china (164)

190_25d83f00757bb7cf16c131dee3e2f5c1

Ik kan moeilijk zwijgen over Kircher, vooral nu ik overal weer zijn ziel tegenkom.
Wat hij zeker gemeen heeft met Michael Sweerts en Peitro del Valle was hun drang om het verre Oosten te verkennen.
Zo schreef Kircher een boek

Toonneel van China, door veel, zo geestelijke als werreltlijke, geheugteekenen, verscheide vertoningen van de natuur en kunst, en blijken van veel andere gedenkwaerdige dingen geopent en verheerlykt : met een groot getal van kunstige kopere platen versiert, nieuwelijks door Athanasius Kircherus in ’t Latijn beschreven, en van J.H. Glazemaker vertaalt.
Plaats van uitgave ’t Amsterdam
Uitgever by Johannes Janssonius van Waesberge en de wede. Elizeus Weyerstraet
Jaar van uitgave 1668

In dat zelfde Amsterdam bekijk ik in het Rijksmuseum deze prachtige theekom.
“De Jian-ovens, in de Zuid-Chinese kustprovincie Fujian, waren beroemd om theekommen van steengoed met een donker, bijna zwart glazuur.
Deze kom is daar een prachtig voorbeeld van.
De belangrijkste kenmerken van de Jian-kommen zijn de lage smalle voet, de wijd uitlopende kom en het dikke glazuur dat net boven de voet eindigt in een druiprand.
De dikke laag werkt isolerend. De thee blijft langer warm én de kom wordt aan de buitenkant niet te heet.”
We zijn tussen 960-1279. In Europa beginnen kreten om de heilige plaatsen te bevrijden op te stijgen.

Als groot liefhebber van het mooie porselein (een Chinese uitvinding overigens) voel je hier de essentie van het mooie: eenvoud, functionaliteit, vakmanschap.
En dat we weer met zijn allen de blik naar China richten zal in de komende decennia nog duidelijker worden.

Laat het niet te vlug nacht worden in het avondland.


spreekbuis (163)

733_0b704807c4c4124e034a57980dc9b8fe

Uiteraard was het prentje dat ik jullie gisteren stuurde op de eerste plaats een soort grote megafoon.
De edele heer ging voor het beeld staan, sprak dan zijn mededelingen voor de bevolking uit en via de konische buizen galmde zijn stem op het marktplein.
Andere plaatjes laten weer de omgekeerde richting zien: hoe je kon afluisteren, en het was vooral voor die kant dat het toenmalige Vaticaan veel aandacht had.
Nu heeft radio Vaticano de rol van spreekbuis overgenomen en voor de rest zorgen de talrijke zenders van overal ter wereld want er moet nu eenmaals nieuws zijn, en zo niet zullen we het maken.
Andere spreekbuizen zijn dan weer de talrijke vrienden van het huis. In vroegere tijden waren de kardinalen gewoon de voornaamste priesters van de grote omgeving Rome, maar nu kun je door een zekere selectie ervoor zorgen dat je ten allen tijde je stem kunt doordrukken.

De buis van Kircher is dus overbodig geworden, maar hij was net zo goed begaan met de muziek.
Zo maakte hij ontwerpen voor grote mechanische muziekdozen, of waterorgels. In de stad Rome zijn er nog altijd enkele in werking.
Deze orgels stonden symbool voor de schepping van de wereld, en Kircher zelf componeerde er muziek voor.
Ik stuur jullie nog een prentje van een dergelijk ontwerp.
De mechnische wereld, het uit zichzelf bewegen, we zijn er nog altijd door geïntrigeerd.
Ik reis verder naar ’s Hertogenbosch om er in het verleden onder te duiken bij de talrijke stands op de kunst en antiekbeurs aldaar.
De schoonheid en het kapitalisme. Het is voorwaar niet nieuw want in de 17de eeuw waren al heuse opkopers aan het werk.
We vinden elkaar wel terug, want noch verleden noch de toekomst blijken hindernissen te zijn op onze weg naar de kern der dingen.


afluisterapparatuur (162)

613_af8682023f541ec965537d8170af6a00

Terwijl iedereen nu juist wel naar Rome wil om een oude(re) man te zien die het niet voor vrouwen noch voor mannen heeft, wiens club in de meest luisterrijke paleizen over armoede spreekt, (keer terug naar Sint Jan van Lateranen!) in wiens gezelschap inderdaad prachtige mensen en culturen zijn opgegroeid, -wie a zegt moet ook b vemelden- nu keer ik terug naar mijn stilte, achter het deurtje dat ik ooit afbeeldde.

