klei en een lork (397)

097_fc2aa835c706ce8110e37abdfd495e71

Neen, niet de prehistorie, al zou je dat ook wel eens denken als je sommige televisieprogramma’ s bekijkt, maar de PREEK-historie, zei ze, dat is de tijd waarin wij leven, dat is een eerste gedachte die ik bijhield, net voor het slapengaan.

Dan de kleinste.
Laatste kleuterjaar.
Op de wandeling vindt ze een blaadje en even later is ze gebiologeerd door modder.
Met modder kun je van alles doen, hè opi?
Ik zie dadelijk de schepper aan het werk, de modderpeople, mooie Chinese beeldjes, en tenslotte Fanny Ferre waarover ik straks nog iets vertel.
Maar zij heeft op het afgevallen blaadje met modder een gezichtje gemaakt: twee ogen, een neusje en een vage aanduiding van een mond.
Kijk, dat kun je met modder doen, tekenen. Hou jij het bij?

Op de terugreis.
Zie je de bomen die hun naalden verliezen, dat zijn lorken.
Ze kijkt naar buiten. Ze knikt.
“En met de lente zweven die naalden allemaal terug naar boven, hé?”

Zoveel schoonheid op één dag, en dan nog gezalfd door een overschot aan laat licht dat maar van geen ophouden weet ook al krimpt het elke dag een hanenschrei.
En nu kom ik bij Fanny Ferre.
Ze was ook maar vijf toen ze met kleien begon, en ze is tot op de dag van vandaag niet opgehouden.
Ze maakt vreemde beelden, aantrekkelijk voor mensen die van het figuratieve houden, maar ze laten je niet los als je ooit met hen bent geconfronteerd.
Eerst denk je: dit is gemakkelijk, dit is een herhaling van een succesvolle truc, maar ze blijven je aankijken, en de woorden houden op zoals ze ophielden bij de naalden van de Ardeense lorken die gewoon op de lente wachten om weer naar boven te zweven.

Dus geef ik je gewoon een beeld mee van haar werk naar aanleiding van een tentoonstelling in Chartres. Helemaal onderaan haar website.
Want ik wil niet bij de preek-historie gaan behoren al ben ik volop bezig, maar toen ik net het achtbare gezelschap van morgen beter van bisschop tot deleu bezig hoorde viel het mij op hoe abstraherend zoiets werkt, de mensen zijn bang, Vlaanderen is bang, de duurzaamheid en solidariteit tot ik het zou uitroepen en vragen of ze niet beter met slijk zouden gaan spelen om weer eens de modder van het bestaan te voelen(stop-stop—–) en….
Ik rem op tijd, glij zachtjes tot aan de klok van twaalf en laat Fanny Ferre aan het beeld.

Een bos lorken, dat zijn wij.
Ha, gij dacht dat alleen de bozen hun naalden verloren?
En wie ben jij dan wel, heilige boom?
Een kerstboom?
Wel…

https://atelier-artiste.pagesperso-orange.fr/fanny-ferre/


oude geliefde (396)

360_16ea33e4a80955ee6cd5b170a3b0c882

En dit is tenslotte een moderne versie uit ons eigen taalgebied.
De tekst van Niels Thomassen.

Oude geliefde

Er is geen moment dat ik niet aan je denk
Je sluimert zomaar op de achtergrond

Altijd ben je daar

Jouw gefluister zal ik nooit vergeten
En ook jouw tranen niet
Ook niet de laatste die ik zag

Vooral die niet

Altijd als ik je zei:

Ik hou van je

Dan deed ik dat met heel mijn hart
Elke keer dat ik ’t je zei

En mijn angst jou te verliezen,
Was mijn diepste angst
Want met jou, verloor ik mijzelf

Mijn geliefde, mijn angst kon je niet met me delen
Want jij had de jouwe, die je dragen moest
En toen jij jezelf verloor, verloor je mij

Ik zoek je nog in elk gezicht
Ik zoek je, probeer je te vinden

Als ik over straat wandel
Of als ik sta te wachten, zomaar ergens

Er waren anderen maar niemand zoals jij
Er is niemand die die stilte vult
Dat kon jij alleen jij

De liefde is verraderlijk, dat weet ik nu
En misschien weet jij dat nu ook

Wellicht spreken we elkaar ooit nog
Of zien we elkaar in het voorbij gaan

En dan doen we net alsof we een schim hebben gezien
Alsof die leegte niet bestaat
En groeten we elkaar met een glimlach

Niels Thomassen


over alle heuvelen (396)

336_0ba82bbe85ed1cc54b921c9db759b374

Om het weekend te overbruggen stuur ik jou, net voor ik naar de heuvelen vertrek dit overbekende maar nog steeds mooie gedicht van Goethe.

