(36) aap aan ketting

071_af253c9dddc473199d4b3a2d81b0df83

Waarde Heer Dumortier,

Het stadje heet nu “Bracht-am-Niederrhein”, maar toen Hendrick Goltzius er leefde droeg het Mülbracht als naam.
Ik stuur je van zijn reeds lang vervlogen hand (hij was onder de levenden van 1558-1617) een prachtige krijttekening: “aap aan ketting”.

Als dorstige en eerder beperkte geest laaf ik mij graag aan de meesters van het doen en denken. Er is geen groter troost denkbaar dan in mijn virtueel museum rond te lopen en aandachtig te kijken of te luisteren naar de sporen die zij hebben nagelaten.
In verschillende kleuren krijt geeft de schilder hier het aapje weer. Hij maakte ze rond 1597, nadat hij in 1590-91 een reis door Italië had gemaakt.
Met zijn linkerhand peutert het aapje aan het slot: het is duidelijk dat hij liefst van die ketting verlost wil zijn.
We hebben allemaal zo’n ketting waarmee we aan onszelf vasthangen. Dat is geen benauwend idee, je zou eerder denken dat het ons mild zou stemmen tegenover onze lotgenoten. Maar niets is minder waar. Liefst zou je de anderen voortdurend nog meer willen ketenen want zij, en zij alleen zijn de schuld van jouw gevangenschap.

Deze primitieve wreedheid maakt me banger dan ik kan uitdrukken.
Ons tekort aan zelf-analyse, ons talent voor zelf-bedrog, snoert de ketting nog vaster.

Ik kijk dus aandachtig en probeer geduldig mijn eigen ketting losser te maken terwijl ik in mijn gemoed de deernis voor al de andere kettingen als voornaamste motief tot begrip en vergeving neem, zelf nederig om hetzelfde vragend.

Terwijl ik in al mijn beperktheid en kleinheid zichtbaar wordt voor mezelf, zet ik tegelijkertijd de eerste stappen naar de bevrijdende onzichtbaarheid: de ketting zal ooit lossen, en de diepe bossen zullen ons ontvangen terwijl onze kreten zich met elkaar vermengen.

Uw medegeketende, Theodore Silverstein.


als in een spiegel (35)

190_ccbf46df794ca63c590c20c80fbb0a66

Beste Theodore

Op reis naar de hoop moeten we altijd langs de donkere valleien van de wanhoop. Wie deze valleien niet kent, zal ook nooit weten wat werkelijke hoop is, deze vergeten zuster van de veel besproken liefde.
Onvindbaar zijn is één van de meest afschuwelijke gevoelens die ons kunnen overvallen.
Maar in het gevonden worden is dit gevoel net zo noodzakelijk als de wanhoop op zoek naar de hoop.

Ik stuur je hierbij een mooie prent van twee jongens. De ene heeft de brandende fakkel vast, de andere de uitgedoofde. Maar ze zijn met elkaar verbonden. Licht en duisternis, geest en lijf, we hebben altijd met deze tweelingen te doen.
Al raad ik je nu aan de citaten terzijde te laten en je eigen woorden te gebruiken om je verloren zijn en je drang om gevonden te worden uit te drukken, toch wil ik nog even je Montaigne citeren:

“Zouden we het niet zo kunnen stellen, dat er tijdens deze aardse gevangenschap niets in ons is dat louter geestelijk of louter lichamelijk is, dat we er verkeerd aan doen de levende mens in stukken te scheuren.”

Het woord “heel-meester” krijgt nu ook een duidelijke betekenis, maar ik denk dat je alleen je eigen heelmeester kunt zijn, ontken dus niet wie je bent, al vraagt dat veel moed ten aanzien van al de anderen die je alleen maar naar hun beeld en inzicht willen ervaren.

Laat de nacht je verzachten, beste Theodore. Laster is als een wesp. Hoe meer je ernaar zwaait, hoe erger haar aanvallen worden. Ofwel mep je ze neer ofwel hou je je stil.
De valse tijd verdraait onze levens tot wanstaltige figuren alsof we onszelf in een spiegelpaleis op de kermis bekijken.
Maar het licht brandt en het is nacht tegelijkertijd.
Dat lijkt een verschrikkelijke gedachte, maar ze is niet te ontwijken.

