de heksen zijn gevaarlijk (51)

heksvanendor.jpg(mediaclass-fancybox.c6510c0e15414667d97bb714e21d090f477317ed)

Beste Theodore,

In tijden van verwarring, van sociale onrust, vergeten we telkens weer dat de tijd vooruitgaat, dat denken en analyseren ons eerder kan helpen dan paniek of morele verontwaardiging. De tijd staat niet stil dan, hij keert terug. Terug naar de mytische zoektochten naar het monster, de draak, de heks die ons betovert en wiens schuld het is dat het ons zo slecht gaat.

Vroeger werden heksen verbrand juist omdat vrouwen onafhanklijker kunnen leven, dichter bij de natuur staan dan hun hitsige soortgenoten, en dat hebben ze in grote getale bezuurd.
En telkens weer als het monster te veel op onszelf ging lijken, zochten we koortsachtig naar een reïncarnatie van deze heksen om ze op te jagen en te vernietigen, en dat doen we dan nog voor het goed van de mensheid ook, want stel je voor…

Hier valt de tijd telkens in scherven. Ook deze dagen. We lullen heel wat af over de rechtse Bush, over de macht van het kapitaal, de misbruiken in de Kerk, maar als het erop aankomt roepen wij luid: koop niet bij Joden, smijt de pedo’s in kampen of zet ze tegen de muur, geen genade voor de terroristen, weg met onevenwichtigen die dit land besturen, en lees er sommige bekende blaadjes maar op na.

WIJ ZIJN ONZE EIGEN VIJAND, waarde Theodore. Wij keren naar de primitiefste tijden als we beginnen te herkennen dat onze vijand inderdaad op onszelf gelijkt. Dat dulden we niet.

Ik hoop dat we aan deze hel mogen ontsnappen. De deuren staan open. En waar wij dachten dat er heksen woonden, kwamen we onszelf tegen.

Je psychiater en vaak net zo angstige G. Dumortier


de onzichtbare boog (50)

606_66dd2c357fd233076a6038c853e6bb75

Beste Psych,

Vervalst of niet, soms is de tijd niet om te dragen. Er worden pijlen op je afgeschoten waarvan je de boog niet kent, er wordt met modder en afval naar je gegooid omdat de jaloezie het haalt op de deemoedigheid. De vijand moet afschrikwekkend zijn, want we zijn bang dat hij natuurlijk te veel op ons gelijkt. Maak een monster van iemand anders dan ben je zelf vrijgesproken van elke aandrang. Schiet de pijlen om zelf niet beschoten te worden.

Hier stuur ik je dit prachtige beeldje van amor. Zijn boog is verdwenen maar zijn pijlen voel je, ook zonder het commercieel Valentijnsgedoe, ze zijn er, en het moeten niet alleen de beeldschonen zijn die ze afschieten of ontvangen, met dezelfde warmhartigheid vuurt amor zijn pijlen zonder onderscheid van jaren of afkomst.

Is hij een goede schutter, of bedriegt hij ons zoals de Tijd dat doet? Vuurt hij de waan op ons af of de werkelijke verbondenheid? Gaan de pijlpunten etteren in onze ziel of maken ze de mooiste dingen los?
Ik denk dat we niet de schuld op zijn schattig nekje moeten schuiven maar dat we de wondes tot etterbuilen of glorierijke openingen voor het schone kunnen cultiveren.
Hijzelf staat er lachend bij, met zijn onzichtbare boog. Hij heeft de tijd.

Je telkens weer rechtkruipende patiënt, Theodore Silverstein.


onder het klaprozenveld (49)

6f642512036aea2e2d2dc94332309474

Waarde Theodore,

Deze momenten van fixatie -alsof de tijd stilstaat- zijn gelukkig onderhevig aan dezelfde wetten van de leukere gebeurtenissen: de tijd gaat voorbij. Ons ervaren van tijd bepaalt inderdaad de subjectieve snelheid, want een seconde blijft een seconde, maar ik kan me voorstellen dat de armen van de geliefde de tijd anders laten verlopen dan de boeien in een tochtige gevangenis.

Zo zijn er naast geldvervalsers, ook tijdsvervalsers: de herinnering is een slechte moeder van het arme kindje dat waarheid heet.
Waarschijnlijk heeft de schilder dit veld zelf waargenomen, is hij met zijn schildersezel ter plekke gaan werken, maar het moment van lichtinval en het trage drogen van de verf, maken het onmogelijk om een werkelijkheid te vatten. We zouden het kunnen met een 1/500ste sluiting van een fototoestel, maar we missen dan de 499 andere duizendsten, of we konden zelfs dit vijfhonderdste nog in kleinere onderdelen indelen.