Het schilderij van Friedrich spreekt voor zichzelf.

Abendlied
Goethe
(1780)

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (slot) (395)

dresden

En zo keren we terug naar Caspar David Friedrich.
Het valt me op dat al deze kunstenaars en filosofen intense contacten cultiveerden, bij elkaar in de leer gingen of minstens met elkaar correspondeerden.
In deze tijd waarin je per gsm de halve wereld kunt bestellen, waarmee je via internet alle mogelijke bibliotheken kunt raadplegen, is dat blijkbaar anders.
Mensen van dezelfde universiteit zien elkaar, vakmensen kennen elkaar, en in de afzonderlijke kunstenwereldjes bestaan er “de oude bekenden” die na één jaar weer verdwijnen of niets meer van zich laten horen.

In mijn werk in Florence moet ik telkens weer nagaan wie van waar komt en stelt men mij vragen over mijn werkgevers, mijn publicaties of connecties.
Zelden hebben we het over de alledaagse dingen zoals daar zijn onze vrienden en vriendinnen, de huizen waarin wij wonen, de boeken die we lezen of de dingen die ons bezighouden.
Citeer ik een naam uit de kringen van een wereldmuseum dan gaan de deuren open, vraag ik naar een persoonlijke opinie over een bepaalde tekening of prent dan ontwijkt men mijn vraag of vertelt dat zijn/haar vakgebied niet tot die eeuw of geografisch onderverdeling gaat, en kom ik al eens iemand tegen die mensentaal spreekt, dan heeft hij allerlei problemen met zijn academische of andere overheden want de buitenbeentjes zijn niet dadelijk populair.

Friedrich had een drukke en ruime kring mensen om zich heen.
Hij zocht ze op, Goethe kwam in zijn atelier, trok met hen rond en tekende of schilderde samen, en wisselde ideeën uit.
Georg Friedrich Kersting, de beeldhouwer Gottlieb Christian Kühn, Ernst Moritz Arndt in Dresden, Carl Gustav Carus, Philipp Otto Runge, en zeker niet in het minst de Noorse landschapschilder Johan Christian Dahl.

In 1823 wonen ze zelfs in hetzelfde huis (An der Elbe, 33)

Ik kom op mijn woorden terug, want ook voor Friedrich breken zwarte tijden aan.
Er is eerst en vooral zijn ziekte die in 1825 uitbreekt en die hem tot aan zijn dood in 1840 zal hinderen.
Het “realisme” rukt op in de beeldende- en andere kunsten.
Als hij in 1833 9 werken tentoonstelt in de Kunst- und Gewerbeausstellung in Köningsbergen, wordt het duidelijk dat zijn romantische opvattingen passé zijn.
In 1835 krijgt hij een eerste beroert die zijn rechterhand verlamt, en hij kan nog naar een kuuroord met het geld dat hij uit de schilderijenverkoop aan de Russische tsaar overhoudt, maar in 1837 treft een tweede beroert hem die hem bijna volledig verlamt.
Hij sterft op de 7de mei in 1840 en wordt op het Trinitätsfriedhof in Dresden-Johannstadt bijgezet.

Het zal tot een eind in de 20ste eeuw duren eer hun werken weer volop inspirerend beginnen te werken, en misschien dat we in deze jonge nieuwe eeuw meer dan ooit zullen begrijpen wat hen zo uitzonderlijk maakte.

Ik stuur je nog een mooi doek van Dahl, zijn boezemvriend.
“Volle maan boven Dresden”, heet het.
Het maakt in mij allerlei tegenstrijdige herinneringen wakker: een kinderdroom, het gehuil van sirenes, het eeuwig zoeken naar een verdwenen huis (nachtmerrie), en aan de andere kant het gevoel thuis te komen, buiten te kunnen zijn terwijl iedereen bewusteloos in zijn bed ligt.

