176_bf408c6b01f71f080d91b5f34449c69f

Beste Reisgezel,

Ze was de jongste van acht kinderen. Van de acht overleefden er slechts drie.
Haar ouders hadden een Parijse zaak “in garen en band” (iets wat in het Engels zo mooi haberdasher wordt genoemd).

Haar naam: Adelaide Labille-Guiard. (1749-1803)
Ze was een temperamentvolle vrouw en toonde al heel vlug haar teken- en schildertalent.
Dichtbij de modezaak immers was de winkel van miniaturist François Elie Vincent, en die bracht haar waarschijnlijk technieken en kleurenstudie bij.

Ze maakte levendige portretten, trouwde met de verkeerde (Guiard, wiens naam ze in haar naam bleef behouden!), en moest optornen tegen haar jongere vrouwelijke concurrente, Elisabeth-Louise Vigée Le Brun.

Toch werd ze toegelaten tot de Academie Royale en kreeg zelfs de titel “Peintre des mesdames”, (raar genoeg werd geen vrouw ooit ‘peintre du roi’) met daarbij een koninklijke gage en een appartement in het Louvre. (op dezelfde dag als haar concurrente Vigé Lebrun)

(Natuurlijk gingen er geruchten dat ze hulp had gekregen van haar leraar, haar latere man. Mannen zijn nu eenmaal bang van begaafde vrouwen.)

Dat appartement kreeg ze niet onmiddellijk want “men” was bang dat de aanwezigheid van vrouwen in de donkere gangen van het Louvre tot schandalige praktijken zou leiden!
De schilder David had al eerder naar zijn artistieke kop gekregen omdat hij vrouwen had toegelaten om het werk van zijn leerlingen te bekijken.
Pas in 1795 kreeg ze haar appartement en een schadeloosstelling van 1000 pond.

Ze leerde verfijnde miniatuurportretten maken, en studeerde olieverf-schilderen bij François André Vincent , de oudste zoon van de man bij wie ze als jong meisje het vak had geleerd, en die ze in 1800 trouwde.
Zijzelf werd een belangrijke lerares voor vrouwelijke kandidaat-schilders.

Ze steunde de Franse revolutie, schilderde portretten van verschillende deputé’ s.
Helaas moest ze een werk waaraan ze zo’n twee en een half jaar had gewerkt vernietigen omdat het nog te veel naar de koninklijke dagen van weleer verwees.
Met dat werk wilde ze peintre d’ histoire worden, maar haar droom ging in rook op.
De revolutie eet steeds haar eigen kinderen op.

Ik stuur je dit mooie portret van Madame de Genlis (1790).
In mijn collectie eer ik het werk van deze moedige vrouw ten zeerste, en dat vooral door zijn grote kwaliteit en haar bekommernis om andere vrouwen de kans te geven zich artistiek te ontplooien.

Deze vrouw , Félicité du Crest de Saint Aubin (1746-1831) echtgenote van graaf de Genlis was in Parijse kringen bekend als begaafde muzikante, briljante conversionaliste, schrijfster en opvoedster van aristocratische kinderen.

Haar pa was zijn fortuin kwijtgeraakt toen ze nog erg jong was en zo moest ze voor haar eigen opvoeding instaan.
Ze kwam via allerlei hoofse omwegen in die hoofse kringen terecht waar men haar artistieke talenten op prijs stelde en werd de minnares van de hertog de Chartres maar ook een goede vriend van zijn vrouw die ze als “dame d’honneur” bijstond.

In 1777 trok Madame de Genlis zich uit de hoofse kringen terug om haar drie dochters op te voeden in het Convent de Bellechasse, samen met de dochters van de hertog van Orléans, en met Pamela, die uit haar liaison met de hertog was geboren.
Later nam ze ook de opvoeding op zich van zijn drie zonen, waarbij de hertog van Valois hoorde, de latere koning Louis Philippe.

Het was in die tijd erg ongewoon dat een vrouw voor de opvoeding van mannelijke aristocratische afstammelingen instond.
Ze schreef haar ervaringen op in een boek: “Leçons d’ une gouvernante”.

Tijdens de revolutie legde ze haar titels af en werd ze “la citoyenne Brûlart”, maar haar contacten met het hof maakten haar verdacht zodat ze naar Engeland uitweek.
Onder Napoleon keerde ze terug, echter zonder inkomsten zodat ze van de verdiensten van haar schriftuur moest leven.
Ze stierf kort voor haar vroegere leerling Louis Philippe op de troon kwam.

Twee vrouwen.
De schilder en haar portret.
Twee merkwaardige persoonlijkheden in een merkwaardige tijd.

Laten wij het vrouwelijke in ons koesteren, want de toekomst zal zeker vrouwelijk zijn.
Gode zij dank.