Ik hoor dat het goed gaat met de antiekwinkel. Baumgarten is een voortreffelijk mens, ik verneem dat mijn psychiater een ernstige publicatie over vermeende herinneringen gaat publiceren en Simon de vrede bewerkstelligt tussen universiteiten en hogescholen.

Ik wil je echter dit mooie beeld van Kircher niet onthouden: geluiden van de straat, het drukke plein komen via een buis naar een beeld in een afgesloten ruimte.
Het ziet er onschuldig uit, sprekende beelden zijn ons altijd dierbaar geweest, kijk naar de machthebbers dezer aarde, maar het kon dus ook voor andere zaken dienen.
Je kunt er makkelijk gesprekken mee afluisteren, en het zal je dus niet verbazen dat het Vaticaan toen erg geïnteresseerd was in dit ontwerp.
Ik weet niet of het ooit is toegepast, en we zullen het ook niet te weten komen want stilte is een specialiteit van de firma.
Maar het past ook in het beeld van deze tijd: een verklikkerstijd waarin via allerlei kanalen de mensen elkaars bewakers zijn geworden. Orwell voorbijgestreefd. Huxley ingehaald.
Deze methode maakt camera’ s overbodig, want niets is zo scherp als de ogen en de oren van je omgeving.

En als er niets te zien is, dan zorgen de media voor de nodige scenario’ s.

Diversae facies.
Wie wil weten hoe ver onze beschaving gevorderd is, moet gewoon ’s zondags naar VTM kijken. Het programma heet toast cannibale, en ik ben er nog niet achter gekomen wie hier met “cannibale” bedoeld wordt.
Je krijgt er een mooi staaltje te zien van ontwikkeling, en dan bedoel ik niet onze zgn. beschaving, maar hoe ver wij verwijderd zijn van de kern der dingen als ik zie in welke bochten we ons moeten wringen en ik een jongen hoor zeggen als hij terug in de “beschaafde” wereld is: pff, eindelijk weer videospelletjes, dat lucht op.

Ik zou ook zin krijgen om met de missions étrangères ver weg te reizen.
Niet om te verkondigen, maar om te luisteren. Daar heb ik Kirchers afluisterapparatuur niet voor nodig.


gezichten (160)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

We zijn bijna terug bij de onzichtbaarheid.

Onder de veelheid van gezichten verdwijnt de schilder Sweerts.
Het zijn enkele van de gezichten uit zijn schetsboek voor iuvenum et aliorum.
Levendige gezichten, geen starre plaasteren modellen, geen verheerlijkte facies, maar vooral die van de aliorum.

Nog één portret wil ik jullie meegeven, waarde zoon en vriend psychiater.
het portret dat mij nooit meer zal verlaten.
Misschien ligt daarin de oplossing van het raadsel, of …?

Hier kijken wij elkaar nog aan.
Vierhonderd jaar eenzaamheid.


et aliorum (159)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Hier zie je een fragment van de titelpagina van zijn tekenboek dat Sweerts in 1656 in Brussel uitgeeft.
“Diversae facies in usum iuvenum et aliorum.”
Verschillende gezichten ten gebruike van de jeugd en anderen.

Het waren waarschijnlijk de jeugdigen die in zijn academie samenkwamen. Toekomstige tekenaars voor tapijtkartons, bevlogen zielen, en…anderen.
Het deurtje staat op een kier.
Maar of het ooit opengaat?


