uit Ida’ s reiscarnet (15) (423)

329_a0be08bf0138c15a09463cb1ea210643

KWADE DAGEN

Ga niet naar anderen als dàt leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee ge het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.

Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hun onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niet gezeggen laat.

Zoek het bij een goed vriend, u toegewijd,
— een die u niets verwijt, niets vraagt,
niets raadt, maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, beter op gaat..

Ida Gerhardt


uit Hans’ reiscarnet (14) (422)

296_1b754a98a36035d51317c65853992972

Je hebt me alleen gelaten… (Hans Lodeizen)

je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je allang vergeven

want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
dwaalde, zag ik je silhouet in het glas
van een badkamer

en gisteren hoorde ik je in het bos lachen
zie je, ik weet dat je er nog bent

laatst reed je me voorbij met vier
andere mensen in een oude auto
en ofschoon jij de enige was die
niet omkeek, wist ik toch dat jij
de enige was die mij herkende de enige die

zonder mij niet kan leven

en ik heb geglimlacht

ik was zeker dat je me niet verlaten zou
morgen misschien zul je terugkomen
of anders overmorgen of wie weet wel nooit

maar je kunt me niet verlaten


uit het reiscarnet(13b)

652_0fab271e4c6fffafe30c7b8aa68acdda

Nog een mooi detail.
Zo’n tien jaar later ontwierp Artus Quellinus, de beeldhouwer, een aantal fonteinen voor de binnenplaats van het Amsterdamse stadhuis.
Deze fonteinen zouden een koperen bekroning krijgen, in de vorm van een beeldhouwwerk.
Een van die ontwerpen was ditzelfde thema
Om “onbekende” redenen zijn die fonteinen nooit geplaatst


uit het reiscarnet (13) (421)

649_9a1d71028a886b570948893ae27f73ff


Je vader de borst geven.

Het is geen vinding van een donkere dichter, een loslopende pervert, maar een schilderij van Pieter Paul Rubens.

De oude vader zit op zijn terechtstelling te wachten en krijgt niets te eten.
Zijn dochter die net een kindje heeft gekregen bezoekt hem in de gevangenis en geeft hem te drinken met wat voorradig is.
Dat is het relaas van Cimon en Pero.

Op de achtergrond gluren de soldaten.
Onze bewakers zijn goed in gluren.
In feite teren de journaals en de kranten op dit gluren dat diep in ons zit verborgen.
Wij zijn nieuwsgierig, zeggen we, maar we willen gluren, we willen met enig sadisme vernemen wat de anderen overkomen is om zo onze opluchting over onze eigen staat van genade(?) te kunnen bevestigen.
Hoe meer “slechtere” mensen er zijn, hoe beter wij onszelf voelen.

Het is een heel groot schilderij, zo’n 155cm x 190cm zodat de figuren levensecht zijn.
We hebben moeite om ze naar de proportie van een prent te verdringen, ze naar het rijk der fabelen te verwijzen, ze zijn net zo groot als wijzelf en de details verwijzen naar een bijna ervaren gebeurtenis.

Kijk hoe de geboeide oude man is uitgewerkt: zijn oude lichaam is werklijk oud, zijn slappe vel en spieren maken zijn ouderdom duidelijk.
Hij zit ongemakkelijk, maar als de dood je wacht en je bent uitgehongerd dan wil je hoe dan ook eten en drinken. En die drang doet alle schaamte verdwijnen.

Zijn werkelijk Rubensiaanse dochter kijkt weg.
Tenslotte hoort het niet je oude vader de borst te geven.
Ze is gegeneerd maar tegelijkertijd overwint de liefde elke gêne, maar kijken kan ze niet.

Het is duidelijk dat de dood onze zeden en gewoonten in vraag stelt.
Bij een vermeend einde van de wereld geven mensen zich over aan braspartijen en geweld.
De dood lost de terughoudendheid die wij of anderen ons hebben opgelegd op.
Moralisten en rechters oordelen alsof wij nog drie- tot vijfhonderd jaar voor de boeg hebben.
Wellicht is het lijden en de dood de meester van het verwaarloosde kind dat mededogen heet.

In mijn woestijn zocht ik dus niet naar Ant. de St. Exupéry’ s kleine prins, maar de schamele die het leed zelf al gedragen heeft en die vanuit die ervaringen niemand wil wreken of nekken maar een diep mededogen voor de medemens toont, dat ouderwetse maar mooie woord.

Hij lost het kwaad of het verdriet niet op, maar toont er begrip voor, zoals die Palestijn die tegen de overspelige vrouw zei nadat haar stenigers waren afgedropen (te beginnen met de oudste): heeft er iemand U veroordeeld? Ga dus en probeer voortaan niet meer te zondigen.

In een tijd van oog om oog en tand om tand (de heer Schwarzenegger gaf daar vorige nacht ook nog maar eens een staaltje van door een doodvonnis te bekrachtigen) klinkt zo’n uitspraak erg revolutionair.
Ga. Je bent vrij. Ik heb je niet te veroordelen want ik weet wat het is een mens te zijn.

In deze donkere kerker vermomt als Romeins verhaal zet zij al die regels en zeden weg.
Haar geketende vader die weldra moet sterven heeft honger.
Er is geen spot op de gezichten van de soldaten achter de tralies.
Ze zijn verbaasd, ze vinden het hoogst ongewoon.
De rechtse kijkt naar de dochter met een zekere vertedering.

Het oude lichaam steekt schril af tegen de mooie rode mantel van de dochter, maar ze baden beiden in het licht.
Het licht komt van nergens, er is geen natuurlijke bron aangegeven.
Het is licht van een ultieme liefde, een grensoverschrijdende daad, de poging om een mens te zijn in de woestijn, want zo kun je een gevangenis ook noemen.


uit het reiscarnet (12) (420)

640_ee6c05e8e75cb3553b834c0520837b03

De tegenspraak.
Niet de dialoog, maar de tegen-spraak: verwerpen wat de anderen zeggen, volgens sommigen een overblijfsel uit niet verwerkte jeugdtrauma’ s, volgens anderen een noodzakelijk iets om vooruit te komen.