Wij vervalsen de tijd. Als we ons verhaal vaak genoeg vertellen, leggen we het vast in onze zelfwaan: zo was het, terwijl de werkelijkheid heel anders plaats vond. We vergelijken onze ervaring met de ervaring van anderen en passen onze werkelijkheid vaak aan hun gegevens aan, want dat komt ons beter uit, daarmee scoren we terwijl ons verhaaltje misschien niet meer dan een anekdote was.

De ongrijpbaarheid van de tijd zorgt voor de meest grove leugens bij gebrek aan zelf-analyse. In een onbewaakt ogenblik zullen we moeten toegeven dat het gebeuren toch anders plaats vond, dat we de tijd handig hebben aangepast, en dan is er nog slechts één stapje: het durven toegeven en op zoek gaan naar de waarheid ook al is die dan niet zo fraai of succesvol.

Wij, de tijdsvervalsers, hebben de waarheid in pacht, en de zon gaat nooit onder boven het papaverveld.

Uw dienstwillige Psychiater, G. Dumortier


boom met kraaien (48)

113_581b56a6ee09900305be8925933f68e8

Soms staat de tijd stil.
Alleen de kraaien krassen in de kale bomen.

Hun woorden als dolken
in de stilte.

Verheug je, nog even
en mijn takken breken
onder hun vieze leugens.

Mooi opgeruimd zo’n stomme dode boom.

Je Theodore


de vleugels van de liefde (47)

355_baa99bead4dfa2325e88128585072839

Waarde Theodore,

Ik kan je niet tegenspreken waar je het over de wreedheid hebt. Het is een boeiend gezichtspunt, beste Theodore. Wij wreken onze eigen dood in de anderen. Hield Freud zich onledig met de seksualiteit als voornaamste drijfveer, Adler met de dood en Jung met de religie of het mythische als toegang tot het onderbewustzijn, dan zouden wij kunnen ingaan op jouw beeld: de jaloezie als verwoester, als wraakgodin.

Ik heb het dan niet over de alledaagse jaloezie, de sjiekere auto, de mooiere vrouw, het grotere huis, al moeten we ook daarvan de vernietigende kracht niet onderschatten. Hier gaat het over de vaak goed gecamoufleerde jaloezie die heel ons gedrag doordrenkt: ik ben sterfelijk, jij ook, maar je hebt nog veel meer tijd dan ik, of kracht, of schoonheid, of moed…

Een vriend duidde me ooit de vreselijke slachtingen van de eerste wereldoorlog (Ieper, Verdun) als de wraak van een stel oude mannen aan Duitse, Franse en Engelse kant op al die mooie jongens die het nieuwe Europa en de nieuwe eeuw nog voor zich hadden terwijl zij meestal behoorden tot een uitstervende generatie van 19de eeuwse generaals, verbonden met de keizerlijke of koninklijke machten.
Ze hebben, onder het mom van God en vaderland, hen zonder nadenken de dood ingestuurd en als je door de Westhoek rijdt dan getuigen de duizenden witte steentjes van hun ongeleefd bestaan.

Het is die wraak, die jaloezie die ook de Franse beeldhouwer Corbet heeft aangevoeld in zijn  ‘le temps coupant les ailes de l’ amour’.
De jonge eros verliest door de tijd zijn vleugels, zijn aantrekkelijkheid. De verwoestende tijd heeft het hier op “de liefde” gemunt, en hij zal zonder pardon de schoonheid van zijn vleugels beroven.
Het is een mythisch beeld, en ik denk dat de wraak van de oude man (of hij vadertje Tijd is of niet) zijn moraal aan de wereld opdringt omdat hij zelf zijn vleugels (schoonheid, verstand) is kwijt gespeeld en hij niet de wijsheid in pacht heeft, maar alleen nog de wraak, het zinnetje: het is voor je eigen bestwil, enz.

Als antiquair heb jij dus het geluk dat de ouderdom juist de schoonheid vleugels GEEFT,  een grote gift van het leven.

Uw genegen psychiater G. Dumortier


de verslinder verslonden (46)

454_689b94c94444c0360dceac977a3f3e5a

Waarde heer G.

Zal ik er nog een schepje bovenop doen om uit datzelfde Rijksmuseum in Amsterdam dit griezelige loodglasraampje te copiëren?
Laat hen dan nog van een Antwerpenaar zijn met de naam Pieter Coecke van Aelst, gemaakt in 1550.