Ad majorem dei gloriam (158)

503_ffd3a7d8dc643106ed674165d51f3742

Wetenschappelijk volgde Kircher een dood spoor, menen sommigen. Zijn vertalingen van de hiërogliefen bleken na de ontdekkingen van de 19de eeuwse Egyptoloog Champollion verzinsels.
Velen gingen hem “een geniale dwaas” noemen, een fantast, een hofnar van de rijke Romeinse klassen.
Zijn museum werd een soort “theatrum mundi”, een persiflage op het “Boek der Wereld”.

Daartegenover bestudeerde hij de esoterische religieuze stromingen, de teksten van Hermes Trismegistus bijvoorbeeld.
Deze teksten zijn de voorbije tijd uit de geschiedenisboeken verdwenen, maar ze moeten in zijn tijd van onmiskenbare waarde zijn geweest. In die teksten wordt ernstig getwijfeld aan religieuze dogmata. Zij hernemen de voorchristelijke waarden.
Ze hebben zeker grote invloed gehad op het denken van die tijd, denken dat toch leidde naar een wetenschappelijke revolutie, “een omwenteling die de historicus nog altijd voor grote vragen stelt,” zegt Thijs Weststeijn in zijn helder artikel “Het boek der Wereld, verklaard door Athanasius Kircher”, naar aanleiding van de tentoonstelling in A’dam 2001.

Prof. Van den Berg sprak al in zeventiger jaren over de “synthese-rennaissance” waarin wij leven, een synthese die andere 17de eeuwse filosofen zoals Leibniz en Descartes ook voor ogen hadden.
Weststeijn spreekt van een encyclopedisch streven naar een universele wetenschap.
Van Kirchers hand is immers ook ‘Ars Magna Sciendi”, de grote kunst van het weten, het allereerste boek over symbolische logica, die wij in de 20ste eeuw in de taalfilosofie als in de informatica hebben toegepast.

Het op zoek zijn naar een verloren wetenschap, naar de oertaal die gesproken werd voor de babylonische spraakverwarring, het is uiteraard een streven dat steeds weer de kop opsteekt als een beschaving evolueert naar nieuwere vormen van kennisverwerving en kennisoverdracht. De onzekerheid waarin wij leven verklaart het wisselend succes van esoterie, de zoektochten naar de verzonken beschavingen en voorbije Atlantissen, als utopieën uit het verleden die wij steeds maar in de toekomst zullen blijven projecteren.
Carl Jung, in de wandeling nog altijd een wetenschapper, had veel aandacht voor de mythes, de alchemie, en hij zag de individuatie van een persoon als einddoel van een helend mensbeeld.

Boekdrukkunst, encyclopedie, en nu de digitale kennisverwerving (het internet zou voor Kircher een prachtwerktuig zijn geweest!)
Stond Kircher in zijn streven nog met één been in de middeleeuwen toch doorgrondde hij beter dan wie ook de mogelijkheden van een exacte wetenschap, een scio expertum (ik weet bij ervaring) meer dan het nog steeds levende geloof in de eenheid tussen Bijbelse geschriften en de wetenschap.
In zijn artikel belicht Weststeijn de meerwaarde als ik het oneerbiedig mag zeggen van het jezuiet-zijn. Ad majorem dei gloriam dat wij als latinistjes duizenden keren op de hoofding van ons huiswerk achterlieten. Tot meerdere eer en glorie van god. Vita activa, meneer. En dat met een een grensloos optimisme.

‘Dus het was noch misplaatste eerzucht, noch een zweverig soort holisme waardoor Kircher werd geïnspireerd bij zijn vertalingen van de hiërogliefen. In de eerste plaats werd hij gedreven door geloofsijver. In navolging van zijn grote voorbeeld Ignatius (stichter van de firma) verrichtte hij zijn werk tot meerdere glorie van God.” (Westeiijns)”Ignem veni mittere in terram, et quid volo nisi ut accendatur’ was de spreuk van Ignatius, ik heb het licht op aarde gebracht en ik wil niets anders dan dat overal ter wereld wordt ontstoken.
Een dergelijk licht nam ook wel eens andere vormen aan. Dat kon de monnik Bruno Giordano, één jaar voor Kirchers geboorte, in 1600, ervaren toen hij op het campo dei fiori in Rome op de brandstapel stierf.
Ook hij was op zoek naar die kosmologische eenheid, hij schreef over de oneindigheid van het heelal en wilde de bijbel niet als wetenschappelijk boek zien maar een boek dat je op zijn morele merites moet beoordelen.