Sprak ik gisteren over het gemurmel, het geneuzel en gebabbel, de trage woordenstroom van doordenkers of de mitrailleur van scherpschieters -ik zeg bewust niet “scherpschutters- de eeuwige gebeden van de godzoekenden, de vloeken van de de anders-godzoekenden, de ontvleesde taal van vonnissen en notarisakten, vandaag voer ik bij het palet van Pieter Franszoon de Grebber (1600-1652(4)) de tegenspraak in.

Je zult maar in de schaduw van Rembrandt leven, het zal je maar overkomen dat je vader met Rubens op stap was als zijn agent bij de Engelse ambassadeur, Sir Dudley Carleton, en tenslotte ben je dan nog afkomstig uit Haarlem (vraag het aan Godfried Bomans) en je leeft in de woelige tijd van beginnende zeventiende eeuw, later de gouden genoemd, maar bij leven en werken een tijd van dispuut en handgemeen zeker als het over godsdienst gaat, en waar het ging in die tijd anders over?

Zijn vader met dezelfde naam borstelde militaire portretten en historische taferelen en in 1618 zijn vader en zoon in Antwerpen waar ze Rubens hebben ontmoet en de jongeman terdege onder de indruk kwam van ‘s meesters stijl en kleurenpalet.

Terug in Haarlem studeert hij met Hendrick Goltzius, ook een stadsgenoot.
Mijn andere zegt: veel tegenspraak heb ik nog niet gezien.
Waarde zielsgenoot in mijn woestijn, je moet eerst de spraak ontwikkelen om tegen te spreken.
Ik heb dus het kader geschetst, en kom dan bij een serie portretten van katholieke priesters, nonnen en begijnen uit.
Deze man kocht als 32 jarige zelfs een huis in het Haarlemse begijnhof, zodat het te begrijpen was dat er menig altaarstuk en kerkdecoratie van zijn hand de katholieke ruimtes vulden, en dat tot diep in Vlaanderen toe.

Wordt dan ook nog deken van het Haarlemse St. Lucas-gild en krijgt van allerlei grote protestantse broeders loftuitingen en eretitels en mag zelfs door toedoen van Amalia Solms de Oranjezaal in Huis ten Bosch in den Haag voor zijn rekening nemen.
Dat hij ook poëzie en muziek bedreef is een aardige aanvulling.
(hij publiceert later de 11 regels van zijn kunst)

In dit schilderij trof mij weer eens de manier van “boodschappen”.
De mevrouw die net gebaad heeft of daarmee volop bezig is (kijk naar het joch met zijn beentjes in het water) leest een brief terwijl haar dienares naar buiten wijst en twee andere dienaren toekijken, klaar om haar vlug om te kleden.

Het kind houdt de lezende een spiegel voor, maar haar hele aandacht gaat naar de inhoud van de brief .
Een spannend verhaal kan het worden.
Wijst de uitgestoken arm naar de afzender, of is die op komst?
Heeft het toilet van deze schone uitstaan met een nabije gebeurtenis?
Weet de dienares meer dan ze laat vermoeden?

En ook hier relativeert de jongste van het gezelschap de situatie door lichtelijk glimlachend naar de toeschouwer te kijken, wijs voor haar /zijn leeftijd, een klein zuchtje wordt hoorbaar, zoiets als: daar gaan we weer…

Het is voor een Nederlander uit de vroege zeventiende eeuw een erg ongewoon tafereel, zinnelijk, spottend, en vol mysteries.
Voor iemand die de kost verdiende met portretten van katholieke geestelijken verwijst het met een knipoog naar een oud testamentisch verhaal (de winkel moet draaien) maar het is duidelijk een gebeuren uit des schilders tijd.

Dat een katholiek schilder zo ver in de Hollandse nobilitas en burgerij kon doordringen was ook al erg ongewoon.
Misschien was het juist die Brabantse kentrek, dat heldere palet en zijn oog voor het menselijk mooie dat de strenge protestantse nobelen vertederde, iets wat zich later in de geschiedenis van dit Lage Land nog zal herhalen.

Maar waarom we dan niet meer van Pieter Franszoon de Grebber hoorden, tja dat heeft met die nabije Rembrandt en net gepasseerde Rubens te maken.

In de stilte van zijn begijnenhuis was hij bekend met wat de mensen zoal aangaat.
Wie helder spreekt, mag veel zeggen.
Zelfs tegenspreken.


uit het reiscarnet (11) (419)

690_6bacc2000bccf71ff0225be7571f94a2

Meneer zei ik tegen mezelf -hallucineren of verdubbelen van personage is niets ongewoon in de woestijn-, meneer, wij zijn allemaal doof.

Hij, die andere ik dus, moest het inderdaad tot tweemaal toe herhalen, want blijkbaar klopte zijn bewering: wij zijn doof.

Ik citeer Michel Foucault:
“…De goden brengen rampspoed over de stervelingen opdat zij erover vertellen; maar de stervelingen vertellen erover om te verhinderen dat deze rampspoed ooit in vervulling gaat, zodat de verwezenlijking ervan in de ver verwijderde woorden wordt afgewend, daar waar ze tenslotte hun einde zullen vinden, ook al willen ze zwijgen.”
Essays over literatuur, spreken tot in het oneindige, Sun, Nijmegen, 1986.

Ziet U niet dadelijk het verband?
Is U nog blind ook?

Waarom de woorden gebruiken als ze willen zwijgen?
Om de rampspoed af te wenden.
Maar hij is niet af te wenden.
Juist, maar we kunnen denken van wel, vandaar de woorden, en wie weet, kunnen we, al was het maar één seconde de loop van de kogel stoppen, ons leven verlengen met nog een verhaal te vertellen in de duizend en één nachten die ons gegeven zijn.
Vandaar al die woorden.
En onze doofheid, want we horen alleen ONS verhaal, meneer. Beter nog: MIJN verhaal.
Ik ben de verteller en de dove luisteraar, dus vertel ik het eindeloos opnieuw met de hoop dat de stoppen uit mijn oren woordje na woordje losweken en ik flardje na flardje iets begin te snappen van mijne eigen verhaal, en pas daarna kan ik het verhaal verder vertellen.

Nooit dus.