Een gevleugelde man, de tijd (het werk heet: de triomf van de tijd) verslindt een kind terwijl onder zijn kar allerlei mensen worden verpletterd.
Het beeld laat aan niets te wensen over: de tijd is een verslinder, hij spaart niemand. Natuurlijk 1550 was geen rustige tijd: de macht van de Inquisitie neemt toe, Hendrik II van Frankrijk begint militaire acties tegen Keizer Karel V (50 jaar geworden) terwijl het concilie van Trente voor de 2de keer bij elkaar komt.

En in dat jaar maakt Coecke van Aelst zijn glasraampje: de verslindende tijd.
Het beeld van die verslindende tijd zal heel lang blijven leven en in menig schilderij en muziekstuk wordt het triomfthema van de tijd herhaald.
De gemiddelde levensduur van een mens is dan ongeveer 33 jaar, de grote meerderheid heeft honger, de Spanjaarden regeren met ijzeren vuist, Filips II, zoon van de jolige Karel wordt trouwens dat jaar als opvolger aangeduid.

Vergeef me mijn geschiedenisles, maar de wreedheid van de tijd uit zich nog altijd in dit tijdperk met atoomklokken en sportprestaties gemeten met duizendste van een seconde. Mijn beroep van antiquair probeert die tijd te stagneren door oud en nieuw samen te brengen en de illusie van een timeless collection op te roepen, een ware utopie.

Wij leven alsof we nog duizend jaar te gaan hebben, zo wreed zijn we voor elkaar. Voelen we ons door de tijd beschadigd dan maken we alle duivels los om ons gelijk te halen en veranderen we in vraatzuchtige geldeisers die de gelede schade doen vergoeden. Verzekeringen hebben voor alles een tarief, arm kwijt, zoveel geld, been is zoveel, linkerhand echter maar zoveel tenzij je linkshandig bent.
Dat oude woord barmhartigheid hebben wij verbannen omdat we zelf de tijdverslinder  zijn geworden. Wij eisen voor elke verloren seconde schadevergoeding, voor elk vermeend niet al te gelukkig tijdvak mogen er koppen rollen.

Als ik naar dit glasraampje kijk, bekruipt mij de angst dat Auschwitz niet eens 60 jaar voorbij hoeft te zijn.

Uw vrij pessimistische patient Silverstein


vadertje tijd (45)

874_6cebfd4f90a7044307c2ce4683300836

Beste Theodore,

Het probleem van “de tijd” is blijkbaar niet nieuw, want ik vond op mijn reizen door Europa in Amsterdam deze mooie afbeelding van vadertje tijd.

Hij heeft net het groene doek weggetrokken en daaronder vindt hij een weegschaal, aangevreten koolbladeren en een spiegeltje met een slang.
Het doek werd in 1810 geschilderd door een zekere Pieter Cornelis Wonder van wie mij verder weinig bekend is. Maar het gaat om het beeld: hier is de tijd duidelijk geïsoleerd van de rest van de wereld, bedekt met een doek: het wikken en wegen, het spiegelen en de listen die wij gebruiken, het is allemaal zo tijdelijk als de aangewreten koolbladeren, allemaal voorbijgaand. Nog even en hij laat het doek terug neer zodat wij weer onze blinde gangen kunnen gaan.
De oude man is duidelijk naar model geschilderd en zijn vleugels zouden best zwanenvleugels kunnen zijn: oud en toch gevleugeld, het tempus fugit waarover jij sprak helemaal in beeld gebracht.

Hier is “onzichtbaar-worden”verdwijnen onder het doek: eens hij de instrumenten niet meer nodig heeft, worden ze weer onzichtbaar onder het groene laken.
Dat heeft iets kinderlijks: kinderen die hun handen voor hun gezicht houden en denken dat niemand ze nog ziet. Vergeten wat gisteren is geweest, of heet dat vertekenen? Bedekken met de mantel van haat of liefde, van onverschilligheid of vergetelheid: als de instrumenten er niet zijn, staat de tijd stil. Pa kan alleen nog zijn vleugels gebruiken om weg te vliegen, om ons over te laten aan wat jij in je winkel “timeless” noemt.

Die bedekking staat natuurlijk de ware onzichtbaarheid in de weg: ofwel houden we ons krampachtig vast aan het vermeende verleden of de gedroomde toekomst (beiden hebben nooit bestaan) ofwel zoeken we naar de schuldige die ons verslonden heeft want de tijd gaat voorbij, verslindt telkens weer wat we daarstraks nog voor waar hielden.

