DE PAPIEREN MENS

READ7

Het mysterieuze in iemand laat zich na jaren een beetje kennen.
Je geliefde waarmee je leeft, een vriend(in), een ouder.

Waarschijnlijk leer je mensen mondjesmaat kennen door met hen samen te zijn.
Of zoals een citaat uit een Chinees gedicht:

Slechts één trap
ben je in mij afgedaald.

Toch steunen wij voor de meeste oordelen op een papieren mens.
Of het nu gaat om studieresultaten, een psychologisch of psychiatrisch rapport, een vonnis, een sollicitatiebrief, een werkrapport, al te gemakkelijk doen wij onze kennis over iemand uit papier op om ze dan weer aan papier toe te vertrouwen.

Heel essentieel: de projectie.
Een schoolvoorbeeld: de psycho-analyse.

Interpretatie van beelden en emoties lijden meer onder projecties van de interpreteerder dan dat ze materiaal verschaffen over de persoon of zijn/haar zielestoestand.

We lijden in onze gedachten-verstijving (een stadium dat aan de ideologie of aan de grootste gemene deler voorafgaat) snel aan bevestiging van wat vaak via het papier opgeld heeft gemaakt. (pers, publicaties)

Het feit dat wij in dit land zo’n massa kalmeer- en antidepressiva-pillen slikken heeft zeker met de angst te maken om niet in Procrustes’ bed te passen.
Wie te klein is wordt uitgerokken, wie te groot blijkt ingekort.

Papieren mensen zijn alleen boeiend als romanpersonage.
In de oordelende vorm is papier heel geduldig.

En woorden pompen zichzelf op zoals gedevalueerde aandelen.
In de stilte hoor je hen sissen.


DE FRAGMENTARISCHE MENS

monica castillo

Het was een oud-Nederlandse bisschop die het treffend over de dood had, enkele maanden geleden, net voor zijn ‘pensionering’.

Of hij bang was van de dood?
Hij keek niet eens op, schudde het hoofd en zei: je moet eerst al eens gestorven zijn, en daarna daarvan bevrijd verder leven, en dan is de dood gewoon een deel van dat leven.

Al eens gestorven zijn.
Hij bedoelde vast niet de bijna-dood-ervaring, maar hij had het over de dingen die je kunnen overkomen en die aanvoelen alsof je sterft.

Het verlies, de vernedering, grote vergissingen, het onbegrepen-zijn, enz.

Ik besef dat er mensen zijn die vanuit een soort oppervlakte leven waarin al deze vragen niet eens opkomen.

Dat aantal doden dat je sterft, is anderzijds ook beperkt-houdbaar, ik bedoel: niemand is zo sterk dat hij het ene leed na het andere kan torsen zonder diepe schade op te lopen.

Toch hebben wij als moderne verwende mens een lage stressdrempel.
We verwarren ons ego met de ziel, terwijl het ego de ziel in de weg zit.
Als we denken dat iemand onze ziel kwetst is het eerder ons ego, en als we ons manifesteren doen we dat ook eerder met dat verdomde ego dan wel met de ziel.

Ook in de kunst komt meer het ego aan bod dan wel de ziel.
Je zou de ziel kunnen vertalen als ‘wezen’, een mooi woord waarin het woord ‘zijn’ is gevat, en ook het bewustzijn, er wezen.

Toen in de slecht gemaakte reportage over de hedendaagse kluizenaar, de voormalige abt van de trapisten op de Catzberg, de opdringerige interviewer hem vroeg wat de essentie was, antwoordde hij: loslaten.

Dat is inderdaad denk ik de kern: los-laten.
Het ego laat niet vlug los.
Het bijt zich vast in zijn (vermeende) eigenwaarde en is vreselijk down als die wordt aangetast.

23835475

Publiciteit, filmen en series richten zich zelden op het ‘wezen’ maar meestal op het ego.
Ze willen dat het ego schittert, clean is, welvarend en vooral consumerend om zijn bestaanswijze te rechtvaardigen.

Je kunt het ego fragmenteren, de pearl bril voor de ogen, de geurtjes voor neus, de nieuwe smaken voor de tong, kortom je hoeft je nooit om het ‘wezen’ van de mens te bekommeren want dat is geen ‘target’, integendeel, het zit de publiciteit in de weg.

Er is immers voor de publiciteit en de media niets met filosofie te verdienen.
Media vereenvoudigen, of beter versimpelen de normen.
Je zult hen de term normvervaging in de mond zien nemen terwijl het wezen van de mens norm-bevraging nodig heeft.

Voor de media zijn grootste gemene delers een waar succes: de oude antieke held verdraagt bij de media geen tegenstellingen, hij is ééndimensionaal, heeft als voorbeeld te dienen, moet voldoen aan onmiddellijk resultaat en wordt afgestraft als hij buiten die vette krijtlijnen komt.

Het ego is als een onthoofd wezen.
Het hoofd zit immers de markt in de weg.
Alles moet het lijf dienen, je moet de welvaart vereenvoudigen tot veiligheid en comfort waar het wezen vragen durft stellen over het individu, over de angst, de onvolkomenheid, over pijn en dood.

Zo moet de consument nooit die doden sterven waarmee we begonnen zijn, want als hij consumeert zal hij eeuwig leven.
Weet echter dat voor iedereen die dit leest er van die stervensmomenten zullen komen waar geen enkele voorbeeldfunctie of kunstmatig paradijs van mister Proper tegenop kan.

Geboren worden in een nieuw leven en sterven uit het oude, het is een pijnlijke, vaak vernederende ervaring, en de vraag of we de beulen zijn van onze eigen dood of de vroedvrouwen van het vernieuwende zullen we niet kunnen ontlopen.

Op zoek naar het wezen komen we uit bij het wezenlijke, en dat is niet in enkele spreuken of wetten te beschrijven.
Oefenen in loslaten blijft op het programma.


ACHTER DE ALLEDAAGSHEID (4)

tijd

sint jeroom

Schetsen voor een uiteindelijk doek vertellen de direkte bedoeling van de schilder, het zoeken naar verfijning komt later.
Hier is het bijna omgekeerd: de schetst van de zittende man (de heilige Hieronimus) uit haar doek ‘Tempo – Passado e Presente’ (Tijd – Verleden en Heden) is heel secuur uitgetekend, kijk maar naar de handen, een lichaamsdeel dat waarschijnlijk het moeilijkst te tekenen is.