Mijn andere draaide zich om, met de beweging die mensen maken die naar het schavot lopen: we bewegen ons voort, we klimmen de trappen op, en kennen het vervolg.
Maar daar heb je het verhaal: de pijl, de cavalerie, de ultieme bekentenis van de andere partij, kortom: ik val mijn geliefden in de armen terwijl het woordje “einde” het scherm vult en de strop lichtjes leeg beweegt in de avondbries.

Nooit dus.

Terug naar een prentje.

Gerard de Lairesse, Luikenaar van geboorte en Amsterdammer bij verscheiden, het ene A.D. 1640 en het andere A.D. 1711, weer zo iemand die over twee eeuwen gebogen ligt, decorateur, bekwaam gravure-snijder, verfranser van de Hollandse kunst (een mens moet in leven blijven meneer) en dramatisch genoeg wordt hij in 1690 blind zodat hij de verdere 20 jaar van zijn leven zich met de theorie moet bezighouden en daarover merkwaardige boeken nalaat.

Hier zien we de al afwezige Odysseus zich langzaam losmaken van de bevallige waternimf Calypso, dochter van Atlas, bewoonster van het donkere en depressieve Ogygia eiland waar haar schone zwerver zeven jaar verbleef.
Maar er wachten hem nog avonturen en een vrouw thuis dus komt Mercurius de mooie nimf in het oor fluisteren dat het nu welletjes is geweest en verliefd of niet, de held moet weer op stap.

Het merkwaardige aan het doek is de kleine cupido die zich in de wapenuitrusting van de held heeft getooid en meteen het hele droevige tafereel onderuit haalt met zijn grappige verkleedpartij en daarmee op zijn manier aanduidt dat het nu welletjes is geweest en er later vertellers zijn die de tochten van Odysseus niet bij deze schone willen laten eindigen.

Er zal dus een vervolg komen. A suivre. Wordt voortgezet.

Dat vervolg lezen we in de Odysseia, en zelfs na dat verhaal zijn er weer verhalen verteld, en zelfs in de tijd daarvoor was het gemurmel van stemmen te horen, en dat bleef zo maar doorgaan tot we op de dag van vandaag deze tekst zitten te lezen waarin een ontdubbelde woestijnbewoner zijn doofheid probeert goed te praten door al dat wereldlawaai dat de geschiedenis overstijgt en telkens de dood te slim af is met de vraag “toe, nog een verhaaltje”, en als we dan denken uitverteld te zijn begint over ons ontzielde lichaam weer iemand te vertellen want de rampspoed blijft al die jaren ons achtervolgen en zo te zien zijn we nog ver van dat Beloofde Land en zullen we het dus met verdere verzinsels moeten doen, ingedeeld in spreuken, grollen en grappen, histoires vecues, oom wim vertelt, en ga zo maar door.

Meneer, u gaat toch niet beweren dat al dat gemurmel jouw oren heeft verstopt?
U is werkelijk heel doof. Ik denk dat we te weinig deelnemen aan de woordenrivier die onophoudelijk de raderen van onze tijdelijke watermolens in beweging zet (als we geluk hebben)

Kijk naar het prentje.
Het verhaal is ons allen bekend, al duizend jaar en meer.
De mooie borsten hebben we we eveneens al veel gezien al blijkt onze honger niet te stillen en ook dat is niet helemaal ongezond, terwijl de blik van de held reeds buiten het schilderij is, hij heeft het na zeven jaar ook bekeken en Mercurius zal er eens spoed achter zetten.

Al die boodschappen vormen de basis van het werk: Calypso met haar voorbije liefde en toekomstig verdriet (ook een nimf heeft haar gevoelens), de held die naar een reden zoekt om verder te trekken, en Mercurius die zijn bode-rol vervult.
De enige niet-boodschapper, de meest menselijke is de kleine cupido die het hele tafereeltje in het menselijke perspectief trekt: ‘t is in feite alleen maar om te lachen, dit gedoe, al deze stoere en verhitte verhalen.

De kleine god weet nu al dat de held bij het volgende eiland weer uit de liefdesbocht zal gaan, en hoe verheven ook, het is geen fraai gezicht al dat gehijg, daar zijn we van overtuigd, maar…
Het verhaal moet verder verteld worden.
Ik hoop dus maar dat je intussen ontstopt genoeg bent om een zekere harmonie in dat al dat gebeuzel en geneuzel te ontdekken want, meneer, ook jouw verhaal stroomt verder met de rest.


uit het reiscarnet (10) (418)

266_f890b2be939c847e648408f21e8798d9

Ik neem je even mee terug naar de broer van Henri James, William. (denk aan het boek: L’ orgasme et l’ Occident” dat we citeerden in de bijdrage van 12 november)
Hij zette, einde 19de, begin 20ste eeuw de ERVARING centraal.
Zijn filosofisch stelsel dat nu weer aan belangstelling wint, noemen we het pragmatisme.

Ik citeer de synthese uit “de dansende Woe-Li meesters”, van Gary Zukav, 7de druk, Bert Bakker, A’dam 1987

“De filosofie van het pragmatisme werkt ongeveer als volgt.
De geest is dusdanig ingesteld dat hij uitsluitend met ideeën werkt.
Voor de geest is het onmogelijk om verbanden te leggen tussen iets anders dan ideeën.
Het is daarom onjuist om te denken dat de geest werkelijk kan nadenken over de werkelijkheid.
Het enige waar de geest kan over nadenken is over zijn “ideeën” van de werkelijkheid.
(Of dat nu wel of niet is wat de werkelijkheid eigenlijk is, is een metafysisch probleem.)

Daarom is de vraag of iets al dan niet waar is, geen kwestie van hoe dicht het overeenkomt met de absolute waarheid, maar hoe consistent het is met onze ervaring.”
(pagina 74)

Het was op dit pragmatisme dat de Kopenhaagse Interpretatie van de quantummechanica steunde in 1927, en dat nog wel in Brussel.

De geleerden zegden toen duidelijk dat de klassieke patronen van elementaire ruimte-tijd-werkelijkheden niet (meer) voldoende waren om de natuur te begrijpen.
Dat was een tamelijk revolutionaire stap die blijkbaar nog altijd niet helemaal tot ons is doorgedrongen.
Einstein wilde deze stelling niet aannemen want naar zijn eigen zeggen was het meest onbegrijpelijke aan de wereld het feit dat ze te begrijpen is.

