649_9a1d71028a886b570948893ae27f73ff


Je vader de borst geven.

Het is geen vinding van een donkere dichter, een loslopende pervert, maar een schilderij van Pieter Paul Rubens.

De oude vader zit op zijn terechtstelling te wachten en krijgt niets te eten.
Zijn dochter die net een kindje heeft gekregen bezoekt hem in de gevangenis en geeft hem te drinken met wat voorradig is.
Dat is het relaas van Cimon en Pero.

Op de achtergrond gluren de soldaten.
Onze bewakers zijn goed in gluren.
In feite teren de journaals en de kranten op dit gluren dat diep in ons zit verborgen.
Wij zijn nieuwsgierig, zeggen we, maar we willen gluren, we willen met enig sadisme vernemen wat de anderen overkomen is om zo onze opluchting over onze eigen staat van genade(?) te kunnen bevestigen.
Hoe meer “slechtere” mensen er zijn, hoe beter wij onszelf voelen.

Het is een heel groot schilderij, zo’n 155cm x 190cm zodat de figuren levensecht zijn.
We hebben moeite om ze naar de proportie van een prent te verdringen, ze naar het rijk der fabelen te verwijzen, ze zijn net zo groot als wijzelf en de details verwijzen naar een bijna ervaren gebeurtenis.

Kijk hoe de geboeide oude man is uitgewerkt: zijn oude lichaam is werklijk oud, zijn slappe vel en spieren maken zijn ouderdom duidelijk.
Hij zit ongemakkelijk, maar als de dood je wacht en je bent uitgehongerd dan wil je hoe dan ook eten en drinken. En die drang doet alle schaamte verdwijnen.

Zijn werkelijk Rubensiaanse dochter kijkt weg.
Tenslotte hoort het niet je oude vader de borst te geven.
Ze is gegeneerd maar tegelijkertijd overwint de liefde elke gêne, maar kijken kan ze niet.

Het is duidelijk dat de dood onze zeden en gewoonten in vraag stelt.
Bij een vermeend einde van de wereld geven mensen zich over aan braspartijen en geweld.
De dood lost de terughoudendheid die wij of anderen ons hebben opgelegd op.
Moralisten en rechters oordelen alsof wij nog drie- tot vijfhonderd jaar voor de boeg hebben.
Wellicht is het lijden en de dood de meester van het verwaarloosde kind dat mededogen heet.

In mijn woestijn zocht ik dus niet naar Ant. de St. Exupéry’ s kleine prins, maar de schamele die het leed zelf al gedragen heeft en die vanuit die ervaringen niemand wil wreken of nekken maar een diep mededogen voor de medemens toont, dat ouderwetse maar mooie woord.

Hij lost het kwaad of het verdriet niet op, maar toont er begrip voor, zoals die Palestijn die tegen de overspelige vrouw zei nadat haar stenigers waren afgedropen (te beginnen met de oudste): heeft er iemand U veroordeeld? Ga dus en probeer voortaan niet meer te zondigen.

In een tijd van oog om oog en tand om tand (de heer Schwarzenegger gaf daar vorige nacht ook nog maar eens een staaltje van door een doodvonnis te bekrachtigen) klinkt zo’n uitspraak erg revolutionair.
Ga. Je bent vrij. Ik heb je niet te veroordelen want ik weet wat het is een mens te zijn.

In deze donkere kerker vermomt als Romeins verhaal zet zij al die regels en zeden weg.
Haar geketende vader die weldra moet sterven heeft honger.
Er is geen spot op de gezichten van de soldaten achter de tralies.
Ze zijn verbaasd, ze vinden het hoogst ongewoon.
De rechtse kijkt naar de dochter met een zekere vertedering.

Het oude lichaam steekt schril af tegen de mooie rode mantel van de dochter, maar ze baden beiden in het licht.
Het licht komt van nergens, er is geen natuurlijke bron aangegeven.
Het is licht van een ultieme liefde, een grensoverschrijdende daad, de poging om een mens te zijn in de woestijn, want zo kun je een gevangenis ook noemen.