Geniet van de dagen op het land, lieve vriend.
Laten we elkaars brieven herlezen en volgende week elkaar weer treffen langs dit wonderlijke vervoermiddel, en ook dat woord mag je in al zijn betekenissen duiden.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (7) (394)

koppel

Februari 1802
In een brief aan zijn broer schrijft Philipp Otto Runge:

“Wij staan op de rand van de al de godsdiensten die aan het katholicisme ontsproten.
De abstracties verdwijnen, alles wordt meer etherisch en lichter, alles komt samen in het landschap.
We proberen iets te onderscheiden in dit floeë, zonder te weten wat we ermee aan moeten.
Kunnen we geen hoogtepunt vinden in deze “art nouveau”? – die Landschaftmalerei, de kunst van het landschap om ze een naam te geven.
Een mooier hoogtepunt wellicht dan degenen die eraan vooraf gingen?
Ik wil mijn leven in een artistieke cyclus gieten.
Als de zon verdwijnt en de maan de wolken met goud bekleedt, dan zal ik de loop der geesten vastleggen.
Als we niet de mooiste periode van deze kunst kunnen beleven dan zullen we ons leven wijden aan het werkelijk opwekken ervan en ze in waarheid beleven.”

Hij zal huwen in april 1803 met Pauline Bassenge en ze zullen samen vier kinderen hebben.
Het laatste kind zal één dag na zijn overlijden geboren worden.
Hij heeft nog een kleurenleer ontwikkeld (1808), met Goethe gecorrespondeerd en Brentano ontmoet.
Hij is 33 geworden.

Brentano schrijft:
“Ween niet om zijn vroegtijdige dood. Hij heeft niet geleefd: hij was een dageraad.”

Kijk naar het raadselachtige werk dat ik je gisteren meestuurde.
Als tegengewicht zend ik je vandaag het mooie portret dat hij van zijn ouders maakte.
Cezanne schreef over zijn werk:
“Hij was op weg naar het Primitieve dat hij ontdekt had.”
Vergeten in de 19de eeuw werd hij herontdekt in de 20ste en zowel bij die Blauen Reiter als bij Schlemmer, Paul Klee en Kandinsky kun je zijn invloed vinden.
Alsof al de kracht in zijn korte leven was samengebald om over de rest van de negentiende eeuw tot bij ons te springen.

In het pas verschenen boek “L’ orgasme et l’ Occident, une histoire du plaisir du XVIe siècle à nos jours” editions Seuil, citeert Robert Muchembled Max Weber.
Hij ziet in de protestantse ascese het actieve princiepe van de kapitalistische moderniteit.
Wellicht hebben enkele vroege geesten een andere weg gezocht waarin de naarstigheid in dienst van de bijna onmogelijke eenheid tussen het goddelijke en de wereld werd gebruikt.
We hebben elkaar al geschreven over Henri James en het verbaast me dus ook niets dat de filosofische werken van zijn broer William (1842-1910) weer volop in de aandacht komen.

Of hoe hij de draad weer opnam en dit opnemen pas een eeuw later duidelijk wordt.
Misschien hebben we steeds een eeuw nodig om de vroege geesten te ontdekken.
Laten we intussen van hun vormen en kleuren genieten of hun geschriften lezen zodat we de tijd vertragen, ja zelfs terugkeren naar die plaatsen waar Ariadne voor Theseus het labyrint toegankelijk maakte.
“L’ experience pure” om het in ‘t Frans met William James te zeggen, polyglot als hij was in alle betekenissen van het woord.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (6) (393)

061_8c4c84e5b9eff5ca08720a5d2facdb91

Wanneer gij de wereld verlaat, komt gij in dat, waaruit de wereld gemaakt is…)

Jacob Boehme

Gott sei mit dir, geh hin und wasche
Die Augen dir mit Morgentau.
Sei treu dem Buch und meiner Asche,
Und bade dich im ewgen Blau.

Du wirst das letzte Reich verkünden,
Was tausend Jahre soll bestehn;
Wirst überschwenglich Wesen finden,
Und Jakob Böhmen wiedersehn.

laatste twee strofen van “An Tieck” een gedicht van Novalis

Heel toevallig staan in deze op het eerste gezicht “onschuldige” tekst enkele niet zo onschuldige verwijzingen zoals Gott sei mit dir, sei treu, das Reich das tausend Jahre soll bestehn.

Er wordt ook nog naar ene Jacob Boehme verwezen, en dat vraagt een woordje uitleg.
Deze Boehme (1575-1624) uit arme godsvruchtige Lutherse ouders geboren in de nabijheid van Görlitz (Duitsland nabij de Poolse grens)was al van in zijn kinderjaren behept met de Rettung seiner Seele, en al was hij herder en daarna schoenmaker, hij bestudeerde dagelijks de bijbel.

