screw2_large

We zijn nu dichtbij het ontstaan van het verhaal.
Het jaar 1897 is een jubeljaar.
De Queen viert haar jubileum en zegt Braches, het ‘God save the Queen’ is niet van de lucht.

De zomer van dat jaar staat The illustrated London vol met verslagen van het jubileum, maar ook vind je er het verhaal Jephunneh (Bijbelse naam) van S. Baring-Gould waarin een vader op weg naar huis omkomt in de diepe sneeuw, een poppenhuis onder de arm gekneld.

Het kind is doodziek thuis, wat dacht je en de kille stiefmoeder is ook van dienst.
De afbeelding van het kleine meisje is duidelijk genoeg, in haar nachtjaponnetje op de schoot van de zwart geklede vrouw.

“The clock struck twelve. Then suddenly the child started in het aunts lap, opened her great dark eyes.
A light sprang upon them; she stretched her arms and cried: Dada! Dada! o, Dada! What a beautiful house, and all for me, -for Dada and me, felt back and was gone..

In het nummer van de week daarvoor (5 juni, drie weken na de vrijlating van Oscar Wilde) zien we een levensgrote reproductie naar een aquarel van Gordon Browne. (illustrator o.a. van kinderboeken)
Ik heb ze helaas niet kunnen vinden, maar de beschrijving van Braches maakt haar haar zichtbaarder dan het echte beeld.

1900xmascov

‘Twee ruiters draven op ons toe, de ene duister, de andere licht.
Ze doemen op in een wilde galop, naast elkaar voortrazende.
Erachter schemert een derde paard. Het lijkt een achtervolging.

De donkere man kijkt strak voor zich uit vanonder een als op zijn hoofd vastgeplakte kleine bolhoed.
In zijn arm, in een deken gewikkeld, een kind waarvan het gezichtje zichtbaar is.
De tweede ruiter is licht, haast nevelachtig, maar zijn gezicht is duidelijk getekend onder de kroon. Hij steekt een schimmige arm uit in de richting van het kind.
Het verontrustende is, dat onder de vastgeplakte bolhoed en de schimmige kroon eenzelfde gezicht is getekend.
Het herinnert aan Stead in wiens Real Ghost stories staat genoteerd: “Goethe saw his own double riding by his side under conditions which really occured years later.”

dyn009_original_525_419_jpeg_20344_eefc75614d4a8cdb322bdf9b380c54e0

Ik heb me nog meer dan vroeger omringd met mijn trouwste vrienden, de boeken.
Een antiquarische editie van ‘The notebooks of Henry James’, Oxford University press 1947 maakt op pagina 178 duidelijk hoe James aan de inspiratie kwam in een uitvoerige notitie van zaterdag 12 januari 1895.

Hij vertelt over de bron, de aartsbisschop van Canterbury die het op zijn beurt had gekregen van een lady (told very badly and imperfectly) zonder enige relatie met de hoofdpersonen.

In die versie die James in 1895 citeert is het duidelijk dat de kinderen door het contact met de geesten van the servants worden besmet:

‘…So long as the children are kept from them, they are not lost; but they try and try and try, these evil presences, to get hold of them. It is a question of the children “coming over where they are”
It’s all obscure and imperfect, the picture, but there is a suggestion of strangley gruesome effect in it.
The story to be told-tolerably-by an outside spectator, observer.’

James was een vakman, dat is duidelijk.
Wie in zijn notities leest, merkt hoe hij lange gesprekken met zichzelf voert omtrent elk onderwerp dat hij in zijn kortverhalen of romans zal gaan beschrijven.

Het mag duidelijk zijn dat hij het effect niet schuwt, en hij weet wat zijn lezers van hem verwachten.

Die lezers van het Amerikaanse weekblad Collier’s Weekly waarin het verhaal eerst in afleveringen verschijnt van 5 februari tot 16 april 1898, behoren tot allerlei klassen, maar he zijn vooral de kleine en kieskeurige en gefortuneerde elite die hij wenst te bereiken, een elite waarin hij als auteur werd gewaardeerd, en hij wist goed hoe hij hen moest bespelen me een mengeling van horror en psychologie, met een mix van effecten en mysterieuze karakters.

Volgende week kijken we naar de hoofdpersonen van de story.