De prent komt uit een serie voor de National Gallery in London ‘Departures’, afscheid.
Afscheid van de kindertijd, maar waardoor een intensiteit aan herinneringen loskomt, verweven met klassieke citaten en ervaringen uit het dagelijkse leven.

De levensfasen van de mens, van de baby tot de oude man, de drang naar avontuur, of heimwee naar het voorbije avontuur, ook al was het misschien alleen maar in de droom aanwezig, je vindt ze terug in de verwijzingen naar reizen, tot het uitlooppunt in de verre deur met uitzicht op de vlakte, de zee.

dyn008_original_437_626_jpeg_20344_7ff4f3a66a4fcb8a638e77a9a939e637

En er is uiteraard de niet aflatende religie zoals blijkt uit de twee mooie prenten die ik uit de cyclus ‘De Maagd Maria heb gehaald’.
Boven zie je ‘De Boodschap’, en onder ‘De Geboorte’.

dyn008_original_393_378_jpeg_20344_b6390f8169ce0d0db80c88dd8852303f

Op het eerste gezicht zou je denken dat Paula Rego de bekende afbeeldingen uit de religieuze iconografie met opzet vervormt, ze uit het zwerk naar beneden haalt, maar in feite bevrijdt ze juist deze gekende uitbeeldingen.

De boodschap van de engel wordt getekend, of is ze de droom van de slapende man (God de Vader) of een verzinsel waarmee het wrede van een vader die zijn zoon de slavendood instuurt, meer dan het goddelijke uit de verf komt?

Je kunt nog meer vensters openduwen, aansluiten bij de oude Abraham die toch nog een kind krijgt, net zoals op de prent van de geboorte het pijnlijke van de bevalling de bovenhand haalt op de vreugde bij een geboorte van een Verlosser.

Van de mogelijkheid een slapende Schepper of een vermannelijkte Maagd (denk aan de priesterfiguur van gisteren) te laten meespelen in het gebeuren wordt het mysterieuze van dit heilsgebeuren niet alleen erg menselijk, maar krijgt het uitwegen naar de onderbewuste lagen van onze geest, lagen van waaruit deze godenverhalen zijn voortgekomen.

Een landschap van de droom, het uit elkaar laten vallen van de cliché’s maar met de steeds weer tedere ondertoon voor de menselijke spelers.

De vuile voet van de vermannelijkte engel doet niets af aan het sacrale.
Hij is een intieme hulp, hij biedt plaats aan de lijdende Maria.
En ook hij begrijpt er niets van.

De wereld slaapt, heeft geen aandacht voor dat mysterieuze gebeuren.
De tekeningen liggen op de grond.
Er is misschien geen boodschapper.
Er is een vrouw die met veel aandacht de slapende man schildert.
Was hij de schilder, of de overleden man van de kunstenares (+1988).
Droomt hij in zijn slaap dat er een Verlosser zal komen?

Een mooi idee: ontleed de schoonheid niet, maar bevraag haar, ontdek haar talrijke wegen.
Sta op en wandel, om bij dat heilige boek te blijven.
En vooral: kijk.


ACHTER DE ALLEDAAGSHEID (3)

dyn004_original_379_422_jpeg_20344_b86db75e295809311de2569e41bf7c5e

Vertelde ik je de vorige dagen al over de ambiguïteit dan open ik vandaag alvast met een stevige voortzetting ervan.
Het werk aan de hierboven ‘Entre as Mulheres’ (in gezelschap van vrouwen) en het werk hieronder ‘Mae (moeder) beiden uit 1997 hebben blijkbaar dezelfde hoofdpersoon.

dyn004_original_379_498_jpeg_20344_90863348339ea691fa6b57d718e7817c

Is het dragen van bepaalde kledij sowieso een culturele overeenkomst, tijds- en streekgebonden, dan is de mannelijke vrouw alvast in het Portugal van Paula Rego een ongewone verschijning.
Beide prenten dienden als illustratie bij het werk ‘O Crime do Padre Amaro’, een 19de eeuwse novelle die in 2005 (dus na het ontstaan van de prenten) door Carlos Coelho da Silva werd verfilmd, (na een Argentijns-Spaanse versie in 2002 van Carera).

De clip van de Portugese versie zal je de inhoud duidelijk maken, maar let niet op de vreselijke Engelse commentaar of beletterde uitroepen.

De novelle van Eça de Quieros uit 1875-76 kloeg vooral het fanatisme aan waarmee wij ver-oordelen.
En Paula Rega illustreert de personages op haar eigenzinnige manier, goed beseffend dat er sinds 1876 blijkbaar nog niet zoveel gebeurd is, niet alleen in Portugal, maar ook hier te lande, of zeggen we in het beschaafde Europa?

In de figuur van de man-met-de-rok (een doortrekken van de priesterkledij) is de onhoudbare situatie van een man, verplicht aan het celibaat, duidelijk weergegeven, beter dan in eender welke al dan niet theologische beschrijving.

Maar het gaat niet alleen om het verhaal van een religieus mens, maar om eender welke mens zoals wij allen die in voortdurende ambiguïteit een weg naar verduidelijking moeten zoeken, terwijl wij de anderen die in dezelfde situatie verkeren veroordelen of tot zondenbok verheffen.

Het standariseren van morele codes, het in voorschriften gieten van pogingen tot lief te hebben zal altijd naar dit soort fanatisme leiden.

dyn004_original_379_425_jpeg_20344_2dd92d92c8aca59f4cf2489c6a62adc1

De aandoenlijke prent ‘De rust op de vlucht naar Egypte’ gaat het verhaal voorbij waar de priester zijn nog niet geboren kind door een engeltjesmaakster laat weghalen.

Prenten als een manier om het code-denken los te laten, om met erbarmen elkaar tegemoet te komen, om in de personages van een lang voorbij verhaal elkaar als lot-genoten te herkennen.

Achter de alledaagsheid van miljoenen gaat veel lijden schuil.
Het denken in goed en kwaad zullen we vaak eerder als oorzaak dan als oplossing moeten erkennen.

We lijken allemaal uit de stripverhalen weggelopen, vandaar ook Rego’ s duidelijke ‘comic’-stijl.
Maar of we nu in 18 eeuwse gewaden rondlopen of aarzelen tussen een jurk en een toga, we kwamen naakt op aarde terecht, ontmoetten elkaar naakt in de liefde en worden naakt weer afgelegd voor de terugkeer van ashes to ashes.

Mijn genezende taak, of vaak alleen maar troostende, leert mensen hun eigen ambiguë naaktheid weer lief te hebben.