Hij maakte zijn literair debuut toen hij 37 was, na het aanschouwen van de schittering in een tinnen beker, een visionair moment, en schreef “Aurora” dat in feite “Morgen Rothe im Auffgang” heette.
Een vrijwel ongeletterd man die een diep geïnspireerd boek schrijft, dat viel niet in goede aarde bij de lutherse predikant en hij kreeg dan ook vijf jaar schrijfverbod en werd daarna natuurlijk ook nog eens van ketterij beschuldigd.

Daarna volgden er nog zo’n dertigtal titels, werk dat sterk werd geïnspireerd door Paracelsus (Theoprastus Bombastus von Hohenheim -1493-1541), Kaspar Schwenkfeld (1490-1561) en Valentin Weigel (1533-1588), werken die vooral onder de noemer van de alchimistische literatuur vallen.

Deze Boehme was niet zo maar een bevlogen mysticus, want Georg Friedrich Hegel noemt hem zelfs de “Philosophus Teutonicus” en later zullen Swedenborg, von Leibnitz, Büber en Carl Jung van zijn invloed getuigen.

De Lutherse mystiek lijkt een contradictio in terminis, maar tegelijkertijd een soort ontsnapping aan de strengheid, de kaalte en vergaande “soberheid” van deze geloofsovertuiging.

Ik besef ook dat het terrein niet zonder gevaar is en de collega van mijn vriend psychiater, dhr. Carl Jung zaliger moest zich dan ook in allerlei bochten wringen om zijn ernstige studie vanuit de alchimie naar de genezende invloeden van zijn analytische psychologie te verantwoorden.

Ik kan niet ontkennen dat hun werken voortdurend worden ingenomen door volk van allerlei slag dat zich al dan niet zinnig bezighoudt met esoterie en dergelijke zwevende ervaringen die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw erg in zwang waren en ten allen tijden weer de kop opsteken.

Terug naar Otto Philipp Runge die in zijn werk inderdaad ook een soort enigmatische inhoud vertoonde en juist door die sterke mystieke sfeer een enorme indruk maakte en is blijven maken.
(de Fransen noemen dat heel mooi “plongée en soi”.)

Was Caspar David Friedrich een visionair schilder, Runge probeerde iets van “het grote Mysterie” (Mysterium Magnum) te doorgronden, helemaal in de zin van Jacob Boehme, en dat met totaal andere symbolen dan diegenen die tot dan toe opgeld maakten.
Runge verzon zijn eigen symbolisme.
Hij werd zonder het te willen een verre voorloper van de conceptuele kunst.

Ik stuur je hierbij een van zijn werken: de Morgen, een werk dat kadert in een serie over de tijd en de seizoenen.
Het is niet zo maar een allegorie.
Je hebt sleutels nodig om in het voelen en denken van de schilder binnen te dringen en zo wordt zijn schriftuur en zijn leven net zo belangrijk, en wellicht nog belangrijker dan het werk op zich.

Ik aarzel om het woord “initiatie” te gebruiken, maar in feite probeert de Romantiek in het algemeen en deze schilders en dichters in het bijzonder een nieuwe manier van denken en voelen aan te reiken die sterk aansluit bij enerzijds de middeleeuwse al dan niet verzonnen mystiek en anderzijds een stelling wil zijn tegen het louter rationele denken van de Verlichting.

En iedereen die initieert loopt het gevaar als Messias te worden erkend met de bekende gevolgen vandien op religieus, militair en filosofisch vlak.
Toch denk ik dat we ons van die vooroordelen moeten losmaken om met hun ogen te leren kijken naar de tijd waarin ze leefden en de tijden die daar tot in onze tijd het vervolg van waren.
Het is niet door het misbruik van hun werk (denk aan Wagners muziek) dat hun werk in dezelfde verderfelijke interpretatie moet liggen.
Net zo min als elke Entartete Kunst de waarborg zou zijn tot werkelijke kunst.

Je zult als eenzame ziel moeten gaan zwerven, gaan grasduinen in hun rijke beelden en geschriften.
Ik opperde ooit dat Europa de mystiek mist die het Oosten zonder enig voorbehoud laat samenvallen met de geplogenheden van een moderne maatschappij zoals bijvoorbeeld China of Japan.
We hebben de mystiek altijd gehad, en ik zal je de volgende dagen verder meenemen naar allerlei andere vragen en bronnen, maar onze huiver om je zogenaamde zekerheden los te laten heeft veel te maken met de bekrompenheid waarin wij de materie zijn gaan beleven.

Plonger en soi zonder te verdrinken maar met het perspectief van steeds een verdere diepte te ontdekken, het is een gedurfde onderneming die Novalis, Runge en Friedrich aarzelend zijn ingeslagen.
De spottende namen van “romantisch”, “Sehnsucht” en andere fraaie uitdrukkingen wijzen al op de vooroordelen die tot in de 21ste eeuw zijn blijven gelden.