Je vriend en psychiater, G. Dumortier.


onvindbaar (34)

599_a84d997be2f6b4877267546d681c64f9

Beste Psych,

Beter dan ik eigen woorden kan gebruiken, stuur ik je het wonderlijke vers van Ida Gerhardt.

FORLORN

Ik kan niet vinden waar gij zijt.
Langs uw gelaat gaat noodweer aan;
de bittere branding zie ik slaan,
met zilt dat in de ogen bijt.
Ik kan niet vinden waar gij zijt,
noch waar ik zelf ben in mijn pijn.
O onmacht van dit samenzijn,
verholen riffen, blind ravijn
en dieplood van het zelfverwijt-
Ik kan niet vinden waar gij zijt.

(uit De Hovenier, Het kengetal)

Beste Psych, laat me verder zoeken in de stilte van de januarimaand die rechtkruipt onder de last van kerstbomen en verwaaid pakjespapier.
Je woorden over het reisinktpotje vond ik erg troostend.
Ik wik en weeg ze dus, al is het niet met de superioriteit van Ida, ik doe mijn best.

Je Theodore


een mooi reis-inktpotje (33)

037_cf2db64cd6b6aec207084e39ee863889

Waarde Theodore,

Nu en dan schenk ik aan mezelf iets dat moois of nutteloos is maar dat een bron kan zijn van nieuwe overdenkingen.
Toen ik in jouw winkel, rondkeek, vond ik het hierbij afgebeelde reis-inktpotje.
Het is een miniem klein inktpotje, stevig door messing en leder omgeven, met een hechte sluiting zodat de inkt veilig bewaard bleef tijdens de reizen op de hobbelige Engelse wegen uit de 19de eeuw.

Nu klappen we onze draadloze laptop open en seinen we allerlei meestal overbodige berichten de wereld rond, bijna zonder nadenken, zo maar uit de psychische maag gebraakt, of we laten onze woede of kinderachtige vondsten verschijnen aan alle andere zielen die dezelfde apparatuur bezitten en wat graag deelgenoot worden aan onze “zielenroerselen”, zoals ik momenteel dus ook doe. (want meestal denken we dat wij wijzer zijn dan het gemeen, beter dan de rest, wat die ook moge voorstellen.)
Laat je een wind dan verschijnt dat ’s avonds op het nieuws als die wind kan gebruikt worden om de opwarming van de planeet of de verderfelijke invloed van een of ander product te duiden.
In minder dan één minuut lichten we de bevolking in van een of ander onheil, een sociale onrechtvaardigheid, of een serie smeuïge gebeurtenissen uit het verre of nabije verleden.

Ik keer terug naar je mooi reis-inktpotje.
Ik stel me de gebruiker (ster) voor in een afgelegen dorp of stadje. Als hij al een kaars vindt ’s avonds en enkele vellen papier, zie je hem of haar zitten denken hoe hij zijn gedachten en emoties zal neerschrijven. Hij wikt en weegt zijn woorden, draait in zijn gedachten nog eens andersom, laat het overbodige weg, herleest zijn kladje en schrapt voortdurend voor hij aan zijn definitieve brief of tekst begint.

When most I wink, then do mine eyes best see,
For all the day they view things unrespected;
But when I sleep, in dreams, they look on thee,
And darkly bright are bright in dark directed.

En dat is een fragment uit het 43ste sonnet van William Shakespeare dat zo maar in me opkwam en dat ik met het nodige respect aan je doorgeef.
Hij knikt. Ik weet niet of hij aan een mannelijke of vrouwelijke geliefde denkt, het doet er ook niet toe, maar ik denk dat hij tevreden was toen hij deze regels overlas en hij het inktpotje weer sloot terwijl hij traagjes de veer neerlegde en aan hem of haar ging verder denken in zijn dromen.

All days are nights to see till I see thee,
And nights bright days when dreams do show thee me.

Laat dat vertraagde denken je troost zijn.Het inktpotje laat ik aan andere kopers die het kunnen koesteren als ze te vlug woorden willen kramen, of te snel willen oordelen.
Doe nu en dan je deurtje open, waarde Silverstein, adem diep. De dagen zijn nog donker en februari ligt nog als een ijspin voor de lentepoort, maar de eksters in de tuin zijn al met hun nesten bezig.