Hier echter trekt de Tijd het doek weg. Zo dadelijk hanteert hij de weegschaal, houdt hij ons een spiegel voor en zal de genezende esculaap ons vanzelf weer helen van opgelopen verdriet of te veel gekoesterde wanhoop.

Is het een mooie aanvulling van jouw prachtig donk-donk beeld?

Je zieleheler, G. Dumortier.


en wat je niet hoort (44)

252_3c35432b107a419bde40a0fe20468ab9

Psychie,

Elkanders heelmeester worden is natuurlijk één van die ideaalbeelden die op deze “gedichtendag” in alle talen zullen bezongen worden.

Ik was ten zeerste verbaasd hoe secuur je “de onzichtbaarheid” benaderde vanuit het schilderij met het theepotje, dat prachtige theepotje (ik heb er hier ter plekke ook nog een aantal staan zowel uit Azië als uit Duitsland of Frankrijk) dat Chardin voor ons onzichtbaar maakte voor de genadeloze tijd. Alhoewel…

We zijn natuurlijk afhankelijk van deze wrede meester, de Tijd, om zelfs het onzichtbare, het uit de Tijd gehaalde, in de Tijd te beschouwen. Hoor je hem lachen? Meer nog dan de dood op schaatsen heeft hij het “fugit” in handen. (tempus fugit, de tijd snelt heen) Maar hij gebruikt geen wiegende bewegingen, hij is in de tik van de klok hoorbaar, zijn naaldhakken steken diepe wondes in ons besef van tijdelijkheid.

Ik keer terug naar mijn vorige stellingen: wij zijn niet tijdelijk, maar in de tijd, (en dat is een idee van de andere Chardin, Theilard de…) en of je dat nu wilt of niet, zelfs die bewering blijkt erg relatief te zijn, als we het genie van Einstein mogen geloven waarin de tijd een onderdeel van energie gaat worden en dus onderhevig is aan de relativiteit. (een mooie woordspeling overigens: relativi-tijd)

Dat oude woord “deemoed” komt hier ten zeerste van pas: het in de tijd zijn immers verbindt ons met het verleden en de toekomst, als die begrippen al kunnen gedefinieerd worden.
De onzichtbaarheid wordt het uitvegen van die verbindingstrookjes. Herinner je de vroegere treinreizen, donk-donk, donk-donk, het geklik van de stukken waar de spoorstaven aan elkaar gelast waren. Dat is verleden tijd. We glijden van a naar b. De ijzeren weg zoals hij zo mooi heette is ons voorgegaan in het uitwissen van de hinderlijke overgangen.

Daarom stuur ik je op gedichtendag geen tekst maar een prentje uit het 19de eeuwse Engeland: een kwartet musici in een onwezenlijk decor.
Zet je er zachtjes bij, sla je arm om iemands schouder zoals de twee vrouwen staan te luisteren naar het onhoorbare.
Ik ben er zeker van dat het onze pijn makkelijk overstijgt, want hoe dan ook, de overgangstukjes, de donk-donk blijven ons pijn doen, maken ons komen en gaan soms maar al te duidelijk.
Over die donk-donk klinkt de hemelse melodie die ik je niet kan beschrijven maar die uit deze prent beetje bij beetje hoorbaar wordt.

Je moeë, vaak verdrietige maar beetje moedige, Theodore Silverstein, antiquair.


het onzichtbare uur (43)

550_d264ffab04b2ab15286547e4d427aaf7

Goed op dreeef zijnde Theodore Silverstein,

Met enig genoegen las ik je laatste brief.
Mijn waardering ten aanzien van jouw persoon heeft zeker met je vinnige replieken te maken. Ik ontwikkel erg zelfgenoegzaam een serie beelden die ik als lauwe compressen op jouw gekwetst hoofd wil leggen, en jij maakt er witte vlaggen van die ik op mijn prekerige burcht moet hangen ten teke van overgave, en dat in beide betekenissen van het woord.
Hoor je ze wapperen in de koude noorderwind die ons deze dagen teistert?

Ik kan je alleen maar antwoorden met het zelfportret van je geliefde schilder, een zelfportret bij zijn ezel terwijl hij druk bezig was met een doek op te zetten. (hij houdt een pastelkrijtje vast.)
Toen ik dit portret de eerste keer zag, was ik zeer ontroerd. Ik had allerlei opstellen en interpretaties over Chardin gelezen, bewonderde zijn zilveren bekertje, ging mee met de kaartspelers, de alledaagse taferelen, en ik verwachtte een wijze man, een genie, gegroefd gelaat, edel van uitstraling, doorploegd van de aardse voorbije jaren.
Maar in plaats daarvan krijg ik een wat olijke oudere mens te zien, muts op het hoofd gebonden alsof hij net uit een verdachte kroeg kwam, brilletje op de neus, fonkelende oogjes, kortom helemaal niet de Chardin zoals ik hem mij had voorgesteld.
Maar wat een opluchting dat hij zichzelf zo menselijk, zo alledaags heeft geportretteerd, want dan worden zijn doeken pas helemaal van ons.