In deze rumoerige tijden van verre reizen ter land te water en in de geest leefde ook de schilder Michael Sweerts.
Was het voor hem ook a.m.d.g. toen hij zich geroepen voelde om met de missions étrangères naar het verre Oosten te vertrekken en in Goa te gaan sterven. (bij de Jezuieten)
Dat is voor de voorlopig laatste bijdrage over de drie mannen die ik samenbracht: Pietro del Valle, Athansius Kircher en Michael Sweerts. Op het kruispunt van de Rennaissance en de tijd van de Verlichting, of ligt het kruispunt dichter bij ons?
De geur van brandstapels en heksenjachten, was het daarom dat Michael naar de neus wees op zijn portret man met doodskop?
Kijk maar naar Kirchers afbeeldingen van Noah’s ark. Wordt het weer tijd om in te schepen of zijn we niet meer bang van een verwoestende God en vechten we het onder elkaar uit wie er een plaats krijgt en wie niet?


op de breuklijn (157)

608_3deae68e84caa70d64d7b0a15c1d948a

Athanasius Kircher was goed bevriend met Bernini, de prins van de Romeinse kunstenaars. Nog een raakpunt met Michael Sweerts die door de pauselijke neef Camillio tot ridder van de heilige stoel werd bevorderd, een titel die je niet zo maar kreeg als Brussels schildertje in Rome temidden van de Bent en andere buitelandse kunstenaars.

Met Bernini werkte Kircher aan de restauratie en opstelling van de grote obelisk en de vier-stromenfontein op de piazza Navona.
En dat hij niet alleen een kamergeleerde was zien we als in 1656 de pest uitbreekt en Kircher dagenlang bij de verpleging van de doodzieke slachtoffers is te vinden en later “scrutinium pestis physico-medicum(1658)” publiceert waar hij vermoedt dat de ziekte door een bacterie wordt verspreid.
Hij componeert muziek, schrijft zijn “musurgia universalis”, heeft het over magnetisme in “magnes sive de arte magnetica” en het al eerde geciteerde “Oedipus Aegypticus”

Hij ontwerpt apparatuur, legt een eigen verzameling aan in zijn museo Kircheriano, een voorloper van een natuurkundig museum van deze tijd, en krijgt van verschillende vorsten en andere invloedrijke mensen toelages naast de inkomsten van een steeds maar stijgende boekenverkoop (in Amsterdam gedrukt).

Wie is deze vreemde man op de breuklijn tussen Renaissance en Verlichting?
Waarom wordt hij bijna onmiddellijk vergeten na zijn dood in 1680?
Waarom is der de laatste vijf, zes jaar zo’n hernieuwde belangstelling voor deze figuur en deze tijd?

Wordt nog even vervolgd dus.


tussen licht en donker (156)

DCF 1.0

Al wat zichtbaar is
komt vanuit de duisternis
en wij zien
de werkelijkheid
op zijn kop geprojecteerd
en geloven met zijn allen
dat wij het echte leerden kennen.

Vanuit de donkere kamer
trekken wij ten strijde
-god wil het-

het schimmenspel als hoogste goed.


licht en schaduw (155)

506_2dba85ec21e26e6863296d872627e71f

Na acht jaar Rome was Kirchers faam zo verspreid dat hij van lesgeven werd vrijgesteld en hij zich helemaal aan zijn passie kon wijden: het verzamelen van gegevens.

