le paradis, jamais perdu (5) (460)

274_41592638ab5a15ca3dfe7bb34b2fcbeb

Wandel je met mij mee door de nacht?

O Tod, wie bitter bist du, van Reger.

Een foto uit dezelfde serie.

Balançoire sur le chemin.

Van Tatié, zijn grootmoeder heeft hij schildersgerief gekregen toen hij veertien werd.
Zij denkt dat hij schilder zal worden.
Schilderen is als muziek schrijven of gedichten maken: je probeert een steeds grotere leegte in te kleuren (niet te vullen, dat is wel wat veel gevraagd.)
Je bedekt de wanden met kleuren zodat ze minstens niet zo hol meer weerklinken.

Ik denk steeds aan Scarlatti als ik avondkleuren zie.
Zijn sonates voor klavecimbel: elke melodie probeert de volgende met zijn binnenkant te ondersteunen.
Ze worden ruimte voor elkaar.

De schommel ligt op de weg.
Waar is de jongen die schommelde tussen zijn kinder- en jongenstijd?
Kijk goed, het is een schommelschuitje voor twee personen.


le paradis, jamais perdu (4) (459)

240_98a900e65e833a9ce377425e2c0f66ac

Een tweede stap.
Zet mooie pianomuziek op, het hoeft niet dadelijk Mozart te zijn, maar een melodie die druppelt, Chopin Nocturne opus 9 nr 1, met bijvoorbeeld Maurizio Pollini aan de piano.

Waarom?
Om voorzichtig te zijn want elke beeld, elk woord kun je toetakelen met ongeschoeide gedachten en pijlen uit het verkeerde hout.
De piano zal je helpen.

Dit is Pierre. Bernards broer.
Hij komt uit de serie Le temps d’ avant.
Bernard is al elf als Pierre geboren wordt.
Er groeit een grote innigheid tussen beide broers

“Je l’ai élu dès qu’il est né, je l’ai aimé passionnément.”


Le paradis, jamais perdu. (3) (458)

210_b420f4043c5cf31da49f402cd5c5a951

Waar de woorden ophouden beginnen de beelden, en voor de fotograaf verdwenen de beelden in de woorden.

De chroniqueur zal dus een poging doen om op mijn tocht beiden even te verenigen in een kuis huwelijk waarin zoals Faucon het zelf zegt( ‘l’ amour, c ‘est l’impossible’ ) deze combinatie vooral door mijn reisgezel zal gebeuren.

Le bouquet d’ Alexis.
Het is even vooruit gelopen, want voor hij met de geënsceneerde beelden begon, maakte hij nog een mooie reeks: Le temps d’ avant, een tijd die we gisteren al even ontdekten in beide betekenissen van het woord.

In beeld: twee ouderwetse jongensmannequins, plastic bloemen.
We zijn terug bij het uitgangspunt: the real thing en wat daarvoor moet doorgaan.

Daarom bekijk het beeld en straks komt het verhaaltje.
Laat het eerst even je gedachten marineren.


Le paradis, jamais perdu. (2) (457)

329_f7a1316d47164828fda0b868258a748a

Laten we nu zijn naam noemen: Bernard Faucon, fotograaf.
Vreemd genoeg zag ik zijn werk voor de eerste keer in Japan, maar het was net zo goed te bekijken in de States, in alle steden van Europa als deze maanden in diverse Parijse ruimtes.

Zijn eerste toestel, een Semflex krijgt hij van Tatié, de grootmoeder.
Later zal hij haar keuken portretteren.
La cuisine de Tatié en in 1980 zal hij er voor de eerste en enigste keer een natuurlijk decor gebruiken voor zijn intussen beroemd geworden foto’ s.

Nu zijn we nog in haar keuken.
Haar huis waar iedereen uit de verre omtrek welkom is, kent zijn vaste rituelen.
Men drinkt er thee, er wordt over vreemde zaken gebabbeld, en chacqu’ un a ses raisons!
Als hij er logeert, wordt hij er met muziek wakker gemaakt, de Suchard chocolade zal hem bijblijven, ook de heerlijke taartjes, haar vreemde invallen, maar tegelijkertijd haar angsten, en haar “pudeur”.

Naarmate hij ouder wordt, zal hij meer en meer op haar gaan gelijken.


Le Paradis, jamais perdu. (1) (456)

Op onze zoektocht naar kopie en werkelijkheid vertellen we nu een verhaal in verschillende afleveringen.

301_2bbfe427af45cb72dcc12e283d8d290b

Het begint in de vroege jaren 50 van de 20ste eeuw, Pinksteren 1954 om nauwkeurig te zijn.
De hoofdpersoon is dan bijna vier jaar en loopt mee als Lodewijk XIV in de stoet.
Een krant schrijft:

“Ce matin le petit Roi Soleil a adressé une prière à son père afin que le beau temps règne sur la fête.”

Op de bijgaande foto kijken we naar het betreffende kind
We zijn in de Provence, in Apt, sous-préfecture du Vaucluse, pays d’ artisans, de fruits et de lavande.
Hij is er op 12 september 1950 geboren.

“Je suis né à la maison, par crainte des confusions de bébé et des regards étrangers.”

Aan madame Appy, dokteres van de familie vraagt het kind een medicament tegen het groeien.
Hij vindt volwassen worden maar niets.

“J’ étais pur. je ne pouvais faire ou penser un geste de mal, un mouvement de colère ou de contestation.”

Enthousiast over het landleven probeert zijn familie de boerenstiel.
Ze verhuizen daarvoor naar Saint-Martian, aan de oever van de Lubéron.
Het wordt geen succes.
In 1961 openen ze in Sint-Martian een kindertehuis

Tatié, de grootmama langs moeders kant woont in het nabije Forcalquier.
Ze heeft een huis vol schilderijen en alle tijd om met iedereen die op bezoek komt te praten.
Hij is haar geliefd kleinkind.