Je liefhebbende Psychiater, Dumortier G.


een achtergebleven herfst (32)

Appletree and Red Fruit, c.1902 (oil on canvas)

Beste Psych,

Ten zeerste waardeer ik je vriendschap, maar begrijp me dat ik een tijdje in het hier bijgevoegde landschap wil leven.
Je wijsheid acht ik zeer, maar ik wantrouw de mijne al een tijdje.
Ik herinner je aan het verhaal van de Griekse filosoof Pyrrho die op reis met een schip in een hevige storm terecht kwam. Iedereen in paniek. Slechts één passsagier bewaarde zijn kalmte en bleef rustig in een hoekje zitten met een vredige blik: het was een varken.

En dan zijn we bij Montaigne, mijn lievelingsfilosoof numero uno.. Hij vraagt zich terecht af dat ons “denkvermogen” ons reden tot dankbaarheid moet geven.

“Als ons deel hebben wij wankelmoedigheid, besluiteloosheid, onzekerheid, droefheid, bijgeloof, bezorgdheid om de dingen die komen (zelfs na ons leven), eerzucht, hebzucht, jaloezie, afgunst, bandeloze, waanzinnige en ontembare begeerten, de oorlog, de leugen, de ontrouw, de laster, en de nieuwsgierigheid. Wij hebben dat mooie verstand, waar we ons op beroemen, en dat vermogen om te kennen en te oordelen voor een ongehoorde, veel te hoge prijs gekocht wanneer we die betaald hebben met dit oneindig aantal hartstochten, waaraan wij onophoudelijk ten prooi vallen.”

En waar ik het dan ook mee eens ben:

“Inzien dat men een dwaasheid gezegd of begaan heeft is nog niets; men moet leren dat men niet anders dan dwaas is; dat is een belangrijker en verder strekkend inzicht.”

Laat de zot dus nog even dromen in de herfst-op-doek, -de antieke spullen zijn ook daarom zo troostend, ze hebben al meer dan één leven deze dwaasheden meegemaakt-, maar buiten de sporen van de tijd, zijn ze er nog niet door aangetast; ze blijven hun schoonheid en waardigheid behouden. Ze lijden niet aan de tijd.

Ik groet je en spreek verder langs de schoonheid die ik in mijn winkel aan anderen tracht aan te prijzen als troost voor de pijn die ons levenslang bezighoudt: het “leven” zegt men dan.

Je Theodore Silverstein

Christian_Bergeron-82


trouwen of een opera schrijven (31)

792_8d7af574407160c3899ba7f54d8d6d94

Lieve Vriend Theodore,

Toen Nietzsche in een diepe depressie zat, kreeg hij van Richard Wagner de goede raad te trouwen of een opera te schrijven. Nu had de grote filosoof niet erg veel muzikaal talent want toen hij in 1872 een pianoduet had opgestuurd, zei de dirigent Hans von Bülow: dit is de meest buitensporige bizarre extravagantie, het meest ergerlijke en onmuzikaalste stel noten dat ik in lange tijd heb gezien.

“In ’s hemelsnaam trouw toch met een rijke vrouw!” riep de radeloze Wagner toen uit, en hij nam contact op met de arts van Nietzsche, Otto Eiser, en ze vroegen zich af of de slechte gezondheid van de filosoof wellicht te wijten was aan overmatig masturberen.(!)
De vrouw op wie Nietzsche echt verliefd was…ja dat was Cosima, Wagners eigen vrouw.
Dat heeft hij lange tijd kunnen verbergen onder de mantel van de vriendschap, maar toen hij ouder werd kreeg ze van hem in 1899 een prentkaart met daarop: “Ariadne, ik hou van je.” en hij ondertekende met ‘Dionysius’.
Rond die tijd schreef hij aan een vriend:” jullie hebben samen een nest (zijn vriend en zijn vrouw), ik heb hoogstens een “hol”. Het sporadisch contact met mensen is als een vakantie, een bevrijding van “mezelf”.”