 


ACHTER DE ALLEDAAGSHEID (2)

paula-rego-maids

‘De meiden’, ja en meteen kun je aan Genets toneelstuk uit 1947 denken.
Een stuk trouwens dat gebasserd is op het leven van de Papin zussen, Christin en Lea die als meiden voor een rijke Perzische familie werkten.

Ze vermoordden op een dag de moeder en de dochter van de familie terwijl de man nog aan het werk was.
Paula Rego heeft vooral met de onnatuurlijke nabijheid van de zussen gewerkt, zowel hun nabijheid tot elkaar als de nabijheid van moeder en dochter die ze ombrengen.

Het hele gebeuren speelt zich in de achterkant van de ruimte af terwijl de leegte vooraan weldra door het everzwijntje zal worden gebruikt.

Er is trouwens ook iets mis met het genus van de gezeten figuur die er inderdaad niet erg moederlijk uitziet.

Het ambigue en het bedreigende: een gezellige ruimte wordt omgetoverd tot een martelplaats, een executieruimte.
Er ligt nog een lelie op het tafeltje, het teken van zuiverheid, dichtbij het opengeslagen boek.

Het beest is letterlijk en figuurlijk losgelaten, en het zal nog even duren tot het weer als een hondje of een kat in zijn mandje zit.

Ik sluit aan bij haar eigen woorden die ik gisteren citeerde:

‘…but this retrospection led to nothing but a fresh acknowledgement of my own ignorance.’

…waarmee ze op haar zoektocht naar onderliggende trauma’ s of onbegrijpelijke gebeurtenissen uit haar kinderjaren doelde, een thema dat de laatste twintig jaar het Westen meer dan eens hysterische golven op en neer liet deinen.

Die onwetendheid, het nergens op slaan, het laten komen en gaan van beelden in geest, het associërende als leidraad nemen, het is een totaal andere manier om met de werkelijkheid om te gaan.
Inderdaad, zoals de verhalenverteller waarvan iedereen weet dat hij de werkelijkheid ter plekke verzint maar toch gespannen en doodstil blijft luisteren omdat zijn verhaal vaak meer zegt dan het persoverzicht of de tekens aan de samenleving die de hoofdredacteuren over de gelovigen denken te moeten uitstorten.

De meiden hebben waarschijnlijk al honderd keer hun meesters vermoord, en vice versa, maar het is door het verhaal te vertellen dat je misschien van rol kunt veranderen: jij wordt heer en meester en je werkgevers liggen als kinderen aan je voeten te luisteren.


ACHTER DE ALLEDAAGSHEID (1)

paula rego

Paula Rego is Portugese, groeide op tijdens het Salazar bewind en dat vertelt al heel wat over de vreemde ambigue fantasie die uit haar beelden springt.

Ik denk dat je haar werk niet kunt ‘beschouwen’, maar je moet je er tegen verdedigen, of je eraan overgeven, het proberen van je af te schudden, ofg te laten inzijpelen, maar telkens weer ontdek je elementen die je dwingen te gissen, te raden, of gewoon te ondergaan.

Dromen?
Ik laat haar daarover liever zelf aan het woord:

‘The dreams, however could not help me over my feeling of disorientation. On the contrary, I had lived as if under constant inner pressure. At times this became so strong that I suspected there was some psychic disturbance in myself. Therefore I twice went over all the details of my entire life, with particular attention to childhood memories; for I thought there might be something in my past, which I could not see and which might possibly be the cause of the disturbance. But this retrospection led to nothing but a fresh acknowledgement of my own ignorance. Thereupon I said to myself, “Since I know nothing at all, I shall simply do whatever occurs to me.” Thus I consciously submitted myself to the impulses of the unconscious. Memories, Dreams, Reflections. C.G.Jung’

Dat ‘niet-weten’, het slimme onderbewustzijn laten bovenkomen zonder op de vlucht te gaan of je in jezelf te keren, je binnenste buiten te moeten draaien, neen: gewoon de emoties naar je situaties en personages verschuiven, thing who “occurs’ to us.

Het doek hiernaast komt uit 1988, ‘De familie’.
De afwezige vader komt op de voorgrond, alleen maar om door vrouw en dochter te worden ‘behandeld’ (in het engels: manhandled)

En meteen komen de vragen:
-Helpen de vrouwen hem, of mishandelen ze hem?
-Wie is het kleine meisje bij het raam?
-Zit de oplossing in het Portugese retabel waar je Sint Jan en Sint Joris de draak ziet verslaan?
-Of is het de fabel van de ooievaar en vos fabel die onderaan op het retabel worden afgebeeld? (de vos zal de ooievaar opeten eens deze de graat in zijn keel heeft weggehaald)

Maar het zijn geen ‘slappe’ beelden, ze VERTELLEN, narratief zijn ze, zoals al haar werk deze epische sterkte draagt.

Nieuwsgierig? Ik vertel je graag morgen verder.
Intussen mag je zelf een aantal verhalen naar boven halen die bij je opkomen als je dit werk bekijkt.
Ik ben tenslotte nog ooit je psychiater geweest.


PASSION, PAVANE POUR UN INFANT DEFUNT

Marlene-Dumas-PassionHeeft U een passie, meneer, mevrouw?
Reken maar.

Van bij mijn geboorte had ik al een passie.
Een passie voor lucht.

Ik weende van ontroering.
Baby’ s huilen niet uit pijn als ze geboren worden.

Ze zuigen zich vol lucht
na negen maanden donkerte
in de schommelende wereld
en omdat het nieuw gevoel van lucht in longetjes
zo volslagen nieuw is, zo overweldigend,
roepen ze het uit, brullen ze om meer.

Afgescheiden van de moedermens voor altijd
zal zij het eerder op een wenen zetten
en dat verdriet verhalen in goede raad
en de breedheid van haar rokken
waaronder het goed schuilen is, denkt ze,
maar waar opnieuw een tekort aan lucht
hen naar adem laat happen.

Iokaste wil haar kinderen
weer binnenzuigen in de schemer
van het slimme onderbewuste
eens de liefde voor de man gekoeld is,
en zij zich op haar jongen werpt.

Begrijp mijn passie voor de lucht
niet alleen de bos-en morgenlucht,
maar ook de haven- en kroegenlucht
want lucht heeft zoals het voedsel
smaken die strelen of stoeien
maar je mondjesmaat ook weer vertrouwen
met het luchtledige van de dood.

