266_f890b2be939c847e648408f21e8798d9

Ik neem je even mee terug naar de broer van Henri James, William. (denk aan het boek: L’ orgasme et l’ Occident” dat we citeerden in de bijdrage van 12 november)
Hij zette, einde 19de, begin 20ste eeuw de ERVARING centraal.
Zijn filosofisch stelsel dat nu weer aan belangstelling wint, noemen we het pragmatisme.

Ik citeer de synthese uit “de dansende Woe-Li meesters”, van Gary Zukav, 7de druk, Bert Bakker, A’dam 1987

“De filosofie van het pragmatisme werkt ongeveer als volgt.
De geest is dusdanig ingesteld dat hij uitsluitend met ideeën werkt.
Voor de geest is het onmogelijk om verbanden te leggen tussen iets anders dan ideeën.
Het is daarom onjuist om te denken dat de geest werkelijk kan nadenken over de werkelijkheid.
Het enige waar de geest kan over nadenken is over zijn “ideeën” van de werkelijkheid.
(Of dat nu wel of niet is wat de werkelijkheid eigenlijk is, is een metafysisch probleem.)

Daarom is de vraag of iets al dan niet waar is, geen kwestie van hoe dicht het overeenkomt met de absolute waarheid, maar hoe consistent het is met onze ervaring.”
(pagina 74)

Het was op dit pragmatisme dat de Kopenhaagse Interpretatie van de quantummechanica steunde in 1927, en dat nog wel in Brussel.

De geleerden zegden toen duidelijk dat de klassieke patronen van elementaire ruimte-tijd-werkelijkheden niet (meer) voldoende waren om de natuur te begrijpen.
Dat was een tamelijk revolutionaire stap die blijkbaar nog altijd niet helemaal tot ons is doorgedrongen.
Einstein wilde deze stelling niet aannemen want naar zijn eigen zeggen was het meest onbegrijpelijke aan de wereld het feit dat ze te begrijpen is.

De nieuwe fysica was niet gestoeld op ‘absolute waarheid’, maar op “ons”.

En nu terug naar het raadsel van gisteren.
De oplossing is dit te zeggen:
“Ik word straks onthoofd.”

Zou ik de waarheid spreken dan moet ik immers opgehangen worden.

En zo merk je dat je een derde weg kunt vinden in de paradox daar waar wij zo’n derde weg eerder in het wonder zoeken, van de deus ex machina tot en met de goden en andere esoterische verschijningen die net op tijd de rol van de cavalerie vervullen.

In diezelfde paradox werken onze eigen hersenen: de linkerzijde die wereld waarneemt op lineaire wijze (causaliteit) terwijl de rechterzijde patronen waarneemt.
Grof gezegd, citeer ik Zukav, is de linkerhelft “rationeel”, terwijl de rechterhelft “irrationeel” mag heten.

Het is dezelfde tegenstelling waarin de wetenschap verder moest, en het is nog altijd dezelfde tegenstelling waarin wij vooral de nadruk leggen op het lineaire en een zekere schrik hebben voor het irrationele.

Ik weet niet of we hier een paradox moeten oplossen om de wereld van het IK en het niet-IK met elkaar te verzoenen, om de waarnemingen van beide hersenhelften te coördineren zonder een zeker overwicht aan de ene of de andere zijde toe te kennen, maar feit is dat we aan de rand staan van nieuwe denk- en waarnemingsmogelijkheden.

Het zullen niet zozeer de tegenstellingen zijn maar de complementen (Zukav gebruikt het begrip: participanten) waarvan we het moeten hebben.

De Boeddhistische monniken zeggen voortdurend: niti, niti, niet dit, niet dat, daarmee duidelijk op een derde weg wijzend, en in de moderne wiskunde berust op die derde weg de driewaardige logica (tertium datur, het derde is wel gegeven)!

Ik gaf de paradox aan als derde mogelijkheid, ik noemde het wonder of het Boeddhistische niti, niti.
Maar er is ook de middenweg, de weg die Boeddha het achtvoudige pad noemde, de weg die je als volledig Ontwaakte moet volgen.

Andere zullen het over de norm hebben.
Socrates zei dat er één deugd, maar vele ondeugden zijn, één gezondheid, maar vele ziekten.
Zo wordt de norm van matigheid de derde weg.
En tenslotte citeer ik nog de eenheid als mogelijkheid.
Warm, koud, goed en kwaad, dat zijn de tegenstelling, maar de wijze zoekt in alles de eenheid, er is geen warmte zonder koude, enz.

Wat ik hier in de stilte van mijn woestijn vooral onthou, is de vraag om te waken: kun je dan niet één uurtje met mij waken, vroeg Jezus aan zijn leerlingen, enkele uren voor hij zou opgepakt worden.
Ik bedoel met die waakzaamheid, de openheid van onze ogen (geest), de nieuwsgierige blik, de rusteloze rust, het mysterie als het telkens ontdekken van een diepere bodem.

Wij zijn tenslotte rap moe, zeker als er gevraagd wordt om te zijn wie we zijn, want de nek uitsteken in deze procrustische tijd is een gevaarlijke bezigheid.

Procrustes was de reus die de voorbijganger aanpaste aan zijn bed: wie te klein was, werd uitgerokken, wie te groot was een kopje kleiner gemaakt.

Het fundamentalisme zit niet alleen bij een stelletje extremisten maar vooral in onze luie geest die eerder aan zelfbehoud dan aan op zoek gaan denkt, die de wolven in het bos verkiest en weigert een vox clamans in deserto te zijn, een roepende in de woestijn.

Ik mag hard roepen, maar het is drukkend stil hier.
Of ben ik te doof om al die andere stemmen te horen?