In Saint-Martian is zijn leven in twee gesneden:

“A partir de ce moment-là, ma vie a été coupé en deux.
Il y avait la vie scolaire, l’ école où j’ étais en retrait, sauvage, presque un fou, et la vie l’ été à Saint-Martian où j’ étais leader des jeux.”
Thuis, bij de kinderen van het tehuis, is hij in zijn koninkrijk.
Hij zal er hulp-monitor en later monitor worden:

“J’ étais à la fois du côté des responsables et du côté des enfants.
J’ ai toujours aimé ce double état: être inventeur de jeux, meneur de jeux, et en même temps être parmi ceux qui jouent.”

Bij zijn grootouders in Apt voelt hij zich thuis maar eens de goede juffrouwen en onderwijzers van de dorpsschool wegvallen, wordt hij gepest en krijgt hij de bijnaam: La Joconde.


bij wijze van oefening (6) (455)

+709_3df9d6b62c2a170fa41a4a720a8a9213

In zijn essay “bolwerken van eenzaamheid” opgenomen in de bundel “de alledaagse onwerkelijkheid” (Bert Bakker, A’dam 1985) schrijft Umberto Eco erg grappige en revelerende zaken over de kopie, over de hyperrealiteit .
Op een trip door de States is hij op zoek naar de “the real thing”, een term overigens van Coca Cola, en naar het begrip “more” (denk aan een vervolg dat daar ‘more to come’ heet).

Meesters van de kopie treft hij aan, en zelfs van die kopie die de werkelijkheid overbodig maakt.
Venetiaanse paleizen en klassieke beeldhouwwerken, zeven versies van het laatste avondmaal van Da Vinci, het Movie land wax museum waar je een besneeuwde steppe betreedt op die plaats waar Lara en dokter Zhivago uit de arrenslede stapten en waar de temperatuur inderdaad onder nul wordt gehouden, het zijn maar enkele merkwaardige voorbeelden van onze drang om “the real thing” voor te stellen met alles erop of eraan.

“De reproductie wordt belangrijker dan het origineel.
De kopie van een Romeins beeld dat op zijn beurt al een kopie van een Griekse creatie was.
Het zegt natuurlijk iets van onze gulzigheid om het heden tot verleden te verteren.
De prehistorie klasseert immers de songs uit de jaren negentig al in dat verre verleden, en weldra zullen er uitzendingen mogelijk zijn waarin de voorbije dag wordt gereconstrueerd voor degenen die er op dat ogenblik niet bij konden zijn.

Het zegt natuurlijk ook iets van onze angsten om het heden te beleven.
Het nu, deze winternacht tussen 18 en 19 januari 2005 wordt door mij gebruikt om jou, beste reisgezel, dit bericht te sturen waarin ik een kopie van mijn werkelijke belevenissen in tekst tracht te verstrekken.
Ik vertraag met opzet de tijd om te kunnen nadenken over het verschijnsel kopie maar moet dat doen bij middel van kopies zowel op tekstueel als op picturaal gebied.
Daardoor echter kan ik je heel vlug bereiken en deelgenoot maken aan mijn gedachten en vragen.
Zoals de uitvinding van de drukkunst is het internet een niet te beschrijven mogelijkheid om ideeën, inhouden, bibliotheken in ieders hoofdbereik te brengen.

Het kopiëren van oude handschriften, het manueel verluchten van boeken, was een eerste stap om de schatten van de voorbije tijd te bewaren, over te leveren en als onderzoeksmateriaal te gebruiken.

Toen kwam de boekdrukkunst.
De machthebbers waren er niet mee opgezet, want door dit kanaal verspreidden de vrije gedachten zich, kwamen wetenschappelijke ontdekkingen en ‘ketterijen’ in handbereik van menigeen. (mooi woord: menig-een)

De mogelijkheden van de computer, inzonderheid het internet gaan nog veel verder.
Was de bibliotheek al een aansporing tot persoonlijke ontwikkeling, nu is er werkelijk geen uitvlucht meer om je aan de geestesverworvenheden van vroeger en nu te onttrekken.
En ook nu zijn de machthebbers er niet mee opgezet.

Net als in de 14de-15de eeuw het gedrukte woord als gevaarlijk werd voorgesteld, worden nu mythologische verdorvenheden aan het net toegedicht en uitvoerig belicht.

Don Quichot werd al verweten dat hij zwakzinnig was geworden door een te veel aan lectuur, terwijl de hedendaagse wijsvingertjes de ziel voor de donkere kanten van het net willen bewaren terwijl ze niks anders dan de macht willen behouden.
“The real thing” weet je wel, dat is wat je zoet houdt en niet wat je wakker maakt en tot denken en overdenken aanzet.

De spiegel.
Het ontdekken van jezelf.
Het spiegelen: wat rechts is wordt links en omgekeerd.

De relatie van spiegel en kopij is inniger dan wij wel vermoeden.
Willen onze genen overleven en zwerven wij tussen de geneugten en zogenaamde instinctieve gevaren van de menselijke reproductie, we zijn nog steeds meer Narcissus dan zelf-analyticus.

Het oude sprookje “spiegeltje, spiegeltje, wie is de mooiste van het land?” wil dat de kopie van ons armzalige zelf de utopie dient waarin verval en eindigheid onbestaande zijn.

De spiegel is Disneyland.
Het beeld van de utopische sprookjesstad die een kopie van een droom moet voorstellen.