De lucht van leugens en de lege woorden
dikker dan fabriekslucht of de ijlte van berglucht.

Dat is de plakkende lucht
die uit puur zelfbehoud op onze lippen kleeft
als wij de liefde voor verraad en ijdelheid
wellustig inademen als adem
van de geliefde, terwijl de hanen drieëndertig maal kraaien.

In het tedere donker van de zomernacht
is de bittere lucht van sterren voor de sterken voorbehouden
wanneer zij met open ogen de maan bevolken
waar het tekort aan lucht als wisselgeld dient
om zwaartekracht te trotseren en sprongen
in het luchtgevulde duikerspak luid applaus ontlokken.

Zachtjes klonk de lucht
ja was de lucht een slow, een onzichtbare sneeuwbui
toen je naast mij sliep en ik je in het donker
met de engelen hoorde praten, gestamel
in een droom zoals kinderen als zij frazelen
in de wieg, en de zuiverste geesten
de spraakkunst van hun muziek begrijpen.

De passie voor de lucht
hangt boven de leegte waar jij lag.

Ik weet het, ik ben lucht voor jou geworden
maar het ademen heb je opgegeven, lief.
.


Passie is ook de naam van het werk van Marlene Dumas


PAPA, WAAR WAS JE?

dyn009_original_393_314_jpeg_20344_ee6703007782f4ef4f4a71cfcf3ed677

Groepsgewijze zou je beide beelden kunnen noemen, hier onder uit de eerder geciteerde tentoonstelling in New York ‘Heavy Light’, hedendaagse Japanse fotografen, en het bovenste, schilderwerk van Marlene Dumas, in Zuid Afrika geboren, nu wonend in Amsterdam maar zeer gegeerd in de USA.

dyn009_original_481_480_jpeg_20344_41b6b88b4c58feb800fc98c5fd01b334

Het is duidelijk dat de Japanse groep meer groep is dan de groep uit Dumas’ “The teacher’ uit 1987.
Een mooi verschil is ook dat de lerares aan de kant zit in het Japanse beeld, terwijl zij bij Marlene Dumas het centrum vormt zoals ook de titel duidelijk maakt.

Hoe dan ook, we hebben vrijwel allemaal zo’n portretten in onze albums, laden of schoendozen (of computers) zitten waarop wij dat meisje of jongetje zijn dat telkens in verschillende lengtes gerugkeert in wisselend decor maar steeds omgeven door de groep.

dyn009_original_478_728_jpeg_20344_7c9de73adb9b2e20f581e8a46ba738ce

Groepsgewijs -tenslotte komen we uit zo’n groepje van twee voort- traden we voor de eerste keren voor het voetlicht.
Wij, de kinderen.
Wij, de familie.
In die korte belichtingstijd die steeds maar korter werd fixeerde het licht op het papier een fractie van ons bestaan.

Het is mogelijk dat de volgende generaties die afbeeldingen zullen moeten gaan zoeken op onbereikbare oudere media van video-of prentjes-formaten die niet meer toegankelijk zijn, zodat we misschien het met nog minder herinneringen moeten doen als onze voorouders.

Gecrashte harde schijven, videotapes die nergens nog kunnen worden afgespeeld, beelddragers die zo vaak veranderd zijn dat hun inhoud nauwelijks te achterhalen is tenzij door gespecialiseerde musea en labo’ s.

We zullen vol bewondering naar de antieke foto’ s kijken, en geld opzij leggen om toch nog iets te redden uit de massa opgespaarde analoge of digitale reflecties van de voorbije tijd.

dyn009_original_406_480_jpeg_20344_2e27cfef1b901e7edf9ff571df08b4c3

Het is een vreemd idee dat in een tijd waarin het beeld zo bereikbaar is, waar het elke dag zelfs via de gsm naar alle hoeken van de wereld kan worden doorgezonden, dat beeld kwetsbaarder blijkt dan het ooit geweest is.

Niet alleen het ritme waarin we leven is al een rem op het opbouwen van herinneringen, maar het ontbreken van beelden uit de voorbije tijd zal het verleden nog vager maken.

dyn009_original_321_492_jpeg_20344_a2af7791004f41e4ce600e1a31bedef0

Ga maar eens na hoeveel beelden uit de voorbije twintig jaar, ooit op video, DVD of als foto op computer gezet nog bereikbaar zijn.
Voor de meesten onder ons is er nog een berg papieren foto’ s waarmee we het kunnen redden, maar eens de digitale toestellen oprukten en elk prentje moeiteloos op de harde schijf kon, vraag ik me af wie de moeite heeft getroost om de beelddragers te gebruiken als persoonlijk of familiaal archief?

De foto’s zullen zich opstapelen op onze harde schijven, dat wel.
We zullen ons voornemen om er ooit de beste uit te laten afdrukken of we steken ze in een digitaal kadertje waar ze om de enkele seconden worden afgewisseld, maar het werkelijke archief, de album, de doos, de geordende verzameling dus, zal het buiten enkele illustere uitzonderingen moeten stellen met meer goede wil dan werkelijke resultaten.

Nu zijn de uren rond de familiale herinneringen vaak een bron om op elkaar aan te sluiten, om de kortstondigheid te doorbreken, om te berusten in het eigen lot of te vrezen wat je te wachten staat, maar ik vermoed dat we in de toekomst even snel weer in het niets zullen verdwijnen als we verschenen zijn. (enkele seconden in een digitaal kadertje en…floep!)

Er komt bij dat de samenstelling van wat wij gezinnen noemen ook niet dadelijk archief-vriendelijk is: de versmalling van het kinderaantal, de verschillende vader- en moederfiguren, de vijf tot zeven grootouders die elk kind kan hebben, enfin, het is hoe dan ook puzzelen dat is duidelijk.

De kreet ‘Papa waar was je toen?’ zal met verhalen moeten worden opgevuld.
En de epiek zal het halen op de gruwelijke eerlijkheid van het fotografisch beeld.

Kind, papa en mama (of meervouden daarvan) zijn altijd sterk en fleurig geweest, echt waar hoor.
Geen beeld zal het tegenspreken.


BEELD VAN EEN VOORBIJE DAG ZONDER PRENTJES

Laten we vandaag zonder prentjes werken dacht ik
de illustratie van het woord kan het hebben van de verbeelding die ons allen eigen is.

