469_9b24a06bdadd5fdd897aceaf91c97e43

Goede Vriend,

Eenmaal je de naam “Wenen” hebt laten vallen, is hij niet zo makkelijk op te rapen als je wel denkt.
De Oostenrijkers hebben de onhebbelijke gewoonte om alles in stukken te hakken en daarna spijt het hen nergens bij te horen. De heer Thomas Bernhard( 1931-1989) wist er alles van.
Robert Musil schreef in zijn “Man zonder eigenschappen”:
“Steden zijn als mensen aan hun gang te herkennen.”

Om even in de Augustinerkerk te blijven: in de grafkelder van deze kerk vind je de “Habsburger Herzgruft”.
Was je een Habsburger dan werd je (meestal) na je dood in stukken verdeeld:
Je hart ging in een zilveren schrijn naar deze grafkelder, de ingewanden naar de crypte in de Sint Stephansdom en je lichaam naar de Kapuzinergruft in de Kapucijnerkerk.

In de Sint Augustijner wordt nog iedere 21ste november, de sterfdag (1916) van Franz Joseph met een mis herdacht en naar verluidt zou Anton Brückner hier de inspiratie voor zijn mis in fa mineur gekregen hebben en werd ze hier ook uitgevoerd.
Ook het oude orgel werd door hem bespeeld.
Dat orgel kwam overigens uit een vernielde Spaanse Benedictijnerkerk (Schwarzpanier).

In deze kerk werden ook de huwelijken van Maria Theresia met Frans van Lotharingen, en van Elisabeth van Beieren en Franz Joseph ingezegend, en zelfs het huwelijk van Marie Antoinette (ook een dochter van Maria Theresia!) en Lodewijk XVI vond hier “per volmacht” plaats zonder dat van Napoleon I met Marie Louise van Habsburg te vergeten.

In het klooster heb jij in de Albertina gewerkt en het verbaast mij dus ten zeerste dat je slechts net voor je vertrek het monumentale grafmonument van Maria Christine hebt opgemerkt.
Je werk in het Globe-museum bracht je wellicht in contact met de heer Mercator (1512-1594) die er de atlassen en globes ontwierp voor Karel V (1541)
Ben je ook in het Theatermuseum geweest?

Ik stuur je een mooi document, een tête à tête in het beroemd Weens porselein dat de Hollandse schilder en tekenaar J.E. Liotard van Maria Theresia ten geschenke kreeg bij zijn vertrek uit Wenen in 1778.

Het woord zegt het zelf: het was een klein theeserviesje in een lederen etui bestaande uit een blad, twee kannetjes met deksels, een suikerbakje en twee koppen en schotels versierd met medaillons waarin een grijs gekleurd bloemboeket is uitgespaard in een paarse fond.
Een mooi cadeau!
Het doet me denken aan mijn eerste treffen in Berlijn waar ik in 1979 door de speling van het lot net niet zo’n theeserviesje in Berlijns porselein als geschenk kreeg.
Het lot (een Engels twopence) kende het serviesje aan mijn Duitse collega’ s toe, maar alle eer en glorie was voor de ongelukkige die niet het porselein maar wel het medevoelen als prijs kreeg.

Misschien hebben we nu weinig tijd voor een tête à tête, en het thee-uurtje schijnt een ongelofelijke luxe te zijn.
In onze collectie zijn er ook nog enkele fraaie stukken voor zijn intiem onderonsje.
De tijd moet je jezelf cadeau doen.

Ik hoop dat we elkaar bij zo’n onderonsje kunnen bijpraten, want elke dag is ons gegeven, en de voorbije tijd kunnen we best in deze innigheid hulde brengen.