In mijn schilderij zoekt de Nederlander Gerard ter Borch naar diezelfde spiegeling, goed wetend dat het portret in de weerkaatsing niet dat van Dorian Gray is, maar het gezicht waarin de tijd zijn tekens zet, iets wat op onze oorspronkelijkheid wijst want kopieën verouderen nooit.


bij wijze van oefening (5) (454)

Misschien dacht hij aan zijn eigen jongensjaren toen hij deze mezzotint maakte.
Wallerant Vaillant was immers leerling geweest bij de Antwerpenaar Erasmus Quilinus voor hij met zijn ouders in 1643 naar Amsterdam vertrok.

We zien hier een jongen die aandachtig een boek bestudeert in de nabijheid van plaasteren modellen en opgerold schilderdoek.
Ook merkwaardig is zijn laag stoeltje, waarschijnlijk gebruikt bij het modeltekenen.

De techniek waarin zijn tafereel is uitgewerkt heet de mezzotint.
Ik gebruik even de heldere omschrijving van het Rijksmuseum te Amsterdam:

“De mezzotint, ook wel ‘zwarte kunst’ genoemd, was omstreeks 1650 een nieuwe grafische techniek.
Bij de mezzotint wordt eerst de hele koperplaat geruwd met een zogenoemd wiegijzer, een instrument met een waaiervormige, gekartelde kop die rijen putjes en braam op de koperplaat achterlaat.
Op het ruwe oppervlak hecht de inkt. Om een voorstelling aan te brengen worden sommige delen van de geruwde plaat met een schraapijzer glad gemaakt.
Op die plekken pakt de inkt niet meer en ontstaan dus bij de afdruk de lichte partijen.
Door meer of minder te polijsten is het mogelijk om verschillende grijstonen, ofwel halftonen, te bereiken, vandaar de naam mezzo (half) tint.
De techniek maakt vloeiende overgangen mogelijk tussen de verschillende grijstonen. Daardoor maken de afdrukken een fluwelige indruk.”

Hij werd dus gebruikt bij het kopiëren van schilderijen of bij het maken van meer intieme portretten.

In de 19de eeuw werd de techniek ook druktechnisch toegepast.
Zo vind je in oude kunstboeken erg mooie prenten die volgens deze oude techniek zijn gedrukt.

Het waren pogingen tot het bereikbaar maken van de grote meesters.
Goede graveurs kenden de werken vanuit het schilderij zelf.
Zij maakten er een getrouwe kopij van maar moesten de kleuren vervangen door grijstinten.

En daarmee zijn we bij de kopie aangekomen, waarde reisgezel.
De mens leert door te kopiëren.
Nu gaat een vijfjarige naar een scanner en maakt van zijn tekening of een plaatje uit een boek een kopie.
Kleuters kennen het woord kopie, doe maar eens een navraag.

De jongen uit deze mezzotint bekijkt heel aandachtig het boek, waarschijnlijk de albums waarin de voorbeelden van Oude en Nieuwe meesters staan afgedrukt.
Het zijn de eerste reizen naar degenen die hem zijn voorgegaan.

Uit mijn jeugdjaren herinner ik mij het carbonpapier (calqueerpapier) en het kalkpapier, mogelijkheden om tekeningen te kopiëren.

Ik weet ook dat ik ooit een flesje met een tinnerachtige oplossing kreeg waarmee ik de kleurplaatjes uit een tijdschrift naar een ander blancoblad kon overbrengen.

In de tekenklas zocht je een reproductie of een voorbeeldtekening en die probeerde je met je eigen middelen naar je tekenblad over te brengen.

In de volgende jaren werd er laagdunkend over dat kopiëren gesproken.
Ik herinner mij dat men zelfs in Sint Lucas het absoluut niet meer nodig vond om een cursus anatomie te geven.
Je moest oorspronkelijk zijn.

Toen de Kleine Prins de rozentuin bezocht, was hij teleurgesteld.
Hij dacht dat de roos op zijn kleine planeet uniek was en nu stonden er hier zo’n duizend kopies van die schoonheid.

Alles in de menselijke genen schreeuwt om het kopiëren van de eigen genen naar de volgende generatie.

De jongen buigt zich over de albums.
De plaasteren cherubs wacht om in twee dimensies op papier te komen.

Zou dit universum ook weer een kopie zijn?
De Eerste Beweger als kopieerder, of heeft hij dat aan ons overgelaten omdat we te weinig goddelijk zijn om een oorspronkelijke schepping aan te kunnen?


kerstmis 1865 (453)

Eén maand voor zijn dood -zijn lieve Luise was al in 1857 gestorven- schreef Friedrich Rückert de tekst die ik je hierbij weergeef.

Het is één van zijn laatste teksten die pas na zijn sterven is gepubliceerd.
Hij leefde vrij terug getrokken, vereenzaamd vaak nog bezocht door zijn oudste dochter Marie en zijn schoonzus Alma.

Wat een toeval.
Alma Mahler en deze Alma aan wie de tekst is opgedragen.
Hij is niet te vertalen, maar met een beetje goede wil en de hulp van een woordenboek zul je hem ook in het Duits begrijpen.

141_5be719f303d206dbfbdff35d36807149

MEINER LIEBEN SCHWIEGERTOCHTER ALMA

(Weihnachten 1865)