In de vroegste morgen
in het aarzelende licht van de schemering
zag ik de atlasceder alsof het had gesneeuwd,
zie je, zo tussen donker en licht
zijn de dingen nog versteend door de nacht
zoals ook wij stram de bewusteloosheid verlaten
en het lijf moet wennen aan dat bewust bewegen.

Toen ik poes buitenliet en de dag binnen,
vond zij dat ik ook moest buitenkomen:
de vroege geuren van de liguster inademen
deze zomergeur dicht bij de zonnewende.

Meng dat parfum met Italiaanse koffie en pas getoast brood
hoor hoe de jonge ekster op haar ouders roept
en zich hulpelozer voordoet om gevoerd te worden.

Zie hoe de zwartkop-meesjes op- en af vliegen bij de voerbollen
hoe de vachtjes van de kleine hommels blinken
in het voormiddaglicht terwijl ze de opengebroken bloesems
van de ligusterboom bezoeken en ijverig de honing puren.

Er roepen houtduiven achter in de tuin
en de stad bekomt van haar zoveelste zotte morgen.

En als zij, de achtjarige schoonheid, de tuin vult
met liedjes en ik haar publiek mag zijn
hoe ze ter plekke de gezangen verzint
en heel aandachtig achter in de tuin danst
met hoge trage kinderstem iets over heimwee speelt
terwijl haar moeder en mijn vriendin
in de zachte avond de voorbije tijd vertellen,
hoe kan ik daar een beeld bij verzinnen
dat niet te klein of te simpel of veel te ingewikkeld is?

In de schemering zoekt ze uit haar spullen speelgoedjes
voor de pakjes van haar lentefeest, nu zaterdag.

Dag opi, roept ze voor ze slapengaat, zingend weer
de trappen op, en daarna discussiërend met omi
naar de stilte van de korte nacht, midzomernachtdromen in haar ogen al.

Als ik haar nog even voor het slapengaan zo diep verzonken zie liggen
dacht ik aan muziek met veel boventonen, dat ongrijpbare
waar onze povere zielen zich aan laven, dorstig als een hert.

En dat allemaal op een dag als de 18de juni 2008
gratis en voor niets, zo lijkt het wel.

Zouden we van die pijnlijke pijlen
niet beter nutteloos vuurwerk maken?


DE ANONIMITEIT

16824

 

Het anonieme, intussen lang voorbije kind bij zijn gehavend studiopaard, en net zo anoniem een ongewoon beeld van Tokio.

Meisjes met hun poppen, jongens bij het paard, en eeuwig stroomt het water.
Het zou een hedendaagse haiku kunnen zijn.

Dit ontsnappen aan een voorbestemde rol is misschien wel het hoofddoel van het korte bestaan.
Niet-zijn, non esse.
De krijtlijnen zijn inderdaad dik want met de afhankelijkheid krijg je ze met de moedermelk ingelepeld.
Voedsel en warmte verdoven meer dan één mens voor een lange tijd, de krijtlijnen zijn tenslotte nog zo mis niet, en wat zouden we beginnen zonder…enz. enz.

Terwijl het jongetje in de grote camera kijkt (1890-1900) moet de Russische-Japanse oorlog nog uitbreken (1904-05).
De Russische nederlaag zal mee de eerste grote schokgolf van 1905 in het tsarenrijk veroorzaken, en het westerse groeiende nationalisme verdeelt Europa in twee machtscentra die van augustus 1914 zullen blijven vechten, tot een flits aan de augusthemel in 1945 een einde maakt aan de 20-eeuwse dertigjarige oorlog.

dyn009_original_246_500_jpeg_20344_9b4045e906e3db23648a456bb6dc97b4

Maar het jongetje kijkt.
Weldra verliest het paard zijn strategische betekenis en jaren later ook zijn voor-trekkers rol in de land- en bosbouw.
En het water stroomt.
Onder Tokio door.
Ook na de grote aardbeving van 1923 zal het blijven stromen.

De anonimiteit van de druppels die het water het aanschijn van beekje, rivier, stroom en zee zullen geven, is haar kracht en haar onmacht.

Ik weet niet of het jongetje de grote oorlog overleefd heeft.
Hij zal in 1914 ongeveer 18 zijn.
Ik weet ook niet aan welke kant hij stond. Of lag.

De foto’ s van onszelf als anoniemen hebben me steeds aangetrokken.
Het massale en onbuigzame van de geschiedenis is telkens weer door diezelfde anoniemen in gang gezet, gestopt of van richting veranderd.
Het jongetje met zijn paard.
En de kleine rivier die onder Tokio stroomt.

We willen maar niet ophouden.
Vaak zetten we onze neus in de richting van de voorvaderen, want het ontbreekt ons aan moed of zelfvertrouwen om een eigen leven te leiden.

Toch hertekenen hier en daar enkelen de richting.
Althans dat proberen ze.
Druppels tegen de stroming in, tenslotte is een druppel geen zalm, maar wel de bedding waarin die moedige vissen weer terugkeren naar hun vertrekpunt.

Of is dat nu net de oerdrang waar we van moeten verlost worden?
De eeuw begint als beekje, zal een rivier van bloed worden en uitmonden in de bange stilte van het heden.

Het paard is weg, het jongetje dood, maar het riviertje stroomt nog altijd onder Tokio.


JONGENSLIEFDE VOOR VROUWENOGEN (JAPAN)

dyn004_original_470_306_jpeg_20344_17018bf47ab6326d8ddddec97ccbb652

Bij de ‘erotische’ genoegens van het kijkende westen zijn twee vrouwen die het met elkaar doen blijkbaar een toppunt van mannelijk genot gezien hun verschijnen in talrijke erotische en aanverwante prenten, waarmee ik ook filmen bedoel.

dyn004_original_400_400_jpeg_20344_67c5d102c5d9c2ea771ada9e7c517b32

In Japan opende vorig jaar Cafe Edelstein in Tokio, een zogenaamd buttler café, of beter nog een café waarin de kelners verkleed als schooljongens een exclusief vrouwelijk publiek bedienen.

Als klante bezoek je de kostschool waar teenager-studenten met zachte stemmen geheimen verklappen en met elkaar flirten.
De vrouwelijke bezoeker speelt de ‘weldoenster’ en wordt met de nodige egards verzorgd.

dyn004_original_246_350_jpeg_20344_28e661d70dd8f626fe5252ecace6adba

‘De meeste van onze bezoeksters zijn kantoormeisjes tussen de twintig en de veertig, modegevoelig maar voor de rest heel gewoon.’ zegt Emiko Sakamaki, Edelstein’s 27-jarige manager.