Hij ontwierp in 1661 een rekenorgel, een organum mathematicum, voor de twaalfjarige hertog Karl Joseph von Habsburg, een jongetje dat zich niet te veel mocht inspannen en dus met dit apparaat leerde rekenen zonder al te veel denkarbeid te moeten verrichten.
(de jongen stierf op 15 jarige leeftijd)

Hij bestudeerde de optiek en schreef een belangrijk werk daarover: Ars magna luci et umbrae, de grote kunst van het licht en de schaduwen.
Hij stelt hij de “toverlantaarn” voor die hijzelf de Lucerna magica noemt. Hij (en met hem de hedendaagse schilder Hockney) dacht dat je met de hulp van dit apparaat kon schilderen naar de natuur.
Al gebruikten heel wat schilders deze donkere kamer, toch ben ik er zelf van overtuigd dat ze alleen maar een hulpmiddel kon zijn, en niet zoals Kircher schrijft dat ze de opleiding overbodig zou maken en het schilderen dus in feite copiëren zou worden. Maar dat is dan weer een ander verhaal.

Naast zijn opzoekingen met zijn microscoop ( hij noemt hem”smicroscopium) en telescopen bracht deze studie hem inzichten in de aard en de mogelijkheden van het licht.
Vreemd genoeg is de afbeelding van een dergelijke projectie in zijn boek wetenschappelijk fout: het beeld zou immers op zijn kop moeten staan, maar wordt rechtop afgebeeld.
Dergelijke projecties hadden daarnaast ook vervormingen en beeldstrepen tot gevolg zodat je dus moeilijk van exacte copie kon spreken en al probeert Hockney deze vervormingen aan te tonen bij verschillende schilders, de gelaagdheid van het kunstwerk is met geen enkel apparaat te copiëren maar eigen aan de persoonlijkheid en de individualiteit van de kunstenaar.
Toch gebruikten de Jezuieten het apparaat volop in hun onderwijs als “projector”.

Gebruikte Michael Sweerts deze lanterna magica, of schilderde hij vanuit zijn eigen waarnemingen?
Kende hij Kirchers werk? Heeft hij hem ontmoet?
Er is geen enkel document dat een dergelijke ontmoeting kan staven, maar de geest waait waar hij wil, en als we in een soort collectief onderbewustzijn kunnen geloven waren zij allemaal delen van dezelfde 17de eeuwse ziel.

Maar terwijl Sweerts op reis is naar het verre Oosten, en de zonen van Pietro vaders werk uitgeven, werkt Kircher ijverig verder.
Michaels personages kijken hen allen na, al eeuwen lang.


het boek der wereld (154)

253_5c3f9b19be1694184ba2e95428c2fe02

In Avignon werkt Kircher verder aan zijn projecten.
Belangrijk is de Fransman “Nicolas Claude Fabri de Peiresc” die in Europa en Afrika een netwerk van geleerden en waarnemers had opgezet om de hemellichamen te bestuderen. Een rijke aristocraat die correspondeerde met iedereen die naam en faam had op wetenschappelijk gebied.
Door Peiresc kwam Kircher in kontakt met het Habsburgse hof en werd hij naar Wenen ontboden om daar de plaats van de intussen overleden Kepler in te nemen.
Maar omdat Peiresc dacht dat Kircher weldra de hiërogliefen zou kunnen ontcijferen, wendde hij zijn invloed bij de Barberini’s aan en werd Kircher een leerstoel voor wiskunde aan het Romeinse kollege te Rome aangeboden. En “aanbieden” wil in Rome zeggen: doen!

De jaren in Rome werkt Kircher aan verdere studie rond die hiërogliefen en de Koptische taal. Hij dacht immers (ten onrechte) dat deze gesproken taal het vervolg was op de geschreven taal der hiërolgliefen.
Als hij in 1637 de jonge landgraaf van het groothertogdom Hessen-Darmstadt door Italië begeleidt, zijn ze getuige van een uitbarsting van de Stromboli en de Etna. Hij laat zich in de nog actieve krater zakken om het Vulcanisme te bestuderen.
Zijn werk “Mundus Subterraneus” zou zijn interesse voor geologie bewijzen (1665)

Daarna blijft hij in Rome.
Piedro del Valle en Kircher zijn natuurlijk goede vrienden geweest.
Als Kircher in 1652, het jaar van Pietro’s dood, zijn boek “Oedipus Aegypticus” publiceert dan schrijft hij daarin over de twee mummies die Petro van zijn reis had meegebracht.
In 1644 had Pietro nog het voorwoord geschreven bij het Latijns-Koptische onomasticon “Lingua Aegyptiaca Restituta”, en Kircher herinnert zich de lange discussies met deze reiziger.

