bij wijze van oefening (3) (450)

602_ed46644d63a543a6e7879251800282e8

De dood van mijn leeuw was ook mijn eerste dood.
Of mijn vader leeuwentemmer was?
Dorpsonderwijzer komt aardig in de buurt van dit beroep.
Wat doet een leeuw in het gezelschap van een driejarig jongetje en een dorpsonderwijzer?
Wat leeuwen in de primitieve verbeelding moeten doen: de spoken verslinden, voor warmte zorgen en nu en dan diep grommen.

Het was dus slechts een speelgoed-leeuw?
Kinderen van net na de oorlog hadden geen knuffeldieren.
Een rijk decadentje kon van de Tommy’ s misschien een beer hebben gekregen, maar leeuwen verschenen pas veel later op het kinderlijk toneel.

Een denkbeeldige leeuw?
Kinderen van drie kennen het verschil niet tussen wat wij als zogenaamde volwassenen “echt” noemen en wat tot het rijk van “de fantasie” zou behoren.
Voor hen is alles echt, dus zeker de fantasie.
Dat is het drama.
Als ze boze dromen hebben, dan zijn dat geen dromen maar ware gebeurtenissen.
Zien ze de schaduwen van de kastanjelaar op de muur, dan zijn dat inderdaad grijparmen.
Veel later wordt de wereld ingedeeld en dan zijn er nog wezens voor wie die indeling niet opgaat.

Mijn leeuw leefde in het boek van de “gewijde geschiedenis”, de verhalen van het oude testament.
Daar had hij Daniel willen verslinden in de leeuwenkuil, maar de hoofdrolspeler van dat boek, een nogal onberekenbare god, had dat verhinderd.
Zo zag je de jongen lekker lui liggen tegen de flank van het gevaarlijke roofdier, een teken van de Almachtige zonder klinkers in zijn Naam.
De zuster had ons het verhaal meermaals verteld.
Wie in de juiste god gelooft, kan niets overkomen, zei ze.
En jullie zijn allemaal gedoopt, dus zouden de leeuwen jullie zeker sparen, net zoals Daniel.

Dat boek was voor ‘ de grote kinderen’ bedoeld, maar zoals ik later me weinig van “de zedelijke quotering” in de boeken van het Davidsfonds heb aangetrokken, was ik ook hier zo vrij om tijdens de lessen van mijn pa in het eerste leerjaar op zoek te gaan naar mijn leeuw.
Dat gebeurde op dagen dat om een of andere al dan niet pedagogische reden de kleuterschool (toen nog: de bewaarschool, de papklas) dicht was en ik dus bij mijn pa werd opgeborgen en een beetje verlegen tussen de voor mij reuzen van zes en zeven jaar zat.

Daar ontdekte ik mijn leeuw.
Ik smokkelde het boek mee naar huis en legde het onder mijn hoofdkussentje.
De leeuw wist wat hem te doen stond.
Hij verliet zijn gravure en kwam diep grommend naast mij liggen zodat ik, net zoals Daniel, mijn hoofd tegen zijn flank kon leggen.

Wij praatten nooit met elkaar.
Dat is een uitvinding van kleuterjuffen en flauwe auteurs.
Bijna vierjarigen en leeuwen hebben elkaar niets te zeggen. Zij begrijpen elkaar.

Hij was naamloos.
Diezelfde juffen of auteurs bedenken leeuwen met allerlei namen zoals ze hun katten en honden opzadelen met de meest belachelijke of kinderachtige menselijke namen.
Ik was een tweepoter voor hem.
Hij was mijn leeuw.

Sinds ik hem ‘s avond voorlees, is hij veel rustiger, zei mijn moeder.
Ze heeft nooit geweten dat ik lag te wachten tot ze zou ophouden met die vrij onnozele versjes en moralistische verhaaltjes.
Ik wilde gewoon bij mijn leeuw zijn, en hij bij mij.
Hij had de hele dag in de gewijde geschiedenis dienst gedaan en nu wilde hij zich nog eens lui uitstrekken in mijn bed en diep grommen.

Het gebeurde ook wel eens dat hij naast mij liep als ik met mijn grootvader door de velden wandelde.
Als hij te lang tussen de opschietende gerst bleef snuffelen, riep ik hem. Leeuw!
Mijn grootvader vond dat heel gewoon.
Hij stelde mij nooit vragen over hem en ik moest ook mijn leeuw niets uitleggen over de oude man.
Wij waren op de wereld.