En nu keer ik terug naar de eerste zin van het mooie gedicht van Oerlemans: “Onzichtbaar is het uur,”.
Zoals hij daar staat te schilderen en bijna als een jongen nog naar de werkelijkheid kijkt, de speling van het licht, maakt dat nu net de onzichtbaarheid uit van de tijd. Hij maakt het voorbije uur, de uren, dagen, nachten waaraan hij gewerkt heeft onzichtbaar door zijn palet. Hij moet zichzelf niet opblazen, niet met opzet maniëristisch doen, cultuurbedrijvend uit de hoek komend, neen: de tijd waarin de theepot op het doek is gekomen, maakt hij voor ons onzichtbaar, en wellicht is het die onzichtbaarheid waarover je schrijft?

Onze woorden gaan verloren in de wind, maar de kunstenaar maakt het uur onzichtbaar, en daardoor overleeft hij alles en iedereen: ook al zal het doek met de theepot, de druiven en de kastanjes morgen vernietigd worden, in de ogen van duizenden is het werk binnen gekomen in de onzichtbaarheid van het essentiële, wat de kleine prins zo mooi zegt: l’ essentiel est invisble pour les yeux.

Ik denk dat we elkaar naderen: de tango of de trage wals hoor je boven het gedruis van onze pogingen uit.

Je G. Dumortier


een scheve schaats? (42)

454_fc3bf69d231a89cc210faf64b02446b0

Beste Psych,

Lanceer ik even een mooi beeld, niet eens van mij maar van een echte dichter (Oerlemans) en krijg ik me daar een metafysische preek op mijn dak alsof ik op het punt stond elk ogenblik van deze aardbol te verdwijnen.

Ik waardeer je beelden, je mooie zinsneden, ik heb oog voor de beeldrijke nuances en de hoopgevende ondersteuning, maar waarde G. Dumortier, de dood zit ons inderdaad al van bij de geboorte op de hielen, dus waarom denken dat ik mij meer dan andere schepselen bedreigd voel door zijn koude adem?
Hij heeft al zijn schaatsen aangebonden zegt de dichter, en dat zou nu net zo goed op een verwijdering kunnen duiden: hij schaatst er vandoor terwijl ik op land mijn evenwicht probeer te bewaren.

Natuurlijk is het een beroepsafwijking, het siert je zelfs, de labiele mens (en wie is dat niet?) te ondersteunen of minstens te troosten, maar het is een scheve schaats, waarde psych.
Ik vond de tekst vooral mooi omdat het zo’n eenvoudige verwoording van de evenwichtsoefening was die we elke dag moeten uitvoeren, willen of niet. De dunne vogelbenen, de schaatsende dood, er zit een wat glijdende beweging in hun verschijnen of verdwijnen.
Dat is een mooie manier, eigen aan de tango, de trage wals, het schaatsen, het is een ingehouden vorm van benaderen en, net op het moment dat onze werelden elkaar zouden raken, draaien we beiden de andere kant uit, geven we elkaar de kracht om ons zelfstandiger te bewegen en zwieren we weer naar elkaar.

Zo verdwijnen ook de kunstwerken, waarde psych. Ze komen eerst nog duidelijk in beeld, naderen zoals een ruimte-ontdekker de aarde om dan met een krachtige stoot het heelal te doorkruisen zonder nog enige hoop op terugkomst tenzij langs beelden via hun gesofistikeerde camera’ s.
Ik stuur je hierbij een mooi schilderij van een van mijn lievelingssschilders uit de 18de eeuw, namelijk Chardin. Hij ontdekte dat er niet alleen glanzende harnassen, draaiende engeltjes en wijdse landschappen of marines in beeld te brengen waren, maar dat de alledaagsheid haar diepe schoonheid had.
Denk nu niet dat er weldra druiven zullen verwijnen, dat de theepot in stukken zal breken. Dat kinderlijke verdwijnen behouden we aan televisieprogramma’s voor, maar ze zullen opgloeien zoals vallende sterren. De theepot uit de 18de eeuw zal nog even op de tafel van ons oog staan, en daarna…?

Dat vertel ik je later wel. Bekijk het tafereel nu het nog kan.
Het wonder dat licht van de voorbije eeuwen ons bereikt is niet alleen de verre sterren gegeven, maar ook de doeken van de kunstenaars.