Zeitungsbringerin,
Fliegenwedelschwingerin,
Fehllose Jägerin,
Treffliche Totschlägerin,
Liebe Beleberin,
Kleinmutes Heberin,
Sorgenabwenderin,
Trostredespenderin,
Leidens Abfragerin,
Besserungswahrsagerin,
Leisanschweberin,
Arzeneigeberin,
Stundenmahnerin,
Zeitvertreibsanbahnerin,
Temperaturspürerin,
Feuernachschürerin,
Witterungskünderin,
Lampendochtanzünderin,
Morgenbegrüßerin,
Abendrastversüßerin,
Nachtvorleserin,
Bücheramtsverweserin,
Allzeitunterhalterin,
Gesprächsstoffsentfalterin,
Wunschablauscherin,
Dienstrollentauscherin,
Allesbeschickerin,
Allesüberblickerin,
Allesbestreiterin,
Krankenkostbereiterin,
Festgabebedenkerin,
Weihnachtsentenschenkerin,
Engelverwenderin,
Enkelzuspruchsenderin,
Ordnerin, Schmückerin,
Kopfkissenrückerin,
Pfeifenkopfstopferin,
Flaschenpfropfentpfropferin,
Schlummerbecherfüllerin,
Kalter Knie Umhüllerin,
Nachtruhanwünscherin,
Wenn ich wachensmatt bin,
Heimlich schwach schachmatt bin,
Treue Mitträgerin
Mitpflegerin
Neben deiner Schwägerin,
Schwiegerkind, Söhnerin,
Versöhnerin, Beschönerin,
Unbelohnt Taglöhnerin,
Allzeit frohe Frönerin,
Liebliche Verwöhnerin:
Nimm dies Liebeszeichen hin,
Wie ich dir dankbar bin.

Hij sterft de 31ste januari 1866, 150 jaar geleden dus.

De foto van gisteren komt uit een archief en stelt Gustav Mahler voor met zijn twee dochtertjes, Maria (3 jaar) en Anna (1 jaar), genomen in 1905. Honderd jaar zijn sindsdien voorbij gegaan.

Bij deze tekst stuur ik je een tekening van Kate Kollowitz, moeder met haar dood kind.
Zij legt de band tussen al die eeuwen.

Vergissen we ons niet: de afwezigen zijn heel dichtbij.
De tijd is onbelangrijk.


een brief aan Gustav (452)

405_e2fe0f221b6e33de6be9ad3f96ef6d57

Zeer geliefde Gustav,
Ich bins, der Friedrich.
Mijn pa wilde dat ik zoals hem jurist werd, en wat doe je met vaders?
Je volgt hun raad op om diezelfde raad daarna met alle heftigheid in de wind te slagen.
De enig juiste plaats voor goede raad.

Ik zag het levenslicht zoals dat zo mooi heet op 16 mei in 1788, in een dorp bij Coburg.(Schweinfurt!)
En je kunt die pastoors verketteren en al dan niet vals beschuldigen maar het was dank zij de pastoor van Oberlauringen dat ik de liefde voor de taal meekreeg.

Net zeventien was ik, Friedrich Rückert, toen ik in Würzburg aan de jura studie begon, maar al vlug meer interesse kreeg voor filologie en mooie mythologische verhalen.

Ik moet jou niets vertellen over sterven want toen mijn jongste zus Marie geboren werd hadden mijn ouders al drie kleine meisjes aan diezelfde dood afgegeven.
Ik schreef voor Marie in 1813 “Fünf Märlein zum Einschlafen” nadat ik intussen naar Heidelberg was verhuisd om er bij Creuzer me in de filologie te verdiepen.

Vergeet mijn thesis (de ideae philologiae) waarin ik het Duits als taal voor vertalingen uit de wereldliteratuur en eigen literaire scheppingen voorstelde.
Tenslotte waren dat ideeën die ik voorbeeldig van de heren Goethe en Herder heb ontvreemd.

We waren volop bezig met het verzet tegen Napoleon, en ik met mijn arme gezondheid had als enige wapen de pen die ik in mijn “Geharnischte Sonette” in het vreemde jaar 1812 publiceerde.
Jeugdzonden!

Net zo goed schreef ik dat jaar voor mijn gestorven zestienjarige vriendin Agnes Müller “Agnes’ Totenfeier” om de 75 sonnetten niet te vergeten die ik aan Marie Elisabeth opdroeg, de dochter van de herbergier.
Jeugdzonden! Maar stukken sterker dan het wapengekletter hierboven!

(ik heb ook nog een aantal woorden aan de vermoorde Abe Lincoln gewidmet!)

Dank zij belangrijke lieden kwam ik bij de Cotta uitgeverij in Stuttgart terecht, en toen mijn vriendschap met Ludwig Ühland was afgekoeld trok ik in oud Duitse klederdracht door Zwitserland, en Italië.
Jeugdzonden!

In Rome sloot ik vriendschap met de graveur Carl Barth (hij zou zich later in 1853 van het kostbare leven benemen) en naast deze innemende mens waren er ook de “Oktaven” en “Ritornelle”, de zingende vormen waarin de Italianen hun taal dichten.

Wie langs Wenen terugreist, weet dat hem iets vreemds zal overkomen.
Ik leerde er de Oriëntalist Hammer kennen (in feite Joseph von Hammer-Purgstall!) en die maakte ook bij mij de liefde voor de Oosterse literatuur los.
Ik bestudeerde Hafis, de grote Perzische dichter waaruit Goethe al had geput in zijn West-östlichter Divan”, en ikzelf schreef “Östliche Rosen”.

En waarde Gustav, met mijn liefde voor de Oosterse talen was het in één klap gedaan met mijn succes als Duitse nationalist.
Jaja, ze roemden mijn vertalingen, maar waarom zou een Duitser zich met die verre talen bemoeien?

Tegelijkertijd vertaalde ik “der Ghaselen” naar Dschelaladdin Rumi.
Deze in 1273 overleden Islamitische mystieker werd als de geestelijke vader van de dansende derwisjen aanzien.

Terug naar Coburg waar ik in de winter van 1820 de tien jaar jongere dochter van mijn huisbaas, Luise Wiethaus-Fischer ontmoette en…met haar trouwde, Kerstmis 1821.
Zij zal de moeder van mijn tien kinderen worden, de liefde van mijn leven.

De gedichten die ik voor haar schreef zal ik tot 1844 bijhouden en ze dan publiceren in “Liebesfrühling”.