Edelstein steunt op een cultboek over een romance in een Duitse kostschool uit de jaren 1970.
Wat de café-bezoeksters allen gemeen hebben is een passie voor de zogenaamde ‘boy-love’ manga, of stripverhalen over jongen-jongen relaties voor vrouwelijke lezers, een genre dat een enorm succes kent in het hedendaagse Japan.

dyn004_original_217_319_jpeg_20344_266c9c20b07839d4b77fdda45a315b77

De meeste karakters in deze BL-manga’ s zijn dromerige vervrouwelijkte jongens en jongemannen.
Karakters die de kelners uit Edelstein als voorbeeld nemen als ze het over hun vermeend huiswerk en studies op de Edelstein school hebben.

Rollenspel-café’ s zijn altijd al populair geweest in Tokio.
De meesten draaien rond vrouwelijke kelners als Franse dienstmeisjes verkleed.
Hun doelpubliek is de ‘otaku’ , fervente fans van stripverhalen en animatiefilmen.

Maar nu hebben zakenmensen een nieuw terrein ontdekt: de vrouwelijke otaku, die er beter uitziet, meer sociaal is dan zijn mannelijke tegenhanger.
Het zijn deze vrouwelijke otaku die gek zijn op manga’s, speciaal de boy-love manga’ s.

De otaku-markt van animatiefilmen tot computergames met alle nodige accessoires was in 2007 goed voor zo’n miljard euro.

Een van de redenen dat dergelijke rollenspelen en verkleedpartijen zo geliefd zijn in Japan is het feit dat ze even aan de werkdruk en de extreme sociale controle kunnen ontsnappen, zeggen kenners.

Rond de 150 boy-love manga’ sen magazines worden er per maand uitgegeven.

dyn004_original_321_464_jpeg_20344_b8198829970d5f37096d360c7cf46305

In de vrouwenhoek van de grote Ayoma boekhandel (om de hoek van het Edelstein-café) vind je de laatste boy-love-titels naast boeken en tijdschriften over popsterren en atleten.

In een Australische magazine las ik hierover: ‘The easily shocked should avoid taking a closer look.’

‘Het is een vorm van escapisme,’ zegt Sakamaki.
‘These types of people don’t exist in reality, they only exist in comics.’

dyn004_original_500_477_jpeg_20344_6fa34f59d5f6e31abc035881daa276cc

In de boy-love manga’s worden de fragiele jongens vaak in de nabijheid van de dood afgebeeld, dat geeft hen een bijzondere schaduw en maakt ze nog mooier, volgens een van de tekenaars.

In een recente bijdrage in The Yomuri Shimbum Newspaper, zegt Kanta Ishida, een journalist gespecialiseerd in manga, dat het genre.. ‘…offers an alternative to traditional gender roles in Japan.’

‘The comics reflect a yearning for relationships with interchangeable roles that are free from fixed ieas about gender.’

In het Shibuya district, het grote neon verlichte uitgaansparadijs in Tokio praten enkele dertigers, mannen en vrouwen over mannelijke en vrouwelijke otaku, of over ‘fujoshi’ zoals deze vrouwen worden genoemd, de zogenaamde ‘rotten girls’.

‘Mannelijke otaku waren big business, en dan ontdekten ze dat ‘fujoshi’ ook voor gouden zaken konden zorgen.’

‘We leven nu in het tijdperk van de vrouw,’ zegt Shunichi Karasawa, sociaal kommentator, en vrouwen worden verondersteld net zo perfect in hun werk te zijn als mannen.
Dat maakt ze dan ook zo gestresseerd als diezelfde mannen.
Boy-love-manga’ s en verhalen geven de kans om een beetje stoom af te laten.
Onze informatie-tijd liet de schuldgevoelens over ‘playing around’ verdwijnen en het idee over seks als entertainement bestaat niet meer voor vrouwen.
De enige verboden liefde waarover ze kunnen fantaseren is de liefde tussen mannen.
De homo-talk is louter fantasie en vrouwelijke otaku kunnen hun verbeelding de vrije loop laten gaan.

Met dank aan Ryann Connel, journalist bij The Black Ship, online community for foreigners in Japan en de Brisbane Times in Australië.


JAPANSE FOTOGRAFIE VAN NU, EEN VERS VAN VROEGER

 

dyn008_original_333_500_jpeg_20344_91346db1c7cff08f3ecd60cc20f9e97c

‘Heavy Light’ heet de tentoonstelling in The International Center of Photography in NY.
Dat heavy light wordt vertegenwoordigd door dertien hedendaagse Japanse fotografen, allen geboren in de dertiger en veertiger jaren.

“I’ve always wanted to be different since I was a kid, and I’ve always been knocked around for it” (eight years later) (2002) by Hiroh Kikai

Dat is het onderschrift bij de foto van de uitgegroeide piet piraat, die samen met de foto van de meisjes in lolita-stijl aan de andere kant, een duidelijke tendens vertegenwoordigt die ook bij ons in het westen niet onbekend is: de verlengde adolescentie, het niet willen volwassen zijn.

Deze ‘Goth-Lolita-subcultuur’ zou je kunnen verenigen met beelden van de restaurants of café’s waar als schooljongen verklede knappe jongemannen je bedienen.

Het kleine meisje en kleine jongen zijn, als jonge volwassene, is een duidelijke afwijzing van het leven om alleen te werken, waarin woorden als carrièrre en succes ons ook niet vreemd in de oren klinken.

Het is niet het ontlopen van de werkelijkheid, maar wel het ver-spelen (louter woordspeling!) ervan een spel dat je mogelijkheden geeft om op een andere manier deel te nemen aan de zelfstandigheid, kwaliteit die je geacht wordt te bezitten als volwassen burger.

dyn008_original_600_464_jpeg_20344_f0eafa8a2c0acd8f34fa7d31e7ead8d3

“Sword of Rancor” (1969) by Yukio Nakagawa
zo heet de mooi foto hiernaast, gemaakt in 1969.

Je kunt ook hier niet ontkennen dat de traditionele kijk op de werkelijkheid waarin zin voor detail en aandacht voor wat wij het ‘artificiële’ noemen, naar boven komt.

De stilte van de steen, het ranke blad, de rode bloemblaadjes, en dat alles in een voor ons bijna onleesbare combinatie, vormen een waar genot van een synthese die duidelijk het westerse spiraal-denken heeft losgelaten.