Ik eindig zoals ik begonnen ben met een tekst van Novalis, “Ein müde Fremdling”.

Der müde Fremdling ist verschwunden
Und hat dem Freunde Platz gemacht,
Der aus so vielen trüben Stunden
Ein treues Herz davongebracht.
Auf immer nun mit euch verbunden,
Von keinem Kummer mehr bewacht
Hat er sich wieder selbst gefunden,
Und manches, was er nicht gedacht.

Ein Jahr mit seinen bunten Wochen
Verstrich, wir wußten selbst nicht wie.
Und anders, als wir uns versprochen
Klang oft des Lebens Melodie.
Doch fester ward mit jedem Tage
Das liebe Band um unsern Strauß
Und immer lauter ward die Sage,
Ein Blinder Knabe wär im Haus.
Es wußte Eine von euch beiden
Gewiß, was an der Sage war.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (5) 392

326_15c38956ad42316118cddbf42a7fb58c

Hoe meer ik je wil vertellen over deze grote breuk, deze andere benadering van de schoonheid, hoe meer ik de indruk krijg bij mijn familie binnen te komen, de geur van koffie te ruiken, de stoel achteruit te schuiven en eindelijk thuis te komen bij de thuislozen.
Daarom open ik vandaag met een gedicht van Ludwig Tieck (1773-1853) ein richtige Berliner, wiens naam al te gemakkelijk aanleiding gaf tot het flauwe woordspelletje: Ludwig Tieck, de koning van de Romantiek. Soit.

Zeit

So wandelt sie im ewig gleichen Kreise,
Die Zeit, nach ihrer alten Weise,
Auf ihrem Wege taub und blind;
Das unbefangne Menschenkind
Erwartet stets vom nächsten Augenblick
Ein unverhofftes seltsam neues Glück.
Die Sonne geht und kehret wieder,
Kommt Mond und kehret wieder,
Kommt Mond und sinkt die Nacht hernieder,
Die Stunden die Wochen abwärts leiten,
Die Wochen bringen die Jahreszeiten.
Von außen nichts sich je erneut,
In dir trägst du die wechselnde Zeit,
In dir nur Glück und Begebenheit.

Ik zal het later nog over Tieck hebben, maar in feite staat hier het hele programma in dit vers dat zich tot in het Indisch (Waktu) liet vertalen!
Een programma, en meteen de grote vergissing al mag je de tijd niet veroordelen met de ideeën die we met scha en schande pas later hebben opgedaan.

Ja, taub und blind, aber nicht “das unbefangene Kind”, en zeker niet das unverhofftes neues Glück, maar wel de gespletenheid dat niets verandert aan de buitenkant terwijl we van binnenin dachten gelukkig te zijn, of omgekeerd, al naargelang de omstandigheden.

En nu terug of verder naar Philipp Otto RUNGE, dat verloren gelopen kind (dat heb je met die unbefangenheit) dat nog steeds niet door zijn werk maar vooral door zijn leven ons (althans mij) blijft verbazen.

Als ik je de jaren van zijn aards verblijf opschrijf, 1777 tot 1810 dan merk je dat hij niet Tieck’s gezegende ouderdom heeft bereikt, integendeel, en net zoals zijn tijdgenoot Novalis door TBC te jong geveld werd, eine unvolendete achterlatend, iets wat ook de heer Schubert niet onbekend was.

Ook in Vorpommeren geboren, das Schwedische Pommeren in Wolgast, zoon van reder, streng protestantse familie en gelukkig door Kosegarten, rektor, theoloog en dichter in willekeurige volgorde, op jonge leeftijd ontdekt en van de nodige Sturm und Drang literatuur voorzien.
Een ziekelijk kind overigens, goed in het profielknippen en patroonsnijden, een dromer en voorbestemd om met zijn geliefde oudste broer Daniel de koopmansboekhouding in Hamburg onder de knie te krijgen.Maar tussen de balansen en de afrekeningen bleef er tijd om Tieck, Winceklmann, Goethe telezen en kennis te maken met Homerus, vergilius en Horatius.

Ludwig Tieck’s werk “Franz Sterneblds Wanderungen” trok vooral zijn aandacht, en het was onderandere dat werk dat hem de koopmanskunde vaarwel liet zeggen en zich aan het tekenen en schilderen ging wijden.