De nieuwe fysica was niet gestoeld op ‘absolute waarheid’, maar op “ons”.

En nu terug naar het raadsel van gisteren.
De oplossing is dit te zeggen:
“Ik word straks onthoofd.”

Zou ik de waarheid spreken dan moet ik immers opgehangen worden.

En zo merk je dat je een derde weg kunt vinden in de paradox daar waar wij zo’n derde weg eerder in het wonder zoeken, van de deus ex machina tot en met de goden en andere esoterische verschijningen die net op tijd de rol van de cavalerie vervullen.

In diezelfde paradox werken onze eigen hersenen: de linkerzijde die wereld waarneemt op lineaire wijze (causaliteit) terwijl de rechterzijde patronen waarneemt.
Grof gezegd, citeer ik Zukav, is de linkerhelft “rationeel”, terwijl de rechterhelft “irrationeel” mag heten.

Het is dezelfde tegenstelling waarin de wetenschap verder moest, en het is nog altijd dezelfde tegenstelling waarin wij vooral de nadruk leggen op het lineaire en een zekere schrik hebben voor het irrationele.

Ik weet niet of we hier een paradox moeten oplossen om de wereld van het IK en het niet-IK met elkaar te verzoenen, om de waarnemingen van beide hersenhelften te coördineren zonder een zeker overwicht aan de ene of de andere zijde toe te kennen, maar feit is dat we aan de rand staan van nieuwe denk- en waarnemingsmogelijkheden.

Het zullen niet zozeer de tegenstellingen zijn maar de complementen (Zukav gebruikt het begrip: participanten) waarvan we het moeten hebben.

De Boeddhistische monniken zeggen voortdurend: niti, niti, niet dit, niet dat, daarmee duidelijk op een derde weg wijzend, en in de moderne wiskunde berust op die derde weg de driewaardige logica (tertium datur, het derde is wel gegeven)!

Ik gaf de paradox aan als derde mogelijkheid, ik noemde het wonder of het Boeddhistische niti, niti.
Maar er is ook de middenweg, de weg die Boeddha het achtvoudige pad noemde, de weg die je als volledig Ontwaakte moet volgen.

Andere zullen het over de norm hebben.
Socrates zei dat er één deugd, maar vele ondeugden zijn, één gezondheid, maar vele ziekten.
Zo wordt de norm van matigheid de derde weg.
En tenslotte citeer ik nog de eenheid als mogelijkheid.
Warm, koud, goed en kwaad, dat zijn de tegenstelling, maar de wijze zoekt in alles de eenheid, er is geen warmte zonder koude, enz.

Wat ik hier in de stilte van mijn woestijn vooral onthou, is de vraag om te waken: kun je dan niet één uurtje met mij waken, vroeg Jezus aan zijn leerlingen, enkele uren voor hij zou opgepakt worden.
Ik bedoel met die waakzaamheid, de openheid van onze ogen (geest), de nieuwsgierige blik, de rusteloze rust, het mysterie als het telkens ontdekken van een diepere bodem.

Wij zijn tenslotte rap moe, zeker als er gevraagd wordt om te zijn wie we zijn, want de nek uitsteken in deze procrustische tijd is een gevaarlijke bezigheid.

Procrustes was de reus die de voorbijganger aanpaste aan zijn bed: wie te klein was, werd uitgerokken, wie te groot was een kopje kleiner gemaakt.

Het fundamentalisme zit niet alleen bij een stelletje extremisten maar vooral in onze luie geest die eerder aan zelfbehoud dan aan op zoek gaan denkt, die de wolven in het bos verkiest en weigert een vox clamans in deserto te zijn, een roepende in de woestijn.

Ik mag hard roepen, maar het is drukkend stil hier.
Of ben ik te doof om al die andere stemmen te horen?


uit het reiscarnet (9) (417)

939_2e2bdd406efe66f78bd7e55066930e43

Het gras groeit langzaam in de woestijn, maar het is sterk.

Het zou een spreuk kunnen zijn, maar het is een waarschijnlijkheid.
In de wetenschap zou je door proefopstellingen dit kunnen onderschrijven of tegenspreken, maar tegelijkertijd ontwikkelen wij in de quantummechanica een stelsel waarin de waarschijnlijkheid het haalt op de materiële feitelijkheid.

In die nieuwe opvatting (-en wat heet nieuw, zou de heer Einstein zeggen-) zijn wijzelf een deel van het experiment, beïnvloeden wij wel degelijk de wereld in plaats van haar als een 18de eeuwse machine te zien die, eens in werking, de werkelijkheid determineert tot steeds zich herhalende fenomenen en/of uitkomsten.

Ik was nog maar een jong mens toen ik in een populair boek over de maakbaarheid, inzonderheid opvoeding, geschreven door dr. Van Praag las dat wij inderdaad de oplossingen voor onze vragen altijd buiten onszelf gaan zoeken.

Hij gaf een mooi Perzisch raadsel op dat ik hier niet letterlijk maar in de vraagstelling toch nauwkeurig herhaal:

Stel , je komt aan een grens.
Daar wordt je gevraagd iets te zeggen.
Spreek je de waarheid dan word je opgehangen.
Lieg je dan word je onthoofd.

Er is inderdaad één antwoord mogelijk om heelhuids weg te komen.

Kijk nu niet dadelijk naar de oplossing, maar je zult merken dat onze westerse geest dadelijk op zoek gaat naar oplossingen die niet in de vraag zelf zitten.

Probeer het maar eens, stel een aantal hypothesen op die beide voorwaarden kunnen doorstaan, goed wetend dat je inderdaad iets MOET zeggen, en dat de taal waarin geen belang heeft, noch dat de oplossing op een slimmigheidje ligt die buiten de vraag kan gezocht worden.

Ik zal je de oplossing morgen geven.
Ik zei gisteren al dat het antwoord in de paradox ligt, en wij zijn in ons denken en onze filosofische inzichten niet gewend met paradoxen te werken, integendeel, wij beschouwen ze eerder als sofismen of hinderlijke mogelijkheden.

