verne dwawson

Leeuw en welp hebben gedachten.

Als je een leeuw bent en nog klein, dan word je een ‘welp’ genoemd.
Welpen hebben een vader en een moeder leeuw.
Deze welp had daarnaast nog een oudere leeuw als vriend die hij gemakshalve ‘Leeuw’ noemde.
Tegen zijn vader zei hij pa, en zijn moeder sprak hij met ma aan.
Welp zelf werd door iedereen ‘Welp’ genoemd.

Leeuw kon zijn grootvader zijn.
Maar als hij met Welp speelde, was hij zijn vriendje.
‘Leeuw is van alle leeftijden,’ dacht Welp.

Vroeger had Leeuw ook welpen gehad.
Twee waren er gestorven. Eentje, een mooie meisjeswelp, had een avontuurlijke leeuw gevonden.
Ze leefden nu dichtbij het jachtgebied van Leeuw en Welp.

Welp had nog twee broertjes.
Die deden heel druk.
Pa en Ma Leeuw hadden er hun poten vol mee.

Welp zelf hield wel van stoeien, maar druk was hij niet.
Hij kon heel stil op een heuvel naar de andere dieren kijken.
Hij luisterde naar de roep van de olifanten.
Hij dacht graag na.

‘Heb jij ook gedachten?’ vroeg hij aan Leeuw.
‘Hoe ouder je wordt, hoe meer je van gedachten kunt genieten, Welp.’
‘Ik ben nog heel jong, maar ik hou toch al veel van gedachten, Leeuw.’
‘Daarom ben ik ook je vriend, Welp. We houden allebei van gedachten.’
‘Kun je gedachten delen, Leeuw?’
‘Het water van de rivier stroomt voorbij. Iedereen die dorst heeft of zich wil wassen kan op zijn manier hetzelfde water gebruiken. Zo is het ook met gedachten.
We zien allemaal dezelfde sterren ’s nachts. Als ik de sterren zie, dan vraag ik me af of er daar ook leeuwen en welpen wonen. Wellicht zijn ze net zo zilver als de sterren.’
‘Mij doen de sterren aan gaatjes denken. Piepkleine gaatjes in het vel van de hemel.
Wie zou er langs die gaatjes naar ons kijken, denk ik dan.’
Daar dachten ze beiden over na.

De sterren schitterden aan de hemel boven de brousse.

‘Met gedachten kun je dus heel ver weg reizen?’
‘Ja, Welp, gedachten kunnen je tot bij de sterren brengen.’
‘Maar je kunt ook heel dichtbij jezelf blijven met gedachten. Soms denk ik hoe het later zal zijn, als ik ook Leeuw zal heten en zelf welpen heb.’
‘Zoals ik soms terugdenk aan vroeger, toen ik nog een welpje was.’
‘Denk je dat je altijd mijn vriend zult blijven, Leeuw? Ook als ik zo oud zal zijn als jij nu bent?’
Leeuw dacht na.
‘Zeker is dat ik altijd je vriend zal zijn. Al zou ‘altijd’ voor jou nog langer kunnen duren dan voor mij.’
Daar moest Welp wel even over nadenken.
‘Je bedoelt dat je op een dag dood zult gaan?’
‘Ook daar kun je gedachten over hebben, inderdaad.’
‘Waar zal ik je dan zoeken?’
‘Ik denk dat ik dan bij de zilveren Leeuwen aan de hemel zal staan. En door de gaatjes in het hemelvel zal ik naar jou kijken.’

Welp knikte en kroop dicht bij Leeuw.
‘Met je gedachten ben je altijd heel dicht bij elkaar. Ook als altijd voor jou voorbij is en voor mij nog verder duurt.’
‘In je gedachten is altijd altijd altijd, Welp.’

Ze keken naar de sterren.

(voorjaar 2001)