Ontdekken

Leeuw en Welp hadden plannen.
Ze zouden samen een lange tocht maken.
Niet om te jagen maar om meer van de wereld te ontdekken. Misschien bleven ze wel twee dagen weg.

‘Ik ken de grasvlakte, de rivier en het woud,’ zei Welp. ’s Nachts kan ik de sterren zien en de groeiende of slinkende maan. Ik denk dus dat ik alles ken wat er bestaat.’
Leeuw schudde zijn grote kop.
‘Ik ken enkele plekjes van de vlakte. Bij de rivier weet ik goede drinkplaatsen of plekken waar je je baden kunt. In het woud ken ik hier en daar een boom en enkele paadjes . In de nachtelijke hemel herken ik enkele van de miljoenen sterren, en de nachten van de volle maan kan ik voorspellen. Maar waar het water van de rivier naar toe stroomt, waarom er tijden van hitte zijn en tijden van eindeloze regenbuien, dat weet ik niet. Hoe diep het woud zou zijn en welke wereld er achter het woud ligt, weet ik ook al niet. Of er nu werkelijk zilveren leeuwen in de nachtelijke hemel wonen en waarom de sterren klimmen en dalen, is mij een raadsel. En zelfs als ik dat allemaal zou weten, zijn er nog duizenden vragen waarop ik geen antwoord weet. Waarom jij mijn allerliefste Welp bent, of wat er gebeurt na dit leven, waarom ik soms tranen in mijn ogen krijg als ik jou zie slapen, het zijn nog maar enkele van de vele vragen waarop ik niet kan antwoorden.’

‘Ik wist niet dat er zoveel bestond,’ zei Welp.
Ze liepen langs de rand van het woud.
In de verte zagen de besneeuwde toppen van de bergen.

‘Zullen we naar die heuveltjes met die toppen van wit zand rennen?’
‘Om bij die “heuveltjes” te komen, moeten we zeker tien dagen en tien nachten reizen. Wat jij “heuveltjes” noemt, zijn verschrikkelijk hoge bergen. Sommige zijn wel meer dan honderd apebroodbomen hoog. Wat jij wit zand noemt zijn bevroren waterkristallen, ook sneeuw genoemd. Ik weet het van mijn vriend, de Bergleeuw. Hij heeft het van zijn vader geleerd die het op zijn beurt van zijn voorouders te horen kreeg.’
‘Wat zullen wij op deze reis gaan ontdekken, Leeuw?’
‘Dat weet je nooit op voorhand, Welp. Als je dat al wist, moest je het niet meer ontdekken. ”Maar hoe kun je nu iets van de maan of de sterren te weten komen? Leeuwen hebben geen vleugels. We kunnen ze dus alleen maar zien van op de vlakte.’
‘Als je elke nacht naar de sterren kijkt, ken je na een tijdje de wegen die ze aan de hemel afleggen. Zo leer je ook de dagen van de volle maan en de dagen zonder maanlicht kennen. Maar of er nu zilveren Leeuwen wonen of de sterren wellicht gaatjes in het donkere hemelvel zijn, dat blijft een raadsel.’
‘Misschien zijn het grote bollen vuur. Omdat ze zo ver weg zijn zoals de besneeuwde bergen, denken wij dat ze zo klein als vuurvliegjes zijn.’
‘Best mogelijk, Welp. Daar had ik nog niet aan gedacht. Ik vermoed dat jij een verstandige Leeuw zult worden.’
‘Maar stel dat de sterren vuurbollen zijn, dan leven er dus geen zilveren leeuwen en zijn er ook geen kijkgaatjes in het hemelvel?’
‘Het een sluit het andere niet uit. In mijn gedachten kunnen die vuurbollen net zo goed zilveren leeuwen zijn, de plaats waar je na je leven hier terecht komt. Ook al zou dat niet echt zou zijn, het is een mooi verhaal.’
‘Mijn kijkgaatjes in het hemelvel vind ik ook wel mooi. ‘

Ze kwamen bij een plaats waar de rivier heel breed was.
‘Zelfs de slimste Leeuw zal nooit alles kunnen kennen, Welp Er is wat er is. Maar je kunt zelf ook nieuwe dingen maken, zoals verhalen bijvoorbeeld.’
‘Of vriendschap. Vriendschap bestaat alleen maar als je ze maakt.’

Ze keken naar de rivier.
‘Als we weer thuis zijn, kan ik mij deze plaats herinneren, Welp. Herinneringen kun je dus ook maken.’
‘Gelukkig maar, Leeuw. Als jij niet bij mij bent, kan ik me jou toch nog herinneren. Zonder herinneringen zou jij niet meer bestaan als ik alleen was.’
Leeuw knikte.
‘Dit is een echte ontdekkingsreis, Welp.’
‘Maar we hebben nog niets nieuws gezien, Leeuw!’
‘Ook wat je niet kunt zien bestaat, en moet ontdekt worden.’
Welp knikte nu ook.
‘Elke dag ontdek ik jou opnieuw, Leeuw. Telkens leer ik jou weer anders kennen.’
‘Ik ken een goede plaats om de rivier over te steken,’ zei Leeuw.

Ze luisterden naar het water.