Zou je antwoorden dat het gras in de woestijn traag groeit maar sterk is, dan zal je naargelang het bewijs dat daarvoor geldt of onthoofd, of opgehangen worden.
Erger nog: het zou kunnen dat je bepaalde morele waarden verbindt aan een bepaald antwoord omdat het bijvoorbeeld in die of die heilige schriften zou staan of dat die spreuk al eeuwenlang door je voorvaderen in het vaandel werd gevoerd.

Dat is geen verzinsel want toen Newton met zijn bewegingswetten te voorschijn kwam (en tenslotte landden de eerste mensen op de maan dank zij die wetten!) kreeg hij een stevige tegenwind van de scholastiek die enkele eeuwen de dienst en de waarheid uitmaakte.

Wij zullen dus in ons denken en aanvoelen vaak achterop komen, achter de denkers en durvers omdat die inertie ons het meest veilig lijkt en er waarschijnlijk ook voor zorgt dat warhoofden de dienst gaan uitmaken.

Maar waar we het lenige lichaam en de heilige sport aanbidden zorgen we blijkbaar niet voor diezelfde intellectuele en filosofische lenigheid.

Ze vraagt oefening en onderhoud, dat is juist en waarschijnlijk een grote dosis nieuwsgierigheid en relativeringsvermogen.

En het gras groeit langzaam in de woestijn.
Nu maar hopen dat dit trage groeien een waarborg voor enige stevigheid is, of zullen de skeletten van kamelen en woestijnvossen het tegendeel bewijzen?


uit het reiscarnet (8) (416)

955_2352eae628361e43d217a4b25a135a2f

En daarmee zijn de valkuilen duidelijk geworden, hoop ik.

Want als we deze diepe leegte alleen maar met verdriet en wanhoop kunnen vullen, met heimwee en spleen, dan zal het niet lang duren of er zal zich een “verlosser” aankondigen.

Onze kijk op “de leegte” is een angstige kijk.
Leegte is niet productief.
Leegte moet georganiseerd en vol gebouwd worden, of tot groene zone verheven het vingertje in de lucht zijn.

De jezuïeten (ik eer ze ten zeerste) in China vertaalden al dadelijk het woord TAO in “god” terwijl het in feite beter “zin” zou zijn, of gewoon tao kon blijven.

Lao Tse geeft in het beroemde Tao Teh Ching de volgende beschrijving:

“Er is niets dat onderscheidloos voltooid was,
En bestond voor hemel en aarde.
Hoe stil! Hoe leeg!
Van niets afhankelijk, onveranderlijk,
Alles doordringend, ongehinderd
Men kan het beschouwen als de moeder van de wereld.
De naam ervan ken ik niet.
Ik noem het Tao.
Moest ik het een naam geven, ik noemde het “het Grote”
(hoofdstuk 25, in een vertaling van drs. Hamaker zoals geciteerd in Jungs werk “Synchroniciteit”, Lemniscaat, Rotterdam, 2000)

En heel sprekend gaat hij verder om de zin van het Niets aan te geven:

Dertig spaken komen samen in een naaf
Maar op de ruimte waar niets is, berust de bruikbaarheid van de kar.
Men vormt het leem tot vaatwerk:
Maar op de ruimte waar niets is berust het nut van een pot.
Men hakt deuren en vensters uit om kamers te maken:
En van de ruimten waar niets is hangt het gebruik van het huis af..

Daarom schept het Iets dat er is de werkelijkheid,
Maar het Niets schept de bruikbaarheid’.
(hoofdstuk 11, ibidem)

Dat is geen orakeltaal, maar een duidelijke waardering van het niet zintuigelijke zonder daarom het zintuigelijke zelf te verwerpen zoals we dat in de monotheïstische godsdiensten hebben gedaan.

In de dingen zelf zit hoe dan ook iets “rationeels”, en niet alleen in wat zij veroorzaken of in hun ontstaansgeschiedenis.

Dat is zo’n vreemde gedachte voor ons die als goede kinderen van de Verlichting nog maar slechts één code hebben die we bijna als dogma aanvaarden: het Ik dat buiten de wereld staat en vanuit dat standpunt de wereld tracht te onderzoeken terwijl Tao probeert het Ik en niet-Ik met elkaar te verzoenen, althans als doel heeft hun onderlinge tegenstelling op te lossen.

Wij denken niet in paradoxen maar in feite zijn ze vaak al een aanloop tot deze verzoening: in de vraag zit het antwoord verscholen.
Wat onmogelijk blijkt, wordt vaak door een paradox opgelost.

Terug naar het kleine huisje in de woestijn.
Ik zou, mocht ik Johannes zijn, beven van angst als ik plots mijn iets oudere jeugdvriend in het water van de Jordaan zie stappen om gedoopt te worden.
Er komt een man aan die begrijpt dat Ik en niet -Ik alleen maar zijn uit te schakelen in een soort menswording van het goddelijke, maar Johannes weet ook dat zoiets heel slecht zal aflopen want wij zijn als mensen niet gemaakt om zoveel verzoening in een mens te ontmoeten.

Dit kan alleen maar onze haat opwekken, onze diepste kern van onvolmaaktheid zichtbaar maken, want de epifanie verlicht niet alleen het goddelijke maar tegelijkertijd het diep zwarte van onze natuur.

Ik heb het altijd een beetje naar gevonden dat we al met de erfzonde zouden geboren worden en daarbij dan nog Gods eigen zoon over ons heen krijgen die voor al dat kwaad als een slaaf op het kruis zal sterven.

Men vergeve mij mijn kleingelovigheid maar in de woestijn werd het duidelijk dat zo’n dubbele inbreuk op onze slechtheid in onze kleinmenselijke ogen iets van “sadisme” heeft, een eigenschap waar inderdaad de meeste monotheïsten van kunnen meespreken.

Je begrijpt dat ik meer sympathie heb voor de sluwe rentmeester, voor een Jezus die zich kwaad maakt of voor een jonge Johannes die Jezus liefhad, voor de vrouwen die hem volgden, voor Josef van Arimathea die zijn graf ter beschikking stelde, voor een radeloze man in de hof van Olijven die het niet meer ziet zitten terwijl zijn leerlingen liggen te slapen, ja zelfs voor Judas die hem moet verraden wil dat zogenaamde heilsplan voltrokken worden.

