690_6bacc2000bccf71ff0225be7571f94a2

Meneer zei ik tegen mezelf -hallucineren of verdubbelen van personage is niets ongewoon in de woestijn-, meneer, wij zijn allemaal doof.

Hij, die andere ik dus, moest het inderdaad tot tweemaal toe herhalen, want blijkbaar klopte zijn bewering: wij zijn doof.

Ik citeer Michel Foucault:
“…De goden brengen rampspoed over de stervelingen opdat zij erover vertellen; maar de stervelingen vertellen erover om te verhinderen dat deze rampspoed ooit in vervulling gaat, zodat de verwezenlijking ervan in de ver verwijderde woorden wordt afgewend, daar waar ze tenslotte hun einde zullen vinden, ook al willen ze zwijgen.”
Essays over literatuur, spreken tot in het oneindige, Sun, Nijmegen, 1986.

Ziet U niet dadelijk het verband?
Is U nog blind ook?

Waarom de woorden gebruiken als ze willen zwijgen?
Om de rampspoed af te wenden.
Maar hij is niet af te wenden.
Juist, maar we kunnen denken van wel, vandaar de woorden, en wie weet, kunnen we, al was het maar één seconde de loop van de kogel stoppen, ons leven verlengen met nog een verhaal te vertellen in de duizend en één nachten die ons gegeven zijn.
Vandaar al die woorden.
En onze doofheid, want we horen alleen ONS verhaal, meneer. Beter nog: MIJN verhaal.
Ik ben de verteller en de dove luisteraar, dus vertel ik het eindeloos opnieuw met de hoop dat de stoppen uit mijn oren woordje na woordje losweken en ik flardje na flardje iets begin te snappen van mijne eigen verhaal, en pas daarna kan ik het verhaal verder vertellen.

Nooit dus.

Mijn andere draaide zich om, met de beweging die mensen maken die naar het schavot lopen: we bewegen ons voort, we klimmen de trappen op, en kennen het vervolg.
Maar daar heb je het verhaal: de pijl, de cavalerie, de ultieme bekentenis van de andere partij, kortom: ik val mijn geliefden in de armen terwijl het woordje “einde” het scherm vult en de strop lichtjes leeg beweegt in de avondbries.

Nooit dus.

Terug naar een prentje.

Gerard de Lairesse, Luikenaar van geboorte en Amsterdammer bij verscheiden, het ene A.D. 1640 en het andere A.D. 1711, weer zo iemand die over twee eeuwen gebogen ligt, decorateur, bekwaam gravure-snijder, verfranser van de Hollandse kunst (een mens moet in leven blijven meneer) en dramatisch genoeg wordt hij in 1690 blind zodat hij de verdere 20 jaar van zijn leven zich met de theorie moet bezighouden en daarover merkwaardige boeken nalaat.

Hier zien we de al afwezige Odysseus zich langzaam losmaken van de bevallige waternimf Calypso, dochter van Atlas, bewoonster van het donkere en depressieve Ogygia eiland waar haar schone zwerver zeven jaar verbleef.
Maar er wachten hem nog avonturen en een vrouw thuis dus komt Mercurius de mooie nimf in het oor fluisteren dat het nu welletjes is geweest en verliefd of niet, de held moet weer op stap.

Het merkwaardige aan het doek is de kleine cupido die zich in de wapenuitrusting van de held heeft getooid en meteen het hele droevige tafereel onderuit haalt met zijn grappige verkleedpartij en daarmee op zijn manier aanduidt dat het nu welletjes is geweest en er later vertellers zijn die de tochten van Odysseus niet bij deze schone willen laten eindigen.

Er zal dus een vervolg komen. A suivre. Wordt voortgezet.

Dat vervolg lezen we in de Odysseia, en zelfs na dat verhaal zijn er weer verhalen verteld, en zelfs in de tijd daarvoor was het gemurmel van stemmen te horen, en dat bleef zo maar doorgaan tot we op de dag van vandaag deze tekst zitten te lezen waarin een ontdubbelde woestijnbewoner zijn doofheid probeert goed te praten door al dat wereldlawaai dat de geschiedenis overstijgt en telkens de dood te slim af is met de vraag “toe, nog een verhaaltje”, en als we dan denken uitverteld te zijn begint over ons ontzielde lichaam weer iemand te vertellen want de rampspoed blijft al die jaren ons achtervolgen en zo te zien zijn we nog ver van dat Beloofde Land en zullen we het dus met verdere verzinsels moeten doen, ingedeeld in spreuken, grollen en grappen, histoires vecues, oom wim vertelt, en ga zo maar door.

Meneer, u gaat toch niet beweren dat al dat gemurmel jouw oren heeft verstopt?
U is werkelijk heel doof. Ik denk dat we te weinig deelnemen aan de woordenrivier die onophoudelijk de raderen van onze tijdelijke watermolens in beweging zet (als we geluk hebben)

Kijk naar het prentje.
Het verhaal is ons allen bekend, al duizend jaar en meer.
De mooie borsten hebben we we eveneens al veel gezien al blijkt onze honger niet te stillen en ook dat is niet helemaal ongezond, terwijl de blik van de held reeds buiten het schilderij is, hij heeft het na zeven jaar ook bekeken en Mercurius zal er eens spoed achter zetten.

Al die boodschappen vormen de basis van het werk: Calypso met haar voorbije liefde en toekomstig verdriet (ook een nimf heeft haar gevoelens), de held die naar een reden zoekt om verder te trekken, en Mercurius die zijn bode-rol vervult.
De enige niet-boodschapper, de meest menselijke is de kleine cupido die het hele tafereeltje in het menselijke perspectief trekt: ‘t is in feite alleen maar om te lachen, dit gedoe, al deze stoere en verhitte verhalen.

De kleine god weet nu al dat de held bij het volgende eiland weer uit de liefdesbocht zal gaan, en hoe verheven ook, het is geen fraai gezicht al dat gehijg, daar zijn we van overtuigd, maar…
Het verhaal moet verder verteld worden.
Ik hoop dus maar dat je intussen ontstopt genoeg bent om een zekere harmonie in dat al dat gebeuzel en geneuzel te ontdekken want, meneer, ook jouw verhaal stroomt verder met de rest.