Intussen werkte Michael Sweerts in Rome, en waarschijnlijk begeleidde hij de broers Deutz die de Grand Tour door Italië maakten.
Vlakbij de via Margutta trouwens aan de piazza del Populo was het gebouw van de propaganda del fide, en daar werkte de neef van Petro’ s eerste vrouw, Ferdinand.
Het boek van de wereld. Roma. Wordt zeker vervolgd.


op weg naar Rome (153)

103_758c9deecbd9c0935dede91d8ee9096f

Hij komt al vlug bij de aartsbischop van Mainz terecht en na diens plotse dood studeert hij theologie en kreeg hij een telescoop in handen waarmee hij de toen pas ontdekte en fel bediscussieerde zonnevlekken bestudeerde.
In 1628 wordt hij geprofest en men stuurt hem naar Speyer om er het derde dele van zijn proeftijd in afzondering door te brengen.
In de collegebibliotheek aldaar komt hij voor de eerste keer in aanraking met Egyptische hiërogliefen. Ze zullen hem levenslang blijven intrigeren.
Na zijn proeftijd komt hij in Würzburg terecht, vervolmaakt zich in de wiskunde en publiceert er zijn eerste werk over magnetische fenomenen.

Ars Magnesia, Hoc est Diqvisitio Bipartita empeirica seu experimentalis, Physico-Mathematica de Natura, Viribus et prodigiosis effectibvs Magnetis, quam Cum theorematice, tum problematice propositam, nouoque methodo ac apodictica seu demonstrativa traditam, variisque usibus ac diuturna experientiam comprobatam, fauente Deo, tuebitur.

Hij besluit missionaris te worden en naar de pas gestichte missies in China te vertrekken. Maar dat wordt hem niet toegestaan.
Hij heeft er ook een visioen (ik moest aan Carl Jung denken!). Soldaten marsjeren de tuin binnen en zijn plots verdwenen als hij zijn vriend Gasper Schott roept.
Nog geen jaar later heeft de protestantse koning Gustav Adolf van Zweden Franken en Würzburg ingenomen en vlucht hij met zijn vriend naar Avignon.
Hij zal nooit meer naar Duitsland terugkeren.


wetenschapper of fantast? (152)

032_7e467f6357301faaaa227adfe0ddaab1

Hij werd geboren in 1602 in het Duitse Geisa aan de Ulster.
Hij was de jongste van zes zonen en drie dochters. Zijn vader studeerde theologie en filosofie aan de universiteit van Mainz en werd (leken)doctor in de theologie.
Opgevoed aan het jezuietencollege in Fulda waar hij Grieks leerde en volgens sommigen bronnen maakte hij kennis met het Hebreeuws bij een Joodse rabbijn.
Wilde al op zijn dertiende bij de jezuietenorde binnengaan, maar dat lukte niet dadelijk. Door zijn schuchterheid dacht men dat hij niet zo verstandig was.
Kreeg dan bij het schaatsen een lelijke wonde aan zijn been, hield die verborgen tot aan zijn noviciaat in Paderborn en daar genas deze wonderlijk na een innige nacht bidden voor een Mariabeeld.
In 1621, een jaar na zijn geloften marsjeerden de soldaten van von Brunswick de stad binnen en de jezuieten moesten vluchten.
De jongeman komt bij het oversteken van de rivier op een stuk ijs terecht dat zich van de oever losmaakte en hij belandde in het ijskoude water.
Op eigen kracht redde hij zichzelf en legde de drie mijl te voet af terug naar zijn college waar hij toch een aantal dagen nodig had om op krachten te komen.
Daarna, op weg naar Keulen, valt hij in de handen van protestantse soldaten die hem uitkleden, op een paard binden en hem willen ophangen. Maar één van hen is zo getroffen door de standvastigheid van onze held dat hij zijn leven spaart.
Slechts licht gekwetst bereikt hij twee dagen later Heiligenstadt waar hij als leraar wiskunde, Hebreeuws en Syrisch doceerde.

