570_61ae2c056df4f6d5a84eb7b010dfd1d1

Wensen en verwensingen behoren niet tot mijn sterke kant, beste reisgezel.
Daarom, nu het dan toch 2006 is, dit mooie fragment uit een toespraak van dichter en schrijver Joseph Brodsky.

In tegenstelling met wat sommigen denken is dit niet voor anderen bedoeld, niet voor mensen in het algemeen of in het bijzonder.
De woorden troffen mij vooral omdat ze zeker op mezelf van toepassing waren.
Vandaar.

Het beeld is een unieke tekening van Christofano Allori, “La Fortuna”, het Lot.


Probeer koste wat het kost te vermijden dat je jezelf de slachtofferstatus toekent.
Bewaak van al je lichaamsdelen je wijsvinger het meest, want hij is verwijtziek.
De beschuldigende vinger is een slachtofferslogo: het tegendeel van een V-teken en een synoniem van capitulatie.
Hoe ellendig je toestand ook mag zijn, probeer je ervan te weerhouden er iemand of iets de schuld van te geven: de geschiedenis, de overheid, je superieuren, ras, ouders, de maanfase, je kindertijd, zindelijkheidstraining, enzovoort.

De lijst is lang en slaapverwekkend, en dat alleen al zou intelligente mensen de lust moeten benemen er een greep uit te doen.
Zodra je bij iets of iemand de schuld legt, ondermijn je bij jezelf de vastberadenheid om ergens iets aan te veranderen; je kunt zelfs betogen dat het wild heen en weer gaan van de verwijtvinger geen andere oorzaak heeft dan dat het sowieso al aan die vastberadenheid schortte.

De slachtofferstatus is tenslotte niet zonder verlokkingen.
Hij dwingt mededogen af, verleent distinctie, en hele landen en continenten koesteren zich in de nevelen van een mentaal kortingstelsel dat zich afficheert als het slachtoffergeweten.
Er bestaat een complete slachtoffercultuur, van agogen tot internationale leningen.
Wat heel dit netwerk heet te beogen, in de praktijk bewerkstelligt het dat de verwachtingen van meet af aan laag gehouden worden, zodat een miezerig stapje vooruit kan worden gezien of aangeprezen als een grote doorbraak.

Dat heeft uiteraard een therapeutische waarde en, gelet op de schaarste van ‘s werelds natuurlijke hulpbronnen, misschien zelfs een hygiënische, dus kun je bij gebrek aan een betere identiteit desnoods deze omhelzen -maar probeer je ertegen te verzetten.

Als is het bewijs dat je tot de verliezers behoort nog zo overvloedig en onweerlegbaar, weiger het te erkennen zolang je bij je volle verstand bent, zolang je lippen het woord ‘nee’ kunnen uitspreken.

Probeer, meer in het algemeen, het leven niet alleen te respecteren om zijn zonzijde maar ook om zijn schaduwkanten.
Die horen er ook bij, en het positieve van die schaduwkanten is dat ze niet bedrieglijk zijn.
Als het slecht met je gaat, als het tegenzit, als je de wanhoop nabij of wanhopig bent, bedenk dan dat het leven op zulke momenten tot je spreekt in de enige taal die het goed kent.

Probeer met andere woorden een beetje masochistisch te zijn; zonder tikkeltje masochisme is de zin van het leven niet compleet.
Het is misschien dienstig om proberen te onthouden dat de notie van menselijke waardigheid geen grabbelton is maar een absoluut begrip; dat zij niet verenigbaar is met beroep op verzachtende omstandigheden en haar kalme onbewogenheid ontleent aan het ontkennen van wat overduidelijk is.

Mocht je dit betoog wat al te bevlogen vinden, bedenk dan tenminste dat wie zich als slachtoffer ziet het toch al grote vacuüm van niet-verantwoordelijk-zijn vergroot dat demonen en demagogen zo graag opvullen; wilsverlamming is namelijk niet iets waar engelen van watertanden.

(Joseph Brodsky, uit: Toespraak in het stadion, in 1988 te Ann Arbor uitgesproken als rede tot de afgestudeerden.)
Joseph Brodsky, Essays, het verdriet en de rede, De Bezige Bij, A’dam 1997