Daarna heb ik verder in het Arabisch bekwaamd en grote stukken van de Koran vertaald.
Het allermoeilijkste werd “Makamen des Hariri”, een van de mooiste werken in het Arabisch.
Men verbaasde zich over mijn getrouwheid aan de tekst en aan de Islamitische cultuur die ik ten zeerste ben blijven bewonderen.

Met al dat volk in huis moest ik echter wel prof worden om hen te onderhouden.
In Erlangen werd ik dus hoogleraar voor Orientalische Sprachen.
Ik leerde mezelf Sanskriet, en zag mezelf als “abgedankte Poet und notgedrungene Orientalist”.

In 1838 (in dat kleine land België is intussen een Coburger koning geworden) verzamelde ik mijn jongste werk in “Haus-und Jahreslieder”.

Maar het was ook een droevige tijd.
Mijn twee jongste kinderen stierven, Ernst vijf jaar, Luise drie.
In mijn verdriet schreef ik voor hen meer dan 400 Kindertotenlieder.
Ook Marie voor wie ik ooit “Fünf Märlein” schreef, sterft in 1835.

In 1836 verschijnt mijn didactisch hoofdwerk: “Weisheit des Brahmanen” weg van alle dogmatiek van het Würtembergische protestantisme.
De roep naar Berlijn werd steeds maar groter.

Een eenzame tijd.
Ik besloot geen gedichten meer te publiceren en me toe te leggen op de Oosterse talen.

Ik bespaar je de rest.
Ik ben je dankbaar Gustav dat jij na je crisisjaar 1900 enkele van mijn teksten met muziek hebt vertaald. Je Rückert-liederen, je Kindertotenlieder zullen mijn werk lang overleven.

Ich bin der Welt abhanden gekommen,
mir der ich sonst viele Zeit verdorben,
sie hat so lange nichts von mir vernommen,
sie mag wohl glauben, ich sei gestorben !

Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
ob sie mich für gestorben hält,
ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
denn wirklich bin ich gestorben der Welt.

Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
und ruh in einem stillen Gebiet.
Ich leb allein in meinem Himmel
in meinem Lieben, in meinem Lied.

Wie de Rückert liederen van Gustav Mahler wil beluisteren en bekijken kan dat deze maandagavond op het symbolische uur 23.55u
Nederland 3, NPS.
De mezzo Alice Coote vertolkt ze prachtig.
Het radio Filharmonisch Orkest staat onder de bezielde leiding van Ingo Metzmacher.

De tekst van het prachtigste lied dat ik ooit heb gehoord, staat hierboven afgedrukt.
Als alles zwart is, de winter te lang duurt, de ziel verdrinkt in Weltgetümmel, beluister dan dit lied telkens weer.

Wij zullen dicht bij elkaar zijn.


bij wijze van oefening (4) (451)

743_b709d9af4b752a62a092415fb2187fbb

Dat wij daar samen zouden wonen, Parijs,
met wandelingen en filosofische gesprekken in het Luxembourg,
of zoals je zelf zei, Venetië, waar elke beving
in het donkere water een kus of een vleugje engel was.

En de wereld lag aan onze jongensvoeten en wij
bestuurden de woorden naar de donkere zalen
waarin de bittere tranen van verlies en felle liefdessmaken
onze melk en honing waren, het manna in de woestijn.

Maar nu ik als oude man zelfs de weg verloor
in het winterse Luxembourg en Venetië overstroomde
met het brakke water van de verlaten lagune,
sterf ik de duizend doden zonder te sterven

“Quelle soleil hors de saison,
tire nostre destinée
des horreurs de la prison
qui la tenoit enchaisnée.”

(de laatse strofe komt uit de 16de eeuwse Je meurs sans mourir van Anthoine Boesset (1587-1643),  nummer 7: Quel Soleil, prachtig uitgevoerd door Le Poème Harmonique olv Vincent Dumestre, Alpha 057) Hierbij de hele plaat met booklet.

Klik om toegang te krijgen tot AJ0057.pdf

Quel soleil hors de saison
Tire nostre destinée
Des horreurs de la prison
Qui la tenoit enchaisnée :
Dieux ! quel miracle d’amour
Nous fait naistre un si beau jour.

Mortels, n’ayez plus d’orgueil
Toute la terre asservie
Est esclave du bel œil
Qui nous redonne la vie :
C’est ce miracle d’amour
Qui fait naistre un si beau jour.

De schilderijen van de laatste dagen waren van Henri Rousseau.(1844-1910)


bij wijze van oefening (3) (450)

602_ed46644d63a543a6e7879251800282e8

De dood van mijn leeuw was ook mijn eerste dood.
Of mijn vader leeuwentemmer was?
Dorpsonderwijzer komt aardig in de buurt van dit beroep.
Wat doet een leeuw in het gezelschap van een driejarig jongetje en een dorpsonderwijzer?
Wat leeuwen in de primitieve verbeelding moeten doen: de spoken verslinden, voor warmte zorgen en nu en dan diep grommen.

Het was dus slechts een speelgoed-leeuw?
Kinderen van net na de oorlog hadden geen knuffeldieren.
Een rijk decadentje kon van de Tommy’ s misschien een beer hebben gekregen, maar leeuwen verschenen pas veel later op het kinderlijk toneel.

Een denkbeeldige leeuw?
Kinderen van drie kennen het verschil niet tussen wat wij als zogenaamde volwassenen “echt” noemen en wat tot het rijk van “de fantasie” zou behoren.
Voor hen is alles echt, dus zeker de fantasie.
Dat is het drama.
Als ze boze dromen hebben, dan zijn dat geen dromen maar ware gebeurtenissen.
Zien ze de schaduwen van de kastanjelaar op de muur, dan zijn dat inderdaad grijparmen.
Veel later wordt de wereld ingedeeld en dan zijn er nog wezens voor wie die indeling niet opgaat.