Ik heb even gebruik gemaakt van de leegte, en wees gerust het zijn maar woorden in de wind, al waait de wind (geest) waar hij wil, dat is juist, maar één rimpeling op het water en daarna wordt de vijver weer glad.

In de stilte van de nacht wordt de stad leeg.
Elke droom telt.


uit het reiscarnet (7) (415)

187_9e49be706bc4fce8fa28df75dca38d5d

Veel heb je niet nodig.
Een beetje beschutting en dakje boven het hoofd.
Ik weet het, de sterrenhemels zijn prachtig, zeker in de woestijn, maar het is er koud en tegen de avond kan een zandstorm opsteken.

In de woestijn moet je zijn,
oh Dassine,
om de stilte van de nacht te leren kennen;
Men zegt dat ze van elke ster valt
van de weerschijn van elke ster
en van het witte graf van de maan.

Geen hartslag laat de zandborst leven
die borst van zand;
als een dode vrouw slaapt ze,
en geen enkele liefkozing
kan haar weer tot leven wekken.

Men moet verdwalen in de woestijn,
oh Dassine,
om dat te leren kennen wat men eenzaamheid noemt,
waar geen boom is noch een vogel zingt,
waar alleen de droogte heerst
de steen en het zand.

Wie dat niet kent,
was nooit werkelijk alleen.

Ik heb me opgelost
in deze oneindigheid,
beroerde met mijn voeten
het naakte schild van de wieg
en van het graf.

uit: “Maraval-Berthoin – Chants du Hoggar”, L’Edition D’Art, Paris, ca. 1910

In miljoenen woestijnen zwijgen wij naast elkaar.
Op weg naar miljoenen beloofde landen.
Bang geworden dat elke kus een judaskus kan zijn,
dat jij het manna eet waarmee ik mijn honger wilde stillen.

Miljoenen vlammetjes in de nacht.
En geen engel of verlosser in handbereik.

(de foto is van Bernhard Lörsch)


uit het reiscarnet (6) (414)

337_0bd451e739144c67af1592d39e69a3cf

Cantus infirmus

Ik weet, het is te veel gevraagd, het streepje licht
dat door de donkerte de eerste vinger van de zon is.

Maar als dat niet kan, dan is een ster
of toch een sikkeltje maan
of zelfs een vuurvliegje
al genoeg.

Ik weet, het is te veel gevraagd, een dansende toorts
die gaten in de nachtelijke duisternis brandt.

Maar als dat niet kan, dan is een ster
of toch een sikkeltje maan
of zelfs een vuurvliegje
al genoeg.

Ik weet het, het is te veel gevraagd, een kaarsvlam
die bevend nog het huis verlicht waarin wij wonen.

Maar als dat niet kan, dan is een ster
of toch een sikkeltje maan
of zelfs een vuurvliegje
al genoeg.

En als dat vuurvliegje voor de zomer is,
laat dan de uil roepen
of in de lente een beetje nachtegaal
of de sneeuw die van de bomen dwarrelt,

want het is stil en donker in ons hart.


uit het reiscarnet (5) (413)

193_3e9e0dcd774ece82d5d58116c8854d2c

Dadelijk nadat ze uit de tuin van Eden waren verjaagd, werd de afwezigheid duidelijk.
Voor wezens die het paradijs hebben gekend moet de afwezigheid verschrikkelijk zijn.
In die afwezigheid begonnen ze zich zelfs te schamen voor hun eigen naaktheid.

Het is een mooi verhaal.
Het is de schaduw van het goddelijke, zo wordt de plaats genoemd waar de engelen verblijven.
Het nabeeld.
Een gloeiende vlek op het netvlies die miljoenen jaren is blijven naschemeren en wel duizenden verschillende interpretaties heeft gekend.

Je mag de schaduw van de Afwezige niet verwarren met de herinnering.
De schaduw is zacht, de herinnering is vals.

Wij zijn niet in staat om ons te herinneren.
Daarvoor zijn we te nietig, te niks.
Onze herinneringen zijn fabels.
Onze herinneringen zijn vaak kromgetrokken verwachtingen.

Tussen oorzaak en gevolg ligt de zwakte.
In het beste geval hebben we een vorm van wetenschap waarin we de oorzaak kunnen herhalen en het gevolg dus ook veilig stellen, maar omdat we nooit in het nu leven, hebben we de kracht niet om ons het voorbije te herinneren want we hebben er niet eens aan deel genomen.

Wij stellen de verkeerde vragen.
Als we naar een plein vol mensen en voertuigen kijken, vragen we ons af vanwaar ze komen en naar waar ze gaan terwijl de vaststelling: ik zie mensen en voertuigen daardoor aan onze aandacht ontsnapt.
Wij zijn constant bezig met de oorzaak en het gevolg en vervalsen daardoor de herinnering en leggen zo een hypotheek op de toekomst.

Zo ontstond onze diepe angst voor de afwezigheid en de afwezigen.
In onze schrale cultuur is het de dood die ons van de voorbije aanwezigheid bewust maakt terwijl dat de functie van het leven is, het leven dat niet losstaat van het sterven en de dood, maar er één geheel mee vormt.

Ik zou een psalm voor de Afwezige willen maken, want een groter verlangen naar de morgen is in de donkere nacht van de Afwezige niet mogelijk.
Maar al dadelijk gaan we die afwezigheid in vormen gieten en wordt ze opgelost in het tegengestelde, namelijk de aanwezigheid.

Dit denken in tegenstellingen zullen we in de woestijn van ons moeten afschudden.
Niet de morgen lost de nacht op, maar het donker zelf deze andere vorm van licht.

Mijn onmacht om de Afwezige te beschrijven, ligt in onze ingewortelde reactie om Hem in de Aanwezigheid te wringen, en dan zijn beelden als vader en heer, en andere symbolen van angst en onderworpenheid nooit ver af.

Ik neem je met de schilder Lanfranco Giovanni (Parma 1582-Rome 1647) mee naar de profeet Elias in de woestijn.
De raven brachten hem voedsel. Hij moest zich voor de mensen verbergen.
Een engel komt hem wakker maken.
De wereld droogt uit
Een weduwe zal hem onderdak geven, maar eens hij bij haar is, sterft haar zoon.
Elias zal hem weer tot leven wekken.
Na drie jaar droogte begint de hemel te bewolken.
Hier is het beeld, de muziek van de wonderjongen Mendelssohn vult het wondere aan.