Hito wo yume to ya
omoishiruramu;
sumi suteshi,
sono wa kochou no
yadori nite

Die man zijn leven is slechts een droom
dat is wat we nu te weten komen.

Zijn huis heeft hij verlaten,
de tuin werd een thuis
voor vlinders.

Ik voegde er deze renga aan toe van de monnik Sogi, zen meester en dichter, op aarde van 1421-1502)

Ik wil ermee aantonen dat die dertien eeuwse dichter en de 20-21st eeuwse fotografen toch gelinkt blijven, zoals de kern van deze versvorm trouwens ook beelden linkt en aansluit bij wat ik ‘bespiegelen’ noemde.

Of je het verlangen naar de schoonheid, naar de essentie nu wil uitdrukken met de drang om je adolescentie te verlengen of met het vers waarin het verlaten van je huis gelinkt wordt met de tuin, de thuis voor vlinders, het zijn pogingen om uit het patroon te stappen waarin we het versteven denken huldigen.

Vlinders kunnen mooie meisjes of jongens zijn, opgelost voor de zwaarte van het jaartal.


HET GETAL ALS INSPIRATIEBRON

dyn002_original_415_500_jpeg_20344_091cf24aaab22f57834d4661048b406f

Beste Psych,

Je mooie reportages over het beeld tussen 1840 en 1940 kan ik alleen maar beantwoorden met een andere vergeten schoonheid: de wiskunde, het getal.

dyn002_original_364_465_jpeg_20344_86779747c0f07c7bae9f2f97235065fa

Tussen ‘The Theorem of Pythagoras’ van Mel Bochner uit 1997 en de beroemde waterval van Escher (1961) zoek ik een weg waarin het nabije en de oneindigheid door kunstenaars van allerlei pluimage is gebruikt om tot onvermoede werkelijkheden te komen, al dan niet ironisch zoals uit het cartoon van Roz Chast hieronder nog zal blijken.

Het klinkt vreemd uit mijn mond want wiskunde was het dode broertje uit de gekende uitdrukking, maar dat kwam enerzijds door mijn beperkte abstraherende geest en de manier waarop de wiskunde in onze hoofden werd gegoten of getimmerd.

Daarbij komt dat hoe minder men van iets begrijpt, men des te meer versteld kan staan van de schoonheid ervan, een soort verklaring die op het al dan niet bestaande goddelijke ook van toepassing kan zijn.

Aanleiding was zeker ook het boek van Hans Magnus Enzensberger ‘De telduivel’ (een hoofdkussenboek voor iedereen die bang voor wiskunde is) verschenen in Nederlandse vertaling bij de Bezige Bij in 1998, en opgeduikeld bij de Slegte in Antwerpen, op zoek naar voorleesmateriaal.

Er zit een mooie bladwijzer in van ‘De Red Star Line’ aangeschaft nadat we in het scheepvaartmuseum de kleine maar erg mooie tentoonstelling over deze route naar Amerika bezochten, en dat is niet toevallig, want getallen doen je inderdaad inschepen om met eenvoudige bagage van getallen als 0 en 1 in erg vreemde en onverklaarbare streken uit te komen.

dyn002_original_380_384_jpeg_20344_797f0eda1a1123b53a956d191ce514dd

Het mooie gegeven dat je een oneven getal steeds met drie priemgetallen (groter dan vijf) kunt vormen, zoals je dat met even getal kunt doen (groter dan 2) en dan maar twee priemgetallen nodig hebt, … en niemand weet waarom.

48= 17 + 31
55= 5 + 19 + 31

Je neemt een willekeurig getal, groter dan 1 en dan verdubbel je dat.
-222 wordt 444
Tussen elk van die getallen en het dubbele ervan is er altijd, maar dan ook altijd één priem getal te vinden. (307!)

dyn002_original_336_504_jpeg_20344_fc2245cb28f7c21fd017f494f2a31eb3

Die speelse kant in de wiskunde zal de meesten vreemd zijn, maar hij is de aanleiding om je eigen denken over de voorgeschreven regels en wetten toch even in vraag te stellen.

Zelfs als iets niet is wat het schijnt te zijn (Escher) is het er toch, ja…maar als wat?

Wel meneer, als kunst bijvoorbeeld.
Want al kun je met getallen ook in de kabala afdalen, ze geven je de mogelijkheid om voortdurend de wereld op zijn kop te zetten, en als je denkt dat zoiets hoofdzakelijk gebeurt omdat we gebruik maken van 1 en 0 (al blijft die nul een verdacht getal, want je kunt er niets door delen), dan weet je dat in de eenvoud de grote wonderen zijn verborgen.

Sommigen verwarren eenvoud met simplisme, maar ik bedoel wel de 1-voud, en dat heeft iets met 1-zaam te maken en helaas ook met 1-zijdig.


TENDER IS THE NIGHT

dyn008_original_370_500_jpeg_20344_2066393e5f1f189a9a5cc3b7ca8d7130

Met de naam Gyula Halàsz moet je niet dadelijk bekendheid verwachten, dus nam hij de naam van het Transilvaanse dorp waar hij geboren was ‘Brasso’ (vroeger Hongarije, nu Roemenië) ‘ en duidde hij zijn afkomst aan met de roepnaam Brassaï, van Brasso afkomstig dus.

dyn008_original_370_500_jpeg_20344_6e590f645212e3e48fd1c09c4f2b5917

Omdat zijn vader een jaar als prof literatuur ging doceren aan de Sorbonne verhuisde de familie met de driejarige Gyula mee naar de Franse hoofdstad.

Later studeerde hij in Boedapest, maakte de eerste wereldoorlog mee in een Oostenrijks-Hongaars cavalerie-regiment en rondde zijn studies af in Berlijn Charlottenburg.

Als hij in 1924 naar Parijs verhuist, leert hij met het werk van Proust de Franse taal en komt hij terecht bij de artiesten op de Montparnasse.
Als journalist is hij bevriend met Henry Miller, Léon paul fargue en de dichter Jacques Prévert.

Verliefd op de nacht, op de nachtelijke stad is de fotografie voor hem een mooie aanleiding om ’s nachts in Parijs rond te zwerven.
In 1933 publiceert hij zijn eerste fotoboek ‘Paris de Nuit’.

Helemaal boven, de introductie bij Suzie, of de klant is koning en daaronder een mooie studie uit het bruisende nachtleven.

Zo vlug de fotografie ontstond was er ook het ‘gulzige oog’.
Kon zich dat in de schilderkunst nog via allerlei symboliek verbergen of sublimeren, de fotografie hield het bij de werkelijkheid, en de lijfelijkheid in al haar aspecten kwam al meteen ruim aan bod.