Mijn leeuw leefde in het boek van de “gewijde geschiedenis”, de verhalen van het oude testament.
Daar had hij Daniel willen verslinden in de leeuwenkuil, maar de hoofdrolspeler van dat boek, een nogal onberekenbare god, had dat verhinderd.
Zo zag je de jongen lekker lui liggen tegen de flank van het gevaarlijke roofdier, een teken van de Almachtige zonder klinkers in zijn Naam.
De zuster had ons het verhaal meermaals verteld.
Wie in de juiste god gelooft, kan niets overkomen, zei ze.
En jullie zijn allemaal gedoopt, dus zouden de leeuwen jullie zeker sparen, net zoals Daniel.

Dat boek was voor ‘ de grote kinderen’ bedoeld, maar zoals ik later me weinig van “de zedelijke quotering” in de boeken van het Davidsfonds heb aangetrokken, was ik ook hier zo vrij om tijdens de lessen van mijn pa in het eerste leerjaar op zoek te gaan naar mijn leeuw.
Dat gebeurde op dagen dat om een of andere al dan niet pedagogische reden de kleuterschool (toen nog: de bewaarschool, de papklas) dicht was en ik dus bij mijn pa werd opgeborgen en een beetje verlegen tussen de voor mij reuzen van zes en zeven jaar zat.

Daar ontdekte ik mijn leeuw.
Ik smokkelde het boek mee naar huis en legde het onder mijn hoofdkussentje.
De leeuw wist wat hem te doen stond.
Hij verliet zijn gravure en kwam diep grommend naast mij liggen zodat ik, net zoals Daniel, mijn hoofd tegen zijn flank kon leggen.

Wij praatten nooit met elkaar.
Dat is een uitvinding van kleuterjuffen en flauwe auteurs.
Bijna vierjarigen en leeuwen hebben elkaar niets te zeggen. Zij begrijpen elkaar.

Hij was naamloos.
Diezelfde juffen of auteurs bedenken leeuwen met allerlei namen zoals ze hun katten en honden opzadelen met de meest belachelijke of kinderachtige menselijke namen.
Ik was een tweepoter voor hem.
Hij was mijn leeuw.

Sinds ik hem ‘s avond voorlees, is hij veel rustiger, zei mijn moeder.
Ze heeft nooit geweten dat ik lag te wachten tot ze zou ophouden met die vrij onnozele versjes en moralistische verhaaltjes.
Ik wilde gewoon bij mijn leeuw zijn, en hij bij mij.
Hij had de hele dag in de gewijde geschiedenis dienst gedaan en nu wilde hij zich nog eens lui uitstrekken in mijn bed en diep grommen.

Het gebeurde ook wel eens dat hij naast mij liep als ik met mijn grootvader door de velden wandelde.
Als hij te lang tussen de opschietende gerst bleef snuffelen, riep ik hem. Leeuw!
Mijn grootvader vond dat heel gewoon.
Hij stelde mij nooit vragen over hem en ik moest ook mijn leeuw niets uitleggen over de oude man.
Wij waren op de wereld.

Toen ik vijf was, vond mijn vader het boek onder mijn matrasje.
Dat was na een nacht waarin ik een ongelukje had gehad.
Ik werd bij hem geroepen.
Waarom ik dat boek had meegenomen?
Zo maar, zei ik.
Dat is stelen, zei mijn vader. Dat boek is van de school. En daarbij, je kunt niet eens lezen.

Die nacht verscheen mijn leeuw niet meer.
Hij zat opgesloten in het gewijde geschiedenis boek.

Een week later vertelde een missionaris over de gevaarlijke leeuwen die het op de negerkindertjes hadden gemunt.
Hij had persoonlijk zo’n leeuw neergeschoten, net voor hij zich te goed zou doen aan een kroostrijk zwart gezin.
‘Dat is gelogen!’ riep ik luid.
De bebaarde man schrok en werd rood.
God wil niet dat een leeuw gedoopte kinderen opeet.
De missionaris herpakte zich en met een pedagogische glimlach op zijn sinterklaasgezicht vroeg hij mij waar ik zoiets vandaan haalde.
Ik vertelde hem het verhaal van Daniel in de leeuwenkuil.
De man knikte goedkeurend.
Dat is heel slim van jou, zei hij. Maar dit zwarte gezin was nog niet gedoopt, dus…

Het werd heel stil in de klas.
De leeuw was misschien wel een duivel die het op hun zieltjes had gemunt, beste jongen.

Pas veel later, toen ik al een jongen van dertien was, werd het mij duidelijk toen ik een lange priester in het avondgebed hoorde zeggen:
…want de duivel loopt rond als een briesende leeuw, zoekend wie te verslinden.

Hoe kon ik de wereld uitleggen dat mijn leeuw, de leeuw van Daniel was, de mooiste jongen van de kleuterklas?


bij wijze van oefening (2) (449)

 

868_e87f9c659b63cf2a9e7affea3b9f592a

Niet dat hij nu dadelijk aan de touwtjes mocht trekken.
Zelfs de touwtjes losknippen was geen optie.
Zijn grootvader vertelde dat elke mens naarmate hij ouder werd ook aan allerlei touwtjes ging hangen.
Je werd als baby geboren en je ging als marionet het graf in.

Misschien was dat gevoel van die touwtjes-toename gewoon een ander woord voor sterven.
Je hing vast aan het leven.
Je zat vast.
Vaster en vaster tot je als een onbeweeglijke Pierrot werd afgelegd en in de aarde verdween of door het vuur werd verteerd.

Er waren er die geloofden dat bij zo’n gebeuren de touwtjes zouden knappen.
Je werd bevrijd.
Het eeuwige leven en al dat hemels fraais.