Hij was ook knap in het ontwerpen van vuurwerk en bouwde merkwaardige optische apparaten.
De naam van dit wonderlijke wezen: Athanasius Kircher.


man met connecties (151)

648_950602494989f4db4b73a7e76efa5298

Zo ziet Michale Sweerts Mars die de schoonheid verwoest.
Het is niet denkbeeldig want Sweerts leven zit voor een groot stuk in de dertigjarige (godsdienst)oorlog gevat.
Zijn geboortedatum, 1618, is het begin van die bloedige oorlog en het zal tot 1648 duren, door de reeds geciteerde vrede van Westfalen (Münster) eer de rust enigzins terugkeert.
Zijn Mars is gekleed als generaal, als bevelhebber van de katholieke of protestantse fracties.
Hij verwoest een atelier vol schoonheid, hij zet zijn voet op de klassieke wereld.
Is het een verwijzing naar Urbanus VIII die (net als zijn voorgangers) een deel van de antieke Romeinse overblijfselen liet opruimen zoals de 180.000kg metaal van het Parthenon-dak, metaal dat diende om er kanonnen uit te gieten?

Verhalen over nieuwe culturen, over een bloeiende Oosterse katholieke kerk (onder leiding van de jezuieten) over andere zeden en gewoonten zullen Michael zeker hebben aangetrokken.
Er was trouwens ook nog een neef van Del Valle’ s overleden Armeens-Syrische vrouw Maani. Ik vond zijn naam bij de propaganda-afdeling van het Vaticaan, ene zekere Ferdinand Gioerida, priester en kontaktpersoon tussen Paus Innoncentius X en de Oosterse vorst Mar Shim ‘un XI.
Het kan niet anders of Sweerts heeft hem via zijn beschermer, Camillo Pamfili, de pauselijke neef, gekend net zoals hij de drukke zonen van Pietro tegen het lijf heeft gelopen.

Maar er was nog iemand. Een andere reiziger. Een reiziger van de geest. Ook hij heeft de wereld gezien, een verscheurde wereld tussen Rennaissance en de aanstormende 18de eeuw van Verlichting.
Hij opperde als eerste dat de pest van 1656 in Rome (het jaar nadat Sweerts in Brussel zijn academie stichtte) zijn oorzaak vond in kiemen, begon hiërogliefen te ontcijferen, publiceerde over de aard van het licht, verzon afluisterapparatuur voor het vaticaan, en publiceerde een werk over een soort muziekcomputer, en dan ben ik niet eens halfweg, kortom een soort ontdekkingsreiziger die niet alleen in een vulkaan afdaalde maar oog had voor de diepten van de menselijke geest.


twaalf jaar onderweg (150)

553_b1a96e9367c58c3616da8aba2b9fe234

Zijn naam is Piedro del Valle.
Zijn pa heette Pompeo en zijn moeder Giovanni Alberini, beiden van goede komaf want hun familie was een van de oudste en “illustrious” van Rome en telde onder hun kroost twee kardinalen. Ook een kerk droeg hun naam “St Andrea del Valle”.
Pietro zag het levenslicht zoals men zo mooi zegt op de 11de april 1586, hij zou eergisteren 419 jaar zijn geworden.
Van zijn jonge jaren weten we weinig tenzij hij een lid was van de humanistische kring “Umoristi” in Rome, woord dat niets met leute en plezier had te maken, maar alles met wetenschap en literatuur.
Na een diepe liefdesontgoocheling trekt hij in Napels het habijt van een pelgrim aan en noemt hij zich ook “Pellegrino”, ook al zal hij nadien wel andere dan godsvruchtige reizen maken.
Het is op raad van zijn vriend, arts en geleerde Mario Schipano dat hij in 1614 inscheept en een jaar lang in Constantinopel blijft. Daarna trekt hij naar Klein Azië en Egypte, en vandaar naar de Sinaiï berg naar het klooster van Sint Katherina en verder naar Palestina waar hij Jerusalem en de heilige plaatsen bezoekt.
Maar hij wil verder, dus vinden we hem terug in Damascus, Aleppo, en Bagdad.
Op zijn terugreis van Bagdad huwt hij de 18-jarige Maani Gioerida, een jonge Assyrische Christene.
(haar vader was een Syrische, haar moeder een Armeense)

