847_80e0d82cb96782ef6428c22fa890007d

Beste Reismaat,

In de 18de eeuw was één van de esthetische problemen het verzoenen van de nieuwe onafhankelijke mens met het klassieke ideaal.

Dat lijkt een kunstmatig probleem, maar het is tot op de dag van vandaag blijven doorwerken alsof er geen keuzes zijn, het is ofwel de utopie ofwel het nihilisme.

Ik kan goed begrijpen dat na het existentialisme de uitdoving van de grote verhalen als nieuw idioom werd voorgesteld: de grote verhalen zijn uitverteld, we zullen het moeten doen met wat ons overkomt en het contrat social van de heer Rousseau kan weer naar de oppervlakte worden gehaald.

Daar is op zichzelf niets mis mee, het is een belangrijk document gebleken, de emancipering van ons allen dienend, maar de stelling die ermee gepaard ging en in zijn Emile zijn volle uitbloei mocht beleven, drong tot diep in de historische bodem van de Europese ziel en werd door de Victorianen nog eens beklemtoond: de mens is goed, het is zijn milieu dat hem slecht maakt, om het al te eenvoudig uit te drukken.

In zijn mooi geschreven bekentenissen trekt Rousseau al dadelijk van leer.
Hij is dan 44 en bevestigt dat hij niet als de anderen is, en wie over hem wil oordelen moet zich maar door zijn bekentenissen ploegen (een prachtige vertaling van Leon Maris, verscheen bij Arbeiderspers, A’dam-Antwerpen, 1996)

“Eeuwig Wezen, verzamel de onmetelijke menigte van mijn medemensen om mij heen.
Laat ze mijn bekentenissen horen, laat ze jammeren om mijn schanddaden, laat ze zich schamen voor mijn zwakheden.
Laat ieder van hen op zijn beurt met dezelfde oprechtheid aan de voet van Uw troon zijn hart blootleggen en laat dan iemand zeggen, als hij durft: “Ik was beter dan deze mens.”
(O.C. pagina 13)

Ziezo, wie daar van terug heeft mag zich aanmelden.
Deze zoon van een klokkenmaker mag met een zekere fierheid zijn stem verheffen want hij is bij het verschijnen van het eerste deel van zijn Bekentenissen in 1766 al een bekend Frans auteur…in Engelse ballingschap.

Bekend is hij, en berucht, want tussen zijn geschriften en zijn vele liefdes breekt hij met Diderot en zijn vrienden (hij schreef bijdrage over muziek voor de Encyclopedie), publiceert hij Emile en Du Contrat social.
Emile wordt in beslag genomen, door de Sorbonne en het parlement veroordeeld en in Parijs verbrand.
Ook in Geneve komt zijn werk op de brandstapel en zowel in Parijs als in Geneve lopen arrestatiebevelen tegen hem.

Hij wordt door de plaatselijke bevolking uit Môtiers verjaagd, vindt op het Peterinsel in het Bielermeer een toevlucht vanwaar hij door de stad Bern wordt verdreven.
Op uitnodiging van Hume vlucht hij naar Engeland, maar ook met deze filosoof geraakt hij al vlug in onmin.
In Wootton komt dan het eerste deel van zijn Bekentenissen tot stand.

Frankrijk is als grote verliezer uit de zevenjarige oorlog gekomen, en Pruisen als winnaar.
Pas na zijn dood in 1778 worden de Bekentenissen in Frankrijk gepubliceerd.

Over de laatste twaalf jaar van zijn leven vinden we niets in de Bekentenissen terug.
Wel probeert hij zich te rechtvaardigen in “Overpeinzingen van een eenzame wandelaar” en sommigen noemen dit geschrift het derde deel van zijn Bekentenissen.

In feite waren die Bekentenissen het eerste van de honderden ego-documenten die tot op de dag van vandaag de literatuur zouden bevolken.
Zijn Du Contrat social kwam in 1948 in de Universele Verklaring van de Rechten van de mens, en zijn andere geschriften hebben op bos berg en beek, kortom “de natuur” een duidelijk zorgend licht geworpen.

Hij schrijft over zichzelf met niets ontziende eerlijkheid, maar ook met pathos en veel zelfmedelijden.

“Ik voelde voordat ik dacht. Dat geldt voor iedereen maar voor mij nog meer dan voor de rest van de mensheid.
Ik weet niet wat ik tot mijn vijfde, zesde jaar heb gedaan.
Ik weet niet hoe ik heb leren lezen. Ik herinner me alleen de eerste boeken die ik las en de uitwerking die ze op mij hadden.
Vanaf die tijd ben ik me ononderbroken van mezelf bewust geweest.”
(ibidem pagina 16)

Ik stuur je het beeld van de verlaten Psyche van Pajou mee.
Ze is in feite de mengeling van dat klassieke ideaal en de mens die zich onderscheidt van alle anderen, eenzaam dus.
De gladheid van de droom tegen de vertwijfeling verlaten te worden.

Ononderbroken van jezelf bewust.
Ook geen pretje!

“Had ik eerst kunnen wachten en daarna in al hun schoonheid de dingen kunnen weergeven zoals ze zich in mijn geest aftekenden, dan zouden weinig schrijvers mij hebben overtroffen.”
(ibidem, 131)

Het mooie aan zijn werk is juist dat hij niet heeft gewacht en zich toonde zoals hij werkelijk was of dacht te zijn.
Pretentieus en kwetsbaar.
Zoals wij allen.