Die Lektüre von Klopstocks Dichtungen, von Herders Briefen über die Humanität,von Goethes Verser und Schillers Horen erweckten R.s literarisches Interesse ebenso wie Zeitschriften, vor allem die von Goethe herausgegebenen `Propyläen’ und das `Athenaeum’ (A.W. Schlegel). – Am 18. Okt. 1799 reiste R. von Hamburg über Kiel nach Kopenhagen um dort das Studium an der Kunstakademie aufzunehmen. Ein in Kreide gezeichnetes Selbstbildnis eröffnete ihm ab Mitte November den Zutritt zu dem Atelier des Thorvaldsen-Lehrers, Nikolai Abildgaard (1743-1809), der ihn insbesondere in Komposition, Akt und Antikenkopie unterwies; nebenher erhielt er Unterricht bei Gerhard Ludwig Lahde (1765-1833) im Freihandzeichnen und wenig später half ihm Jens Juel, der Direktor der Akademie, Einblick in die Ölmalerei und ihre Probleme von Licht und Farbe zu erlangen. Eine rege Zeit, angefüllt mit Zeichnen nach antiken Gipsabgüssen und Aktmodellen, theoretischen Studien der Anatomie, Geometrie und Perspektive sowie Gemäldestudien, brachte R. gleichzeitig im Jahr 1800 die Bekanntschaft mit Friederike Brun ein. Deren Kunstsammlung und deren großer Freundeskreis (Reinhart, Hackert, Tischbein, Kauffmann, Herder, Wieland, Schiller u.a.) wirkten sich förderlich auf R. aus. –

In Kopenhagen komen ze elkaar tegen Caspar David Friedrich en Otto Philipp Runge.
Maar het zal nog tot 1801 (het sterfjaar van Novalis) duren eer ze elkaar persoonlijk leren kennen, en dat in Greifswald, dichtbij het grootste eiland van Duitsland waar ze weldra samen aan het zwerven en aan ‘t tekenen gaan.

Hierbij zijn prachtig zelfportret.


een nieuwe opvatting van de schoonheid(4) (391)

venster

Subjectiviteit van het smaakoordeel

David Hume,
Over de standaard voor goede smaak, XXIII,
ca. 1745

Een duidelijke oorzaak waardoor velen niet het juiste schoonheidsgevoel ervaren, ligt daarin dat de verbeelding niet voldoende verfijnd is om een besef van die fijnere emoties teweeg te brengen.
Iedereen maakt aanstalten op een verfijnde smaak; iedereen spreekt erover en zou iedere soort smaak of gevoel willen herleiden tot deze standaard.


een nieuwe opvatting van de schoonheid(3) (390)

504_23d01af9599b22a4ca5128dda39bdda8

Hier zijn we op zee.
Man en vrouw op de voorsteven, in de verte een naderende stad.
Het schilderij van Friedrich dateert van 1818, het jaar dat hij in het huwelijk treedt met Caroline Bommer.
Waarschijnlijk heeft hij hen beiden op dit denkbeeldige schip geschilderd.

Je las de poging van Immanuel Kant om met de rede het belangeloze van de schoonheidservaring te verdedigen.
Het klinkt allemaal een beetje kinderlijk, zeker als met de rede geprobeerd wordt de innerlijke spanning van de Verlichting weer te geven.
Toch zal ook Kant moeten toegeven dat redeloze , niet rationele elementen zijn systeem binnendringen.
Je hebt immers “de pertinente” schoonheid, maar meer en meer wordt ook de “onbestemde” schoonheid duidelijk.
Hogarth probeert in zijn geschriften over de kunst de schoonheid nog vast te knopen aan de arabeske, de kronkellijn, maar het blijven pogingen om de verklaring in het voorwerp of schilderij zelf te zoeken.
De onbestemde schoonheid zal weldra samenvallen met de schoonheid tout court.

In 1801 reist Caspar David Friedrich naar Neubrandenburg en van daaruit komt hij terug in Greifswald, zijn geboorteplaats terecht en maakt hij op het eiland Rügen zijn eerste “Rügenwandeltocht”.
Dit rondzwerven, dit inspiratie opdoen in de natuur zelf zal zich het volgende jaar herhalen, en ook weer in 1806 en in 1818.
Hier ontstaan de schetsen voor zijn latere landschapsschilderijen, en hij maakt er kennis met collega schilder en denker Philipp Otto Runge.