Luister naar “Es ist genug! So nimm nun Herr meine Seele”.
Hoor hoe de cellosolo het thema omspeelt en wees ervan overtuigd dat er prachtige pogingen bestaan om de Afwezige te benaderen.


uit het reiscarnet (4) (412)

221_d6aa07678b8a722805e21e672f3bafe5

In Chaldea noemde ze hem “Labbi-el”, en in het Hebreeuws staat de term rapha voor “genezer”, “arts”, “chirurg”. Rapha-el.
Zo wordt hij als genezende engel vaak geassocieerd met de slang (de esculaap!)
Rafael, een aartsengel, die hier door Francesco Botticini met zijn twee andere kompanen wordt afgebeeld(Gabriel en Michael) in gezelschap van Tobits zoon aan wie hij zich pas veel later als engel zal bekend maken.

Paulus waarschuwde al voor die “boodschappers”, want je zou onderweg een engel kunnen tegenkomen zonder hem te herkennen, en dan kon het net zo goed een boodschapper van God of de Duivel zijn.

Engelen zijn onstoffelijk.
Hun afbeeldingen zijn dat alles behalve, en als ik naar de pauwenveren kijk die Rafa-els vleugels bevolken (in feite werden die aan Michael toegeschreven) dan denk ik terug aan al de oude verhalen waarin de engelen alles zagen, voorzien van duizenden ogen (nog een Assyrische erfenis), de voorlopers van de spionage-sattelieten.

In de woestijn komen er zeldzaam engelen voor, ze zouden verdampen.
Een van mijn grootmoeders, de Russische, vertelde dat engelen elke morgen met de morgendauw opnieuw geboren worden, en toen ik dus beweerde dat het dan een soort eendagsvliegen zijn, schudde ze verdrietig het hoofd en zei ze terecht dat ik niet voor god en gebod was geboren en dat ik van geluk mocht spreken dat ketters niet meer verbrand werden, maar niet te vlug hoera geroepen want -en hier hief ze haar wijsvinger dreigend in de lucht- er was nog het hellevuur voor kinderen zoals ik.
Ze wipte handig het deksel van de grote potkachel zodat de uitlekkende vlammen haar woorden onmiddellijk illustreerden. (waarna ze vrolijk zingend aan de wafelbak begon: zeven hemelen heeft god geschaaa-pen, Shamayim is van Gabriel!)

Kijk naar Tobias, hij was toen al, nauwelijks zes was ik, een bekende net zoals Rafael en Gabriel dat werden, en een jaartje eerder Daniel al dan niet in zijn leeuwenkuil want Daniel was de mooiste jongen van de vijftigkoppige kleuterklas (jaja, de babyboom)

In de leegte van de woestijn roep ik ze op: Tobias met zijn vis, Gabriel als mijn lijfwacht want de boze dromen bevolkten mijn kleuterslaap, en Daniel, degene die de leeuwenkuil overwon, gewoon door mooi te zijn, en natuurlijk met de hulp van een engel die de leeuwenmuilen dicht hield.
En de tweede keer dat hij de leeuwenkuil ingaat, wordt de profeet Habakuk er met de haren bijgesleurd om de jongen eten te geven.
Sinds die tijd hebben alle patissiers een beetje Habakuk geheten, en dat zo’n naam niet commercieel is uitgebuit daar is de “ontkerstening” verantwoordelijk voor al heette de bakkerij van Abraham Rosengarten in de verhalen van de Russische grootmoeder toch nog Habakuk Schweriger, und er war lieber in seinem Dorf der Erste als in Rom der Zweite.
Jaja, Jahre lehren mehr als Bücher, en de leeuwenkuil heette Auschwitz und seinem Schicksal entgeht man nicht.

En zo kom ik terug bij de afwezigen.
Tobias, Daniël, Rafaël en Gabriël, Rosengarten.

“Er wusste nur vom Tod was alle wissen:
dass er uns nimmt und in das Stumme stösst.”
(Der Tod der Geliebten, Rainer Maria Rilke)

In het zwijgen wordt de wind hoorbaar.


uit het reiscarnet (3) (411)

609_4e8af35ae0cd0f4af2e2fc8da7b8add2

De duivels en de zondebokken, daar is de woestijn voor.
In diezelfde woestijn leven de eremijten, de eenzamen, de religieuzen op de rand, de zoekers naar de eenvoud, en zullen wij de Stralende als de Eenvoudige eren?

Daarop had ik niet dadelijk een antwoord want mijn veertig jaar waren nog niet voorbij, en al at ik trouw het manna, een beetje meer perspectief op dat Beloofde Land zou de ontbering lichter om dragen maken.

Zo lang mijn Eenvoudige niet in de gewraakte kleren van de Simpele zou kruipen en weer met donders en bliksemschichten zijn gelijk wilde halen, mocht ik hem graag als wolk boven mijn veel te zonnig bestaan zien zweven.
Een wolk is een teken van grote eenvoud, de zuiverste vorm van waterdamp die na een nacht van innigheid langs de ramen naar beneden streept en door een van mijn talrijke grootmoeders de nooit geschreide tranen werd genoemd.
Zij kon het weten want haar mooie echtgenoot had onder één van die fameuze forten rond Luik gelegen en was daar door een Duitse verpleger tussen de lijken op de place Lambert opgepikt omdat hij rochelde, een duidelijk teken van leven dus.

Na al die maanden hospitaal kwam de mooie jonge officier als een wrak terug naar de provinciestad waar zijn vrouw al die ongeschreide tranen wel moest schreien als ze ‘s nachts hem hoorde gillen omdat hij net zoals toen -met één schot schoten de Duitsers de periscoop van het ondergrondse fort, en maakten daarmee de bewoners blind- geen steek meer voor zijn ogen zag en voor altijd bloed en verbrand vlees bleef ruiken als het avond werd of de nacht te lang duurde.

Die knal in augustus 1914 dreunt tot in de oren van zijn achterkleinkinderen door, omdat ze uit die lijven van onbeschutte wraak zijn gekropen, omdat ze hem tot in hun genen hoorden vloeken, toen hij de nachten met zijn hijgend pompen dacht te blussen en mijn ooms en tantes op de wereld zette waarin de grote knal bleef doordreunen, echoën tot ze weer in elkaar beschutting zochten en ik op zo’n februarinacht van 1944 mijn longetjes openhuilde.