Uw aarzelende patient, Theodore Silverstein.


al bij de eerste stapjes (41)

416_ccc0d7029686f40a9699488f3db7bfd5

Waarde Schaatser,

De uitdrukking “je op glad ijs begeven” is ons allen bekend.
Er is niet veel keus, beste Theodore. Aan de kant blijven is uitgesloten, en al bij de eerste stapjes bindt hij mee de schaatsen om. Meer nog, hij helpt je zelfs om recht te blijven.
Hij is voor sommigen een vijand, voor anderen een passionele vriend, maar voor de ware schaatser hoeft hij niet meer (en niet minder) dan een aanwezigheid te zijn die ons de smaak van het landschap niet kan ontnemen, noch minder de langzame extase van het evenwicht, en zeker onmachtig is als het over je eigen koers gaat, je elf- of honderd stedentocht.

Zelf heb ik hem nooit afschrikwekkend gevonden, deze onbestaande, die door onze eigen angsten is gecrëeerd zoals wij het eeuwige leven en de rijstpap met gouden lepeletjes hebben geschapen om alle angsten van deze schaatsbaan te bedwingen.Ook al wandelen wij zoals de vogels op dunne benen (zeker nu het buiten gladjes is) we moeten hem gewoon recht in de holle ogen kijken zodat zijn waanbeeld als in een nachtmerrie in duigen valt.
En zij die roepen dat deze schaatser tenslotte altijd bij de eindmeet staat waar wij ook naar toe schaatsen ,(Isphahaan!) zij vergeten de golvende beweging die hun aanwezigheid heeft veroorzaakt, zoals een miniem steentje grote kringen in de vijver maakt, ook lang nadat het op de bodem ligt.

Ik weet het, wij leven bij gratie van onze voorstellingen, de allegorieën zijn onze adem en maken het mogelijk ons verhaal te vertellen, maar al bindt hij zijn schaatsen aan, telkens weer zijn er kleine voetjes die hem voorbij schieten ook al denkt hij met ons zijn buit binnen te hebben.

Ik moedig je evenwichtsoefeningen verder aan, waarde Silverstein,

Je psychiater, G. Dumortier


alles wordt zo dun en licht (40)

946_cf2b5bed449a1d1ab03d1711796846cb

Beste Psych,

De jongen op je schilderij is Leon Suys, zoon van de bekende Belgische architect. Het schilderij is in 1831 gemaakt, Belgïe was nog jong, net zoals de 19de eeuw.

Ik vertel je wat de jongen droomt:

Onzichtbaar is het uur, onhoorbaar
de tred der dunne vogels
onmerkbaar de voorspelling
van de dood die zijn schaatsen
al heeft aangetrokken.

J.W. Oerlemans uit: De tuinen van de Dodeman – Bert Bakker, Amsterdam 2002


tussen droom en werkelijkheid (39)

899_8a93eb6241ed5b9c9fe664fca896edbc

Jeune Homme songeur Silverstein,

De kracht van de fantasie helpt de mens meer dan wij vermoeden om te overleven.
Jouw laatste brief is daar nog maar eens een bewijs van.
Wie ben ik dus om me denigrerend uit te laten over jouw vaststellingen dat de kunstwerken verdwijnen bij gebrek aan belangstelling?

Als psychiater ken ik het verschijnsel pseudologica fantastica, wanen creëren waarin men zelf gelooft, maar doen we dat niet allemaal als het op lijfs- of zielsbehoud aankomt? Scheppen we ons niet de wereld die nodig is om met onze persoonlijkheid enigzins het hoofd boven het klassieke water te houden?
Dreigt onze wereld te verdwijnen dan verzinnen wij het verhaal dat met ons de wereld zal ten onder gaan, en het après nous le déluge blijkt telkens weer een poging te zijn om de continuïteit te ontkennen en met ons einde ook de schepping te beëindigen.

In jouw geval gaat het over “onzichtbaar” worden. Als het jou niet dadelijk lukt, komt het je maar al te goed uit dat er minstens al een beweging naar onzichtbaarheid onder de kunstwerken bestaat zodat jouw persoonlijke poging blijkbaar door de wereldcultuur ondersteund wordt.
Ik wil niet dadelijk van pretentie spreken, maar ik denk wel dat je me begrijpt als ik zeg dat je wanen vormen aannemen die niet dadelijk op enige nederigheid duiden.
Het is een leuk idee voor een roman, scenario of essay, en waarschijnlijk is het je vermoeide en getergde geest die dit idee verlevendigt en het woord vlees laat worden om het met Johannes te zeggen. Maar let op dat je niet de pedalen verliest, waarde Theodore. Menig mens hoorde stemmen, zag verschijningen of ontdekte complotten en ging zo in zijn of haar waan op dat hij/zij inderdaad de wereldgeschiedenis veranderde, en meestal niet ten goede.