Brassaï gluurt niet, hij toont, zonder een standpunt in te nemen.
Hij is onbeschroomd, want niets is zo mooi en lelijk tegelijkertijd als de naaktheid van een lichaam.

dyn008_original_392_500_jpeg_20344_2750056e5e6a6c8bad0b64bd330d0dcf

Anders dan in deze bigotte tijd hoort het lichaam en zijn lusten zonder schroom bij de nachtelijke stadsactiviteiten zonder appel te doen op een zekere vinger in de lucht, het oordeel en de smaak is eigendom van de kijker.

Zijn voorloper, Eugène Atget(1857-1927) schaart zich dan weer aan de kant van de gewone alledaagse mens in Parijs.
De prachtige foto van de drie vrouwen is in 1924-25 genomen in de Rue Asselin in de Parijse rosse buurt die sterk aan Cartier-Bresson doet denken.

Aan de andere kant zijn liefde voor etalages, interieurs, straten.

dyn008_original_350_460_jpeg_20344_9d3008dd6dc6c866314cfd6d48c7c59a

Een kar tegen een brugwand, de regenachtige morgen op een café-terras, een paardenmolen, een binnenkoer rue Bonaparte, schamele mensen voor hun deur, een protserige open haard, Parijs zoals het bij het einde van de 19de eeuw enhet begin van de 20ste was en nooit meer zou zijn.

Hij wist waarom.Op zeven jaar al wees, opgevoed door zijn oom, cabinejongen ter lange omvaart, acteur, zijn liefde voor de straat en zijn alledaagse bewoner stak hij nooit onder stoelen of banken.

Ik hou erg veel van zijn foto’ s omdat ze zo dichtbij het gewone leven aanleunen.
Zijn lege straten en etalges, ze zullen weldra weer met leven gevuld zijn want Parijs slaapt zelden of nooit.

En daarom zijn de mensen van de dag vaak ook weer de mensen van de nacht.
Niets is te klein of te schamel om het onderwerp van het leven te zijn, een mooie boodschap voor ons die met de vinger in de lucht zwaaien als ‘rolmodellen’ nalaten heiliger dan de paus te zijn.

Al zou een beetje cocaïne de theologie weer wat vaart kunnen geven.


HET VERKLEINEN VAN TIJD EN AFSTAND

 

dyn004_original_600_487_jpeg_20344_43b63599ca16f2853e435c590d040851

Mislukte schilder en koppige patenthouder

In 1838 arriveerde de vijfentwintigjarige Edouard Baldus in Parijs om de schilderkunst onder de knie te krijgen.
Dat was net voor Louis Daguerre zijn eerste foto’s aan de wereld toonde.

dyn004_original_388_500_jpeg_20344_27a2aad4ec085afa3825316948b084ca

Schilderen bleek niet Baldus’ sterkste kant te zijn en daarom ging hij zich met ‘de nieuwe kunst’ bezighouden, de fotografie.

dyn004_original_650_406_jpeg_20344_db6e7b4d8a0ccc5a291b5a5986807942

Van 1851 tot 1861 kreeg hij als fotograaf internationaal aanzien, en zijn foto boven de pont du gard, de ingang van de keizerlijke bibliotheek aan het Louvre, getuigt inderdaad van zin voor compositie: het ancien regime herleid tot een aantal betoverende kontrasten, licht en schaduw, horizontale en verticale lijnen.

Daaronder dus, een erg mooi beeld van de ‘pont du gard’ waarin de weerspiegeling van het aquaduct een onderdeel van de compositie vormt.

De uitvinder van het negatief-positief procedé, William Henry Fox Talbot, patenteerde zijn ‘calografie’ en eiste een jaarlijkse bijdrage van iedere nieuwbakken fotograaf die het wilde gebruiken. (amateurs £4, en profs £100-300 per jaar)

Zijn foto, de fruitverkopers hierboven is rond 1845 gemaakt, en is duidelijk nog geregisseerd, wat nodig was gezien de lange belichtingstijden.

De opdeling in mensen en de grote menselijke omgeving heeft zeker te maken met het feit dat mensen door dat nieuwe medium beter naar zichzelf en hun omgeving gingen kijken.

Talbot experimenteerde met fotogrammen waarin de details van een blad of een plant zichtbaar werd.
De fotografie vergrootte het oog, en zou het later naar de hand brengen.

Het beeldgeheugen kreeg een enorme steun van dit nieuwe medium.
En langs het beeld kwam ook de tijd binnen geslopen: de opbouw van de Parijse opera bijvoorbeeld, of het verdwijnen van de oude stad, ze werden gedocumenteerd en konden ten allen tijde geraadpleegd worden.

dyn004_original_450_373_jpeg_20344_f723dd8628c02df40ff6577d1c269ff4

‘All used the camera to find bigness in themselves, in the new medium ans, above all, in the world.

De interpretatie van de werkelijkheid was tot nu toe een domein geweest van de beeldende kunsten, vooral van de teken-en schilderkunst, maar nu kon je rechtstreeks IN de werkelijkheid cadreren en het resultaat was nog steeds een interpretatie, maar eentje waarin de werkelijkheid zelf het voor het zeggen kreeg, of zich ten dienste stelde van de creatieve fotograaf die later uitgroeide tot volmaakte photoshopper.

dyn004_original_440_508_jpeg_20344_5617e0efc4f5256a12c150b01ace993f

Was de trein HET middel om de 19de eeeuwse wereld voor altijd te verkleinen, de fotografie bracht de ‘andere’ wereld -hoe ver ook- zo maar in handbereik.
Tijd en afstand sloten met elkaar een verbond.
Ook al was je er zelf niet geweest, het fotografische beeld vertelde over de onbekende wereld en gaf een nieuwe diepere kijk op de vertrouwde dingen van de dag.

En je eigen identiteit of die van je naasten bewaren was niet alleen nog weg gelegd voor de gegoede klasse.
De cartes de visite kwamen in het bereik van iedereen.

De familiekring, de vriendenkring, ze werden in een album samengebracht, en de dood was minder dood dan vroeger want de overledenen bleven in hun lijfelijke verschijning bij de overlevenden.

Het documenteren van het grote en het kleine verleden schiep een hechte band met de tegenwoordige tijd, een wonder waar we nu nog altijd te weinig over nadenken in de vluchtige drukte van onze hectische tijd.