In zijn boek “De geschiedenis van de Schoonheid” beschrijft Umberto Eco de stap naar die “onbestemde” Schoonheid als het Sublieme.
Hier moet de kunstenaar de vormeloze en onbegrensde Natuur erkennen: steile en majestueuze rotspartijen, orkanen, dreigende wolken, het idee van de oneindigheid van de natuur.

We hebben enkele maanden geleden Camilla Paglia aan het woord gelaten.
Haar visie op de natuur staat in schrille tegenstelling met de opvattingen die men in de 18de eeuw huldigde, de natuur als helper om de harmonie te bereiken, het positieve van de Schepping.
“Voor Kant is de rationele uitkomst van de ervaring van het Sublieme de erkenning van het feit dat de menselijke rede”, dankzij de ontdekking van het bestaan van een geestesvermogen dat elke zintuigelijke maat kan overstijgen, onafhankelijk is van de natuur.”
(ibidem blz 267)

Denkers als Hutcheson en Shaftesbury zouden hem daarin voorgaan.

Het leven zelf zou de wrede en duistere Schoonheid ook voor Friedrich voelbaar maken.
En of dan het Sublieme een echo zou zijn van een grote ziel zoals in de eerste eeuw Pseudo-Longinus bewijst, blijft een open vraag.

Maar laten we dan eerst met Otto Runge op reis gaan en een bijna nooit vermeld aspect van de Romantiek onder ogen zien.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (2) (389)

113_1f3ecff4cdca75051e2a2a4cc238ef9d

Belangloos genoegen

Immanuel Kant, Kritiek van de oordeelskracht, 1, 1790

“Deze definitie van Schoonheid kan worden afgeleid van de voorgaande definitie, die het schone aanmerkte als voorwerp van belangeloos genoegen.
Het voorwerp waaraan men bewust genoegen ontleent zonder enig belang, kan namelijk uitsluitend op die manier beoordeeld worden.
Het moet een basis bevatten op grond waarvan iedereen er genoegen aan beleeft.
Aangezien dat genoegen niet wortelt in een of andere geneigdheid van het subject (noch stoelt op een ander van tevoren bedacht belang), en aangezien degene die het beoordeelt zich helemaal vrij voelt ten aanzien van het genoegen dat hij aan het voorwerp toeschrijft, kan hij geen privé-omstandigheden aanvoeren die als basis van dit genoegen zouden kunnen dienen.”

Het schilderij is van Carus, wandelaar op bergtop.


een nieuwe opvatting van de schoonheid (1) (388)

936_1003340bdf829b4f02399709f3b16240

Wie over Duitsland spreekt, denkt niet dadelijk aan een eiland.
Het grootste eiland van dat land heet Rügen, en op het schilderij hierbij zie je vanaf de kalkrotsen in de diepte van de zee.
Het schilderij doet heel sterk denken aan een werk van Carus, een man die boven op een bergtop zit, en natuurlijk zijn beide schilders Carus en Caspar David Friedrich met elkaar in contact geweest.
We kijken van op ons computerscherm in de diepte van de Romantiek.

Ik zeg wel “de diepte”, want het begrip heeft meerdere lagen, meerdere betekenissen ook, en het is belangrijk om de semantiek van het begrip te onderzoeken als we het over hetzelfde willen hebben.
Je merkt dat mijn werk met de internationale Kunstbende ook wel diplomatieke gevolgen heeft gehad.

In zijn mooi uitgegeven werk “De geschiedenis van de Schoonheid” (Storia della Bellezza) schrijft Umberto Ecco over deze semantiek:

“Het is de moeite waard om het ontstaan van de romantische smaak nader te bestuderen aan de hand van semantische veranderingen van de woorden romantic (Engels), romanesque (Frans) en romantisch (Duits).
Halverwege de zeventiende eeuw was het woord romantic synoniem (in negatieve zin) met “romanesk” (like the old romances)
Een eeuw later betekent het eerder “chimeriek” (romanesque) of pittoresk.
Rousseau voegt aan het pittoreske een belangrijke subjectieve bepaling toe: het is de uitdrukking je ne sais quoi, van iets vaags en onbepaaldst.”
(p 303, uitgeverij Bert Bakker A’dam 2005)

En het zijn de Duitsers die het woord zullen uitbouwen tot dat ver wegge, tot het vreemde, het magische, het lugubere, het irrationele, tot de Sehnsucht die in feite alles omvat wat ongrijpbaar is.
Om het met Eco te zeggen:

“Schoonheid houdt op een vorm te zijn en het vormloze, het chaotische wordt mooi.”

Dat is een werkelijke breuk in de geschiedenis van de Schoonheid, in de menselijke beleving van een expressie, kortom van het hele filosofische en esthetische terrein.