Toen hij aan zijn grootvader vroeg waar die touwtjes dan vandaan kwamen, glimlachte hij.
Ze keken over de aardappelvelden.
Weldra brak de rooitijd aan en was de lucht met verbrand loof en nieuwe schoolboeken vervuld.

Ze knippen je los van je moeder, zei hij, maar dat is maar schijn, want je blijft er voor je hele leven aan vasthaken.
Een paard vergeet zijn stal nooit.

Dat was een beetje onduidelijk voor een jongetje van zeven, maar ik begon te begrijpen dat menselijke relaties zoals dat later zo mooi heette, iets met die touwtjes te maken hadden.

En dan is er de toekomst.
Je vrienden en vriendinnen, de vrouwen, je eigen kinderen, je beroep, het huis dat je hebt gebouwd, de zoveelste auto, de job, de baas, het lijf met zijn bokkensprongen -ziekte en gezondheid dus, enfin, hoe ouder je wordt hoe meer je wordt vastgemaakt.

Of dat bij hem ook zo was?
Ja, dat was zo. En soms kon veel bier en jenever je de illusie geven dat die touwen niet bestonden, maar de volgende morgen snoerden ze als stalen banden rond je katerkop.

We hoorden de aardappelen groeien, zo stil was het.
De kunst is met je eigen zot te kunnen leven, zei hij.
Ik wist niet wie hij daarmee bedoelde.
Het zou vast de marionet zijn die in mijn slaapkamer aan de kapstok hing.

Ik heb twee dagen later stevig onder mijn voeten gekregen omdat ik de touwtjes van mijn Pierrot had doorgeknipt.
Een beetje respect voor een antiek stuk was wel het minste wat ze van mij konden verwachten.

Ik verzeker je dat ik hem ‘s nachts heb horen lopen, dat antiek stuk.
De volgende dag was hij verdwenen.

Heb ik zijn plaats ingenomen?


een tussenstap (448)

Ze stonden er wel even bij te kijken bij dat grafmonument voor admiraal Chabot, graaf van Brion
Nooit gezien in het Frankrijk van de 16de eeuw.
De overledene lijkt wel bij een picknick aan te liggen.
Deze Philippe Chabot was een jeugdvriend van Frans I, samen met hem opgevoed en met hem tijdens een veldtocht in Italië gevangen genomen.
Later keerde hij naar Frankrijk terug, mengde zich daar in allerlei hofintriges en viel bij zijn vroegere vriend in ongenade.
Maar door toedoen van de maîtresse des Konings kwam hij weer vrij, legde vrij vlug daarna het klassieke loodje (1543) en kreeg door toedoen van beeldhouwer Jean Cousin dit grafmonument.

Vergis je niet, hij ligt er rustig bij maar de admiraal is wel in oorlogstenu.
Dit beeld was op zwart marmer geplaatst, vergezeld van een liggende vrouwe Fortuna die hem blijkbaar niet altijd goed gezind was.
Een ander rechtopstaande figuur draagt een omgekeerde gedoofde toorts, teken van het verdwenen leven.

De pathetiek van de dood is hier met Franse slag opgelost: de overledene rust letterlijk en figuurlijk, en telkens als ik dit beeld bekijk , verzoen ik mij met het tijdelijke.

Kijk, hij heeft het admiraalsfluitje in zijn linkerhand, draagt de orde van Saint Michel, en zo ligt hij op zijn helm met daarbij zijn stoere handschoenen.
De leeuw aan zijn voeten, een teken van moed en trouw kijkt hem een beetje gnuivend aan.

Geen treurende engelen, geen tranen, maar een poging tot vermenselijking van de afgestorvene.
Een man van alle tijden, dus ook van de tijdloosheid.

Nu kan ik weer verder met mijn trage monoloog.


bij wijze van oefening (1) (447)

154_7caebf763200e8a8373cb996e1139e98

Het is wel gemakkelijk als je al eens gestorven bent.
Kom niet af met fysische grenzen of hersendood, of tunnels met dat zalige witte licht aan het uiteinde.
Ik bedoel gewoon: het is wel gemakkelijker als je al eens gestorven bent, als je al eens dood bent gegaan om dat weer te moeten doen.

Zie je de nuances: het weer te moeten doen.
Voor de tragen van geest: ‘weer’ duidt op een herhaling, al is filosofisch een herhaling steeds een andere keer. Bon.
Moeten, dat is dus niet uit vrije wil. Je wordt gedwongen.
Samengevat: een herhaling onder dwang, en die herhaling betreft het subject sterven.
Dat is bijna een letterlijke vertaling van een Japanse constructie.
Telkens als je weer eens moet, zijn talen immers geen belemmering, je spreekt ze zonder te weten hoe ze in elkaar zitten en je gebruikt de woorden zoals een kind kraait als het tevreden is of honger heeft.

De meesten onder ons denken dat het maar één keer moet.
Dat het moet weten ze zeker, maar het is een troost te weten dat het net zoals geboren worden een uniek feit is en dus niet valt onder de noemer zinloze herhalingen.

Ik moet deze denkers teleurstellen.
Wees gerust, ik begin niet over reïncarnatie, noch minder over opstanding en het eeuwige leven, en zeker niet over de laatste dag waarop de hele reutemeteut voor de hemelse rechter verschijnt, in levende lijve.
Ik zag de film en ik wist het: het moet weer eens gebeuren.
Het is gewoon bij iedereen anders.
Sommigen doen het één keer, geboren worden en sterven, en dat op een manier die ofwel in ’t geheel niet opmerkelijk is of juist wel erg veel opzien baart.
Anderen beseffen dat het al eens gebeurd is en hebben het vooral moeilijk met de tweede keer, maar daarna went het.
Je spreekt er niet over want degenen die dat doen komen in zo’n huis van geestelijke bewaring terecht of worden geestelijk leider of zelfmoord-terrorist.