Om je te troosten stuur ik je een nog aanwezig kunstwerk: jeune garçon songeur, en nog wel van iemand van bij ons, ene zekere François-Joseph Navez die in 1787 in Charleroi geboren werd en in 1869 in Brussel stierf.
Het is een donker doek, het doek zelf is droom geworden. Alleen de ogen van de jongen zijn nog zichtbaar, en daarmee kijkt hij naar de werkelijkheden die zich in de tussenzone afspelen.

Bekijk het doek waarde Theodore en vergelijk de staat van je dromende ziel met de toestand van de jongen. Wellicht komt je geliefde onderbewustzijn naar boven op deze momenten, proef ervan, maar geraak er niet aan verslaafd zodat de brutale werkelijkheid je niet verplettert.

Je strenge maar bezorgde en vaderlijke psychiater G. Dumortier


en het zal nacht zijn (38)

672_880699fccead0b12abec2dce2988c61d

Beste Psych,

Er zijn wel meer werken niet meer zichtbaar in het Louvre. Natuurlijk is daar een uitleg voor. Een kwestie van afwisseling, rechten, restauratie, en noem maar op. Maar waarde heer zielezorger, je raakte, zonder het te beseffen, de kern van het probleem. De kunstwerken hebben er genoeg van. Ze verdwijnen.

Neen, het is niet de afzondering, niet de drukkende stilte, nog minder de dreiging van onbekend onheil, daar hebben we ons met de wijze Seneca tegen gewapend door het allerergste scenario voor de geest te halen en in alle rust verder te werken aan dingen die belangrijker zijn dan het eigen povere lot.
Ik ben in mijn werkkamer omringd door het verleden. Een grote Amerikaanse kan van net na de burgeroorlog, Japanse theebusjes, Frans porselein en Engels zilver uit de 19de eeuw, het zijn mijn vrienden, vaak meer dan de mensen ooit vrienden konden zijn.
Niet dat ze daarom beter zijn, betrouwbaarder wellicht wel, maar als je even niet kijkt, pronken ze met vervalste merktekens en lachen ze je uit als je hen honderd jaar te veel op hun kerfstok geeft, of je hen naar het Oosten verwijst waar ze in handige Amerikaanse ateliers gemaakt werden tussen 1910 en 1940.

Maar…daar ben ik dan zelf verantwoordelijk voor. Ik had beter moeten weten, en ook als ik ze ontmasker zijn ze niet boos, maar pronken ze met de kunde van hun vervalsers of met de eigenschap dat een goede reproductie vaak het origineel in alles overtreft.
En ze krijgen aandacht, beste Psych. Ze worden vastgenomen, bekeken, beklopt, onder de loupe genomen, letterlijk en figuurlijk. Vaak staan ze me ’s morgens op te wachten en laten ze weer een heel andere kant van hun persoonlijkheid zien door de inval van het licht dat immers geen dag hetzelfde is.

Daarom zoek ik met grote zorg nieuwe eigenaars voor ze uit, prijs ik hen naar waarde en neem ik node afscheid als het moment gekomen is.
Andere kunstwerken echter hangen jaren in de dure reservekluizen, worden door hun eigenaars verborgen want wat is het licht schadelijk, krijgen zeldzaam een plaats op een tentoonstelling omdat ze uit de mode blijken te zijn, kortom ze worden VERGETEN.

Daarom verdwijnen de meeste kunstwerken. Ze worden onzichtbaar, en ik kan het weten want ik hou mij met dezelfde doelstellingen onledig.
Slimme conservators hebben kunstdieven ingeroepen om die onzichtbaarheid te verklaren (herinner je de botte historie rondom Munch’s schreeuw, toch te belachelijk om er ook maar een honderdste van te geloven!)anderen zeggen dat de verdwenen werken in restauratie zijn of hangen reproducties in hun plaats die om dezelfde onverklaarbare redenen verkleuren zoals foto’s die niet gefixeerd werden.
Ze proberen hen te paaien met enkele indrukwekkende tentoonstellingen, maar het waren net die stukken die al honderden jaren alle aandacht kregen, want ook onder kunststukken zijn er klassen, meerderen en minderen.