Eén van mijn vaders verdween met zijn vliegtuig in de diepten van de oceaan, de anderen schoven aan om een rantsoen brood of melk te kunnen kopen, en de jongens lagen nog maar eens te rotten tussen Moskou en Berlijn, tussen Berlijn en de Normandische kusten waar het nu nog winter was en de grond bijna kinderlijk verlangend naar al dat bloed uitkeek, grond dat is altijd bloed geweest in de geschiedenis, en de karige oogst voedde steeds maar nieuwe jongens die elkaar weer in verre of dichtbije landen gingen bevechten.

Als jongetje luisterde ik naar de verhalen uit het Oude Testament, naar Tobias die met zijn Engel bijna door een gruwelijke vis verslonden werd maar die met datzelfde gruwel de geesten kon verdrijven en met de gal ervan zijn vaders ogen weer liet kijken.
Die mooie jongens met vleugels, Rafaël was zijn naam in dit geval, die kwamen de mensen opzoeken.
En wat mij toen al opviel was dat ze niet dadelijk vertrouwensvolle verschijningen waren, want bij elke verschijning moeten ze zeggen: Vrees niet.
Vermomd als mooie jongen vallen ze niet op, maar eens ze zich als goddelijke boodschapper bekend maken, beginnen ze met: niet bang zijn, mensje van niets.
En of dat nu de herders in de velden waren, Tobias of Maria die de hemelse boodschapper ontvangt, ze zijn wezens die als engel je laten schrikken.

In de woestijn ben je niet bang.
Daarom is de Stralende, de Eenvoudige hier thuis.
Voor Hem moet je dus niet bang zijn al stuurt hij eerst de duivels op je af, al lig je als zondebok te janken, al moet je kemelharen mantels dragen en schorpioenen eten, bang word je er niet.

Maar vergis je niet.
Soms vermomt de Eenvoudige zich in de grote Afwezige, en al zijn wij mensen bang van de leegte, in de woestijn heelt de grote Afwezige die leegte op een wonderlijke wijze.
Nooit was iemands afwezigheid zo geruststellend als in de woestijn.


uit het reiscarnet (2) (410)

072_65b14b8d75a478d3fc6fbad97e206a15

Ja, zei mijn vader, wij zegden “kieken” en nu is het kip.
Hij keek van op de hoogste zandheuvel naar een fata morgana uit onze kinderjaren.

Tussen kieken en kip lag ons voorbije leven, en slechts in de woestijn zagen we ten volle de wezenlijke begrenzing waarin onze levens zich naast elkaar hadden afgespeeld.
We begrepen in deze koude nacht dat de kern der dingen niet in de abstractie maar in de eenvoudige ervaring was te vinden, al was de uitdrukking “de kern der dingen” ook al zo’n leegte waarin we onze armetierigheid trachten te verbergen.

Hij probeerde zijn woorden uit te vegen met zo’n hulpeloos gebaar waarmee wij ons in alle tederheid de doden herinneren, maar ik schudde het hoofd waarmee ik zijn reddeloosheid ook bij leven tegemoet kwam.

De woestijn zuchtte.
Een kind dat ‘s nachts in zijn slaap zijn hersenverbindingen aanpast, dat zijn voorvaderlijke dromen opgeeft om niet verloren te lopen in dit eerder potsierlijke leven waarin het geworpen was.
Nog de schommel gewoon moet het al de klimkooi in om zijn loopbaan te plannen, en de schuifaf (roetsjbaan zeggen we nu) kan wel het nodige verlies van zwaartekracht in de herinnering oproepen, maar een voorbeeld voor het excelsior, het steeds hoger op, is het natuurlijk niet.

Tante Fien zou voor de “kaffe” zorgen, ze drukte de molen tegen haar welig lijf en versplinterde met fikse draaien de exotische bonen tot ze door het kokende water gepijnigd hun vertrouwde namiddaggeuren in de kamer achterlieten. Porselein van lang geleden werd hun dampend verblijf voor ze de brokken zelf gebakken brood vervoegden en wij hen alleen nog naboerend opriepen, dat schijngevecht tegen de voorbije tijd want tante Fien zat op een andere zandheuvel nu en ze telde mijn mensenleven lang sterren tot ze onze kant opkeek en hartelijk als altijd, maar bescheiden door haar gedegen Kempische opvoeding, wuifde.

Ik zag Johannes liggen.
Uit de Larousse getuimeld had hij zich nu in de echte woestijn gelegd en met die raadselachtige blik waarmee Johannessen kijken (een gevoel uit mijn kindertijd) zag ik hem de wenkbrauwen fronsen toen wij de tijd tussen kieken en kip indeelden.

In de verte was hij al druk bezig met dopen, tot zijn speelvriendje uit zijn jongensjaren in de wateren van de Jordaan zou stappen, een duif boven zijn hoofd, zo hing hij ook boven mijn hoofd in mijn kinderkamer.
Hij snapt het niet, papa, zei ik.
Waarom ligt hij daar in de woestijn met zoveel onbegrip heilig te zijn?

Nog verder op het meer was de wonderbare visvangst bezig en ik zag hem net zo dubbel als kieken en kip want in de Sint Pieterskerk was hij uit het zeventiende eeuwse hout gehouwen en lagen de vissen voor altijd in hun houten mazen te sterven terwijl de Heiland op het water liep en Petrus bij zijn nekvel op het droge trok.

We legden ons zwijgend bij Johannes.
Mijn vader weer met zo’n gebaar van let maar niet op mij ik zal uw heiligheid niet in de weg liggen, en ikzelf alsof ik al jaren in de woestijn had gelegen tussen mijn vader en Johannes, het kieken en de kip, god en de wereld, de koude en de hitte.

Bij het eerste morgenlicht zou ik beseffen dat fata morgana’s bij nacht hoogst ongewoon en zeldzaam zijn en in de schreeuw naar de leegte herstelde de aarde zich en kon ik weer ademen terwijl de heuvel waarop tante Fien had gezeten nu door de eerste zon werd beklad.