Het zal wel oneerbiedig zijn om Sharon te laten ontwaken als Palestijn, maar het is een mogelijkheid.
Alleen gebeurt het niet zoals jij je dat voorstelt, maar zelfs na drie hersenoperaties is het wellicht al gebeurd en zwerft hij als jongetje of meisje rond in een of ander kamp waarin hij van zijn vader of oom te horen krijgt wat Chatilla wil zeggen.

Neen, ik wil je niet laten schrikken.
Jullie bezweren mij altijd dat ook deze dood wel zal voorbijgaan, dat ik het moet zien als loutering of oosters geduldig mens, dat ik tenslotte daar zelf een aandeel in heb gehad, dat ik …en zo kan ik nog uren doorgaan, maar ik moet jullie zeggen dat jullie er niets van begrijpen omdat je wellicht nog niet dood bent geweest.
Ik wel.
Niet alleen ben ik al de doden van mijn voorouders gestorven, en dat worden er maar steeds meer, maar ikzelf herinner mij levendig het banale van mijn vorige stervensprocessen.
Heel verheven kan ik er ook niet over doen.
De stank van een vluchtelingenkamp of een andere gevangenis, of een leven in een gekluisterd lichaam, in een zotte ziel of als dorpsonderwijzer, vissersvrouw of bediende, wandelende Jood of knechtje van de emir, als grootvizier of kleinkind, het zijn allemaal banale sterfgevallen als je ze meemaakt, maar ze doen wel eens pijn.

Ik bedoel niet het snakken naar adem of de zware druk op je borstkas en ook niet je hoofd dat ontploft of je aders die gaan lekken, dat is allemaal heel begrijpelijk.
Ook niet de banaliteit van de omgeving, want sterven gebeurt altijd in banale omgevingen zoals daar zijn een bed van een ander, een te kleine ruimte, een binnenplaats of een autostrade, maar ik heb het over de pijn van degenen die je toch missen.

Maak je ook hierover geen illusies.
Misschien, en dan mag je al blij zijn, zijn het er twee of drie, en luxueus maar nog pijnlijker is vijf, maar zelfs ééntje is al genoeg om de scherpe pijn te voelen die je in zijn/haar leven aanricht door te moeten weggaan.
Alleen al daarom moet je niet te vlug geboren worden of te veel sterven.
Je hebt je verbonden gevoeld met een andere heelal en je weet dat je verdwijnen hoe dan ook een holte achterlaat, en elke holte heeft zijn tijd nodig om weer gevuld te worden.

Vrienden verraden je waar je bijstaat, dat is bekend en ik heb dat waarschijnlijk ook al gedaan, en de grote liefdes betekenen in het licht van je zoveelste dood vaak niet meer dan een verwarren van het uiterlijke met de totale lege en banale inhoud, dat overprojecteren van ons en de anderen dat wij dan camoufleren onder die gekke naam liefde.

Een engel komt langs, dat wel.
Dat is een troost voor degenen die vaak sterven.
Zij zien de engel die langs komt.
Hij laat nog gesloten lelies achter die de week daarop openbloeien zodat je weet dat zelfs het tevergeefse zijn schoonheid prijsgeeft.
Engelen moet je koesteren.

Het is als zwemmen, zeggen ze, of fietsrijden, je verleert het nooit.
Maar ik kan niet zwemmen en fietsrijden is niet mijn sterkste kant.
Ik wil ook geen medelijden opwekken want in dat verwisselen van onze eenzaamheid zijn we gelijk, zij het niet gelijkmoedig.
En let op, zij die het meermaals moeten, hebben daar geen enkele verdienste aan.
Het gebeurt met hen.
Ze zeggen wel dat er niemand terugkeert, maar dat is een leugen.
Wie vele doden sterft, keert gewoon terug in het leven dat hij mag of moet leiden al wordt het telkens zoals de lont van een kaars of kruitvat, een beetje korter, en om dan uiteindelijk met een knal voorgoed in het heelal op te lossen, maar dat is de big bang die zich elke seconde herhaalt en zal blijven herhalen; het zijn de doden voor dat moment waarover ik het heb.

Ik beloof je één ding.
Ik zal al het mededogen hebben dat me nog overblijft om de dagen die me resten in te vullen met stilte.
Met Kunst en Cultuur?
Dat is voor degenen die op de vlucht zijn voor de dood.
Wie haar heeft gezien en meegemaakt weet dat hij naar de stilte tracht, dat hij in het suizen van gods oor huist tot hij onder zijn hamer en aambeeld komt om eindelijk van vlees weer woord te worden.
Oplossen is zo’n woord, of toevlucht.

Zie je, het is een begin.
Ik zeg wel meer dingen als ik bang ben.
Zoals een kind dat in het donker fluit.
Of het jongetje dat op de hoogste duikplank staat en weet dat er geen terugweg is.

Niet alleen een kat heeft negen levens.
Maar of dat nu een troost is, daaraan durf ik op dit ogenblik wel even twijfelen.
Dat gaat voorbij.
Ik ben zo naïief om dat te blijven geloven.

(fragment uit een monoloog met vervolg)


De foto komt uit de prachtige Hongaarse film “Fateless” die nu in de States in premiere is gegaan.
Hij is een gezond tegengewicht voor de kitscherige boel van La Vita es bella


La Russe (4D) (446D)

515_32fdb91b5e6cc98ffaba77f6c45700c9

Dit mooie portret van een meisje onder haar paraplu is een van mijn lievelingsportretten.
Beschermd voor het ontij, maar net zo kwetsbaar als wij allen kijkt het meisje ons aan.

“TOUT CE QUE J’ECRIRAI NE DIRA JAMAIS CE QUE JE SENS”

En daarmee is wat mij betreft, alles gezegd.