Haar moeder was naar Bagdad getrokken nadat haar dorp door de Kurden was verwoest, en ze was in het Turks opgevoed, als aanvulling op de Arabische taal die ze van huis uit sprak.
Het huwelijk vindt plaats in 1616, en zijn vrouw zal hem op zijn verdere tochten vergezellen.
Ze trekken dan verder door Perzië. Ze bezoeken Ispahan en Hamadan en komen in kontakt met shah Abbas, die tegen de Turken wil optrekken, een visie die de Christenen op dat moment steunen gezien de voortdurende konflikten met het Ottomaanse keizerrijk.

Ze trekken met hem ten oorlog, en hij schrijft over zijn vrouw als: “een krijger die er niet voor terugdeinsde bloed te zien of schrok van het geluid van geweerschoten.”
Ze reizen terug naar Ispahan en verlaten deze stad op de 1ste oktober 1621. (dan is Michael Sweerts 5 jaar!)
Ze bezoeken de ruïnes van Persepolis en Shiraz en reizen naar de Perzische golf.
In Mina dichtbij de golf van Ormuz sterft zijn vrouw, op 30 december 1622.
Hij balsemt het lichaam en bewaart het in een kamferoplossing om het drie jaar lang mee te nemen op de terugweg naar Rome waar hij haar wil bijzetten in het familiegraf.
Voor haar dood had ze nog een Georgisch meisje geadopteerd, Maria Tinatin di Ziba, en dat zal hem blijven vergezellen op zijn reis naar India waar hij op 16 november 1624 in Goa aankomt.
Vandaar reist hij Aleppo en via Cyprus, Malta en Sicily terug naar Napels en vandaar naar Rome waar hij op 28 maart 1626 aankomt en het lichaam van zijn vrouw in de kerk van Ara Coeli bijzet in de grafkelder van de del Valla’ s.

Hij wordt kamerheer van paus Urbanus VIII en huwt met de jonge Georgische. Zij wordt de moeder van veertien zonen.
Die nakomelingen maken het zo bont ze voor een tijdje naar Urbino verbannen worden, en na een incident met een lijfwacht van de paus zelfs naar Napels moeten verhuizen.
Maar door tussenkomst van kardinaal Francesco Barberini mogen ze terugkeren naar de heilige stad waar ze tot aan de dood van Pietro in april 1652. zullen verblijven.

Hij ontving er zijn vrienden, en van de Umoristi kreeg hij de naam “Il fantastico”. Hij componeerde muziek en vond zelfs twee nieuwe instrumenten uit, de cimbalo esarmonico en de violino panormonico.

Zijn faam echter heeft hij aan zijn reizen te danken want hij bracht zelfs twee mummies mee die naar een hele omzwerving via de Chigli familie in Dresden terechtkomen en daar nog kunnen bewonderd worden.

Zijn geschriften over zijn reizen zijn als brieven aan zijn vriend Schipano uit Napels opgevat. Zijn observatietalent is onmiskenbaar. Hij sprak zelf Turks, Perzisch en Arabisch. Hij bracht de Oosterse wereld dichterbij het Westen, een beweging die zich met wisselend succes tot in de 21ste eeuw zal verder zetten.

En wat heeft nu Michael Sweerts met dit verhaal te maken?
Waarom werd hij zo’n overtuigde missionaris, wilde hij naar het verre Oosten? Kijk naar één van zijn werken van barmhartigheid, de naakten kleden. Was het alleen maar een werkelijke bekommernis voor het leed van de wereld, was het de bekeringsijver van die dagen, of speelden er nog andere verhalen mee?
In mijn volgende bijdrage probeer ik kontaktpunten te vinden, en al zijn ze hypothetisch, ze brengen een Brusselaar die in Rome werkte en met Franse missionarissen naar het verre Oosten trok om in Goya te sterven, misschien dichter bij ons, al zal hij waarschijnlijk net zoals zijn kinderportretten telkens weer naar onbekende verten wegkijken.