Toen ik vijf was, vond mijn vader het boek onder mijn matrasje.
Dat was na een nacht waarin ik een ongelukje had gehad.
Ik werd bij hem geroepen.
Waarom ik dat boek had meegenomen?
Zo maar, zei ik.
Dat is stelen, zei mijn vader. Dat boek is van de school. En daarbij, je kunt niet eens lezen.

Die nacht verscheen mijn leeuw niet meer.
Hij zat opgesloten in het gewijde geschiedenis boek.

Een week later vertelde een missionaris over de gevaarlijke leeuwen die het op de negerkindertjes hadden gemunt.
Hij had persoonlijk zo’n leeuw neergeschoten, net voor hij zich te goed zou doen aan een kroostrijk zwart gezin.
‘Dat is gelogen!’ riep ik luid.
De bebaarde man schrok en werd rood.
God wil niet dat een leeuw gedoopte kinderen opeet.
De missionaris herpakte zich en met een pedagogische glimlach op zijn sinterklaasgezicht vroeg hij mij waar ik zoiets vandaan haalde.
Ik vertelde hem het verhaal van Daniel in de leeuwenkuil.
De man knikte goedkeurend.
Dat is heel slim van jou, zei hij. Maar dit zwarte gezin was nog niet gedoopt, dus…

Het werd heel stil in de klas.
De leeuw was misschien wel een duivel die het op hun zieltjes had gemunt, beste jongen.

Pas veel later, toen ik al een jongen van dertien was, werd het mij duidelijk toen ik een lange priester in het avondgebed hoorde zeggen:
…want de duivel loopt rond als een briesende leeuw, zoekend wie te verslinden.

Hoe kon ik de wereld uitleggen dat mijn leeuw, de leeuw van Daniel was, de mooiste jongen van de kleuterklas?


bij wijze van oefening (2) (449)

 

868_e87f9c659b63cf2a9e7affea3b9f592a

Niet dat hij nu dadelijk aan de touwtjes mocht trekken.
Zelfs de touwtjes losknippen was geen optie.
Zijn grootvader vertelde dat elke mens naarmate hij ouder werd ook aan allerlei touwtjes ging hangen.
Je werd als baby geboren en je ging als marionet het graf in.

Misschien was dat gevoel van die touwtjes-toename gewoon een ander woord voor sterven.
Je hing vast aan het leven.
Je zat vast.
Vaster en vaster tot je als een onbeweeglijke Pierrot werd afgelegd en in de aarde verdween of door het vuur werd verteerd.

Er waren er die geloofden dat bij zo’n gebeuren de touwtjes zouden knappen.
Je werd bevrijd.
Het eeuwige leven en al dat hemels fraais.

Toen hij aan zijn grootvader vroeg waar die touwtjes dan vandaan kwamen, glimlachte hij.
Ze keken over de aardappelvelden.
Weldra brak de rooitijd aan en was de lucht met verbrand loof en nieuwe schoolboeken vervuld.

Ze knippen je los van je moeder, zei hij, maar dat is maar schijn, want je blijft er voor je hele leven aan vasthaken.
Een paard vergeet zijn stal nooit.

Dat was een beetje onduidelijk voor een jongetje van zeven, maar ik begon te begrijpen dat menselijke relaties zoals dat later zo mooi heette, iets met die touwtjes te maken hadden.

En dan is er de toekomst.
Je vrienden en vriendinnen, de vrouwen, je eigen kinderen, je beroep, het huis dat je hebt gebouwd, de zoveelste auto, de job, de baas, het lijf met zijn bokkensprongen -ziekte en gezondheid dus, enfin, hoe ouder je wordt hoe meer je wordt vastgemaakt.

Of dat bij hem ook zo was?
Ja, dat was zo. En soms kon veel bier en jenever je de illusie geven dat die touwen niet bestonden, maar de volgende morgen snoerden ze als stalen banden rond je katerkop.

We hoorden de aardappelen groeien, zo stil was het.
De kunst is met je eigen zot te kunnen leven, zei hij.
Ik wist niet wie hij daarmee bedoelde.
Het zou vast de marionet zijn die in mijn slaapkamer aan de kapstok hing.

Ik heb twee dagen later stevig onder mijn voeten gekregen omdat ik de touwtjes van mijn Pierrot had doorgeknipt.
Een beetje respect voor een antiek stuk was wel het minste wat ze van mij konden verwachten.

Ik verzeker je dat ik hem ‘s nachts heb horen lopen, dat antiek stuk.
De volgende dag was hij verdwenen.

Heb ik zijn plaats ingenomen?