Je hoort me komen, waarde Silverstein: op je paardenmolen (het is een mooi vers geef ik toe) draai je steeds maar naar het onbereikbare waar je inderdaad nooit aankomt.
Ik begrijp de regen best als de diepe droefheid waarin je ziel blijkbaar verkeert, maar om met onze vertrouwde Nietzsche te spreken: “Het is ons lot intellectuele kluizenaars te zijn en maar af en toe een gesprek met een gelijkgestemde te hebben
Kom dus te voorschijn en laat ons tot diep in de nacht praten bij een lekkere maaltijd.

Je zielsgenoot Dumortier.

(met dank aan Alain de Botton)


een paardenmolen in de regen (30)

021_7a6bd047707df5c7908a3988a3206e16

Stel dat je broertje je verraden heeft,
en je zusje verkocht tegen 40 zilverlingen je jongetjes-ziel.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je moeder naar Antartika is afgereisd,
en je vader je harlekijn gekruisigd heeft.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je geliefde je droom verkwanselde,
en je kind je laatste stuiver door het raam smeet.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Stel dat je in de neon-regenplas je gezicht verdrinkt,
en je te laat besefte waar je hart verborgen was.

Blijft alleen de paardenmolen in de regen.

Ik weet het, meer dan regen
is onze zielen niet gegeven als we wakker worden.
En de paardenmolen is ouder dan de nacht.

Je liefhebbende patiënt, Silverstein


een bezorgd bericht (29)

007_8acbd38ae4e86b72ce87cfd6c1645563

Beste Silverstein,

Ik kreeg je boodschap met het prachtige gedicht van Vidales.
Omdat ik je afschuw ken van kleine ruimtes en halve waarheden (duizend feiten zijn nog altijd geen waarheid, herinner je) vraag ik me bezorgd af of je werkelijk bij ons wil blijven.
Ik ken ook je liefde voor de vreemde schilders uit de laat negentiende eeuw en daarom stuur ik je deze afbeelding: de slaap en zijn halfbroer de dood.
Het idee dat ons leven stilstaat bij grote rampen en naderend onheil, is misschien net zo old fashioned als de sunsets waarover Wilde het heeft.
Ik bedoel: wat ons ook overkomt, we kunnen nog steeds met onze gedachten bewegen ook al is de werkelijkheid rondom ons in een soort verstarring of dodenhuis herschapen.

Die mogelijkheid geeft ons de kans om met gelatenheid het lot te tarten en de innerlijke helderheid te zoeken of te hervinden.

Ik besef dat ik een beetje prekerig overkom, maar ik wens je toch eerder een zalige slaap dan de neiging naar zijn halfbroer.
Laat je me vlug iets weten?

Je psychiater als ware zielevriend


een bericht van de spoorloze (28)

629_732fa9fd5999f68723d6b1d3ed955161

MOVING LANDSCAPES

Mr Wilde has said that sunsets are out of fashion. This defect could undoubtedly be coveredup if landscapes constantly moved around. The fact of seeing a landscape in the same place– is necessarily boring. The contrary would be charming. And spectacular. A cluster of trees migrating under the sky. Or a tree going on its way to the jungle – alone – straight– on its countless little, white legs.

But then people would invent cages to trap landscapes. And a landscape in a cage can’t feel very happy.

LUIS VIDALES

Translated by Nicolás Suescún

ben je inderdaad zo ver? (27)

312_3fc993641d9f434144a5bd31ca6368c5

Waarde Silvermann,

Aan de drukte in je winkel te zien ben je er nog tenzij er iemand anders je werk heeft opgenomen, maar mijn laatste brief is al meer dan een maand oud en nog steeds niet beantwoord.

Er is een kerst en een nieuwjaarsviering voorbij gegaan, en alleen de mooie spullen in je winkel lieten vermoeden dat je toch nog bezig was, dat je dus zichtbaar bleef voor de levenden.

Laten we dus maar hopen dat je niets overkomen is, al begrijp ik heel goed je bezwaren tegen de kunstmatige drukte van de donkere dagen die met lichtjes in de koopogen moeten worden opgetild tot een doenbaar niveau.

Laat me dus vlug iets horen, ik ben nieuwsgierig naar je zoektocht op weg naar het onzichtbare!

Je psychiater,

Dumortier G.