat kleine land België is intussen een Coburger koning geworden) verzamelde ik mijn jongste werk in “Haus-und Jahreslieder”.

Maar het was ook een droevige tijd.
Mijn twee jongste kinderen stierven, Ernst vijf jaar, Luise drie.
In mijn verdriet schreef ik voor hen meer dan 400 Kindertotenlieder.
Ook Marie voor wie ik ooit “Fünf Märlein” schreef, sterft in 1835.

In 1836 verschijnt mijn didactisch hoofdwerk: “Weisheit des Brahmanen” weg van alle dogmatiek van het Würtembergische protestantisme.
De roep naar Berlijn werd steeds maar groter.

Een eenzame tijd.
Ik besloot geen gedichten meer te publiceren en me toe te leggen op de Oosterse talen.

Ik bespaar je de rest.
Ik ben je dankbaar Gustav dat jij na je crisisjaar 1900 enkele van mijn teksten met muziek hebt vertaald. Je Rückert-liederen, je Kindertotenlieder zullen mijn werk lang overleven.

Ich bin der Welt abhanden gekommen,
mir der ich sonst viele Zeit verdorben,
sie hat so lange nichts von mir vernommen,
sie mag wohl glauben, ich sei gestorben !

Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
ob sie mich für gestorben hält,
ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
denn wirklich bin ich gestorben der Welt.

Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
und ruh in einem stillen Gebiet.
Ich leb allein in meinem Himmel
in meinem Lieben, in meinem Lied.

Wie de Rückert liederen van Gustav Mahler wil beluisteren en bekijken kan dat deze maandagavond op het symbolische uur 23.55u
Nederland 3, NPS.
De mezzo Alice Coote vertolkt ze prachtig.
Het radio Filharmonisch Orkest staat onder de bezielde leiding van Ingo Metzmacher.

De tekst van het prachtigste lied dat ik ooit heb gehoord, staat hierboven afgedrukt.
Als alles zwart is, de winter te lang duurt, de ziel verdrinkt in Weltgetümmel, beluister dan dit lied telkens weer.

Wij zullen dicht bij elkaar zijn.