Ik zie je naar je geneesmiddelenboekje grijpen om mij dringend iets voor te schrijven dat me weer eens van mijn wanen verlost, maar doe geen moeite. Ik lever je het bewijs.
Ziehier een mooi voorbeeld.
Dit is “de nacht”, een cartouche op linnen die nu zogezegd in het Louvre wordt gerestaureeerd. Geloof het niet. De nacht verdwijnt. Beetje bij beetje zal hij onzichtbaar worden.

Hoe ik dan aan het beeld kom?
Beste Psych, ik kan je niet alles zeggen, maar wees ervan overtuigd dat ik de waarheid spreek.
Nog even en we zullen slechts de Mona Lisa’s Apollo’s, Mozessen, van Gogh’s en andere stuf ontmoeten als we het over kunstgeschiedenis hebben, de rest zal zelfs op reproductie ONZICHTBAAR geworden zijn.

Denk daar maar eens over na,

Uw dienstwillige Theodore Silverstein


de diepte (37)

964_1266dd84996b73ca310de1b21db0a3ba

Beste Theodore,

In het revolutiejaar 1848 schildert ene Léon Bénouville (hij is dan 27 jaar) een merkwaardig portret.
Hij schildert de drie dochters van de familie Jacob-Desmalter.
Ik zie je kijken en je wenkbrauwen fronsen: wat er is nu in godsnaam merkwaardig aan het schilderen van een portret, ook al is het dan met 3 meiden ‘bemand’?

Kijk goed naar het portret. Het hoort bij de collectie van het Louvre, maar…het is daar voorlopig niet te zien. (onzichtbaar zei U?)
Het kleinste meisje leunt heel vertrouwelijk tegen haar zusje. Ze kijken beiden recht naar …de camera, de schilder dus.
De oudste, al een jongedame met erg modern en voornaam kapsel (denk aan onze eerste Belgische koningin) kijkt naar een onbekend punt buiten het schilderij. Moest ze die kant uitkijken om de compositie terwille te zijn, en zo ja, waar was haar blik op gericht, wat hield haar de ganse tijd van de eerste schetsen tot het opzetten van de kleuren bezig in die onbekende hoek?
Een tweede mysterie is de diepte in het doek.
De schilder gebruikt geen kamer, geen perspectieflijnen van een wand, spiegel of huiselijk decor, hij laat de kinderen uit het zwart van de omringende donkerte verschijnen en alleen het donkerrode van de zetel en het decor op het kussen achter de rug van het tweede meisje laten ons vermoeden dat er een omgeving zou bestaan.

Misschien werkte hij in zijn atelier, misschien had hij de zware overgordijnen van de sjiekste kamer van het Desmalter huis toegetrokken en was alleen de plek waar de zetel stond nog licht of verlicht?
Hoe dan ook, er ontstaat een wonderlijke diepte in het schilderij. Het lijkt wel alsof de kinderen drie-dimensioneel aanwezig zijn. Ze hebben zich van het canvas losgemaakt en wachten op het teken om op te staan en weer aan het spel of de lectuur te gaan.

Waar ik naar toe wil, beste Theodore?
Ik wil je duidelijk maken dat het zwarte van ons leven, de duisternis, de depressie, de rampspoed soms noodzakelijk zijn om ons reliëf te geven, om onze ketting waarover jij zo mooi sprak in je vorige brief, weer losser te maken.
Ze lost het onnodige op, de diepte, verscherpt de dimensie van ons bestaan en wacht op het teken om ook weer te verdwijnen als we de gordijnen opentrekken en weer aan het spel of het werk gaan.

Het is een mysterieus portret. De schilder hield trouwens van mystiek want van zijn hand zijn verschillende doeken die in de richting tussen hemel en aarde wijzen, een kramp eigen aan de moderne Victoriaanse tijd waarin niet alles op de kap van de nieuwe moderne uitvindingen kon geschoven worden.
Het is dus een stap naar de onzichtbaarheid waarnaar je op weg meent te zijn.
Ik weet dat je weldra zult opstaan, dat je nog even naar de schilder kijkt en dat daarna het beeld leeg zal zijn.
Maar dat is een ander verhaal.

Ik wens je veel stilte, veel moed om in dat teken om-op-te-staan te geloven.
Kijk hoe de kinderen je aanstaren, met dat geheimzinnige lachje in hun ogen, het zweempje melancholie, alsof ze toen al wisten, in 1848, dat hun zichtbaarheid op doek zou dienen als kamerscherm waarachter zich hun levens tot ver in hun achterkleinkinderen telkens weer zouden oplossen.

Je kunstzinnige psychiater, G. Dumortier