We staan niet voor niets hoog op de kalkrotsen van een Duits eiland in de diepte kijken.
Hoe diep de zee ook moge zijn, de mensen op het schilderij zijn net zo druk bezig met het kleine, ze bestuderen de natuur, van klein naar groot, en zij geloven dat deze natuur op zichzelf mooi en goed is.
Een geloof dat ons nu nog altijd zware prijzen laat betalen en dat tot diep in de ethica en de jurisprudentie toe, maar dat is weer een ander verhaal.

De schilder van dit tafereel, Caspar David Friedrich, is niet zo ver van dit eiland, in de universiteits- en Hansastad, Greifswald, geboren, en dat op 5 september 1774, als zesde van tien kinderen.
Zijn moeder sterft als hij zeven jaar is en als hij als dertienjarige bij het schaatsen in het water terecht komt zal zijn broer Johann Christof hem redden maar die redding met zijn eigen leven bekopen. Een diep trauma dat hem levenslang zal bijblijven.

Hij komt in de Kopenhaagse academie terecht, toen één van de gerenommeerdste van Europa en heeft als beroemde leraren: de landschapschilder Christian August Lorentzen, de portret- en landschapschilder Jens Juel, en de historieschilder Nicolai Abilgaard.

In 1798, 25 jaar jong, verhuist hij naar Dresden.


zachte letters bij de krimpende dagen (5) (387)

c80da-309_cb1908ef7192177b50d4ae6c8bb591fb

Laten we in je landschap terugkeren, lieve vriend.
Terugkeren in de tijd, en we hoeven daarvoor de lichtsnelheid niet eens te overschrijden.
De dramatiek van het landschap, het landschap als drama en andere fraaie zinnen zou ik graag omkaderen met figuren aan de rand van de Duitse, of beter nog Europese Romantiek.

Bertus Aafjes maakte een voetreis naar Rome, ik vertrek vanuit mijn geliefde Florence waar ik nog enkele weken werkzaam zal zijn.
Ik stuur je een merkwaardige prent van dokter (zowel in de geneeskunde als in de filosofie) en schilder, Carl Gustav Carus (1789-1869).

Je ziet het al aan de data: geboren op de rand van de Franse revolutie en levend en wel tot een eind in de 19de eeuw.

We moeten in de omstreken van het toenmalige Leipzig zijn waar hij al op zijn 22ste afstudeert als dokter en doctor in vermelde disciplines.
“Entwurf einer allgemeinen Lebenslehre” is zijn proefschrift, een programma op zichzelf, en het verbaast je dus niet dat hij op zijn 25ste prof wordt für Medizin und Chirurgie in Dresden.
Vandaar is het maar een kleine stap naar lijfarts spelen (één van de drie!) van de Saksische koning Anton, taak die hij vanaf 1827 vervult.

Niet alleen is er een voortreffelijk Carus kwintet dat mooie liederen uit de Romantiek zingt, maar er is een heuse Carus-academie, een Carus -hospitaal, een Technische universiteit, een uitgeverij, een antroposofische kring, een zomerhuis, en waarschijnlijk een bier of Torte seinem Namen gewidmet.
In Dresden en grote omgeving val je over zijn naam.

Al van in zijn jongenstijd interesseerde hij zich ook voor schilderkunst.
En zijn werk was van een grotere kwaliteit dan wat menig schilderend arts of minister pleegt voort te brengen, vooral zijn landschappen, zijn bosatmosferen getuigden van een erg fijn aanvoelen van de geest in de zogezegde levenloze natuur, en dan zijn we helemaal in de romantiek.
Hij schrijft zelfs een boek “Neue Briefe über Landschaftsmalerei” (1819-1831) maar dan zijn we al in het illuster gezelschap van Caspar David Friederich, de peetvader van de Pruisische picturale romantiek.

Herinnering aan een woudlandschap op een eiland in de Baltische zee

Nu stuur ik je ook nog -zie bovenaan- deze mooie schets van een cicade op een lauriertak met Florence op de achtergrond van Carus’ deskundige hand. (hij was gespecialiseerd in Geburtshilfe!)

Daarmee wil ik je het perspectief aanduiden: de natuur, het landschap.
Poogde de Franse revolutie de Rede als godheid en hoogste goed te propageren, in de voetstappen van de verdwijnende Napoleon, zucht de mensheid naar “spiritus”, naar goddelijkheid want wat er van Europa overblijft zal het blijkbaar niet van die Rede moeten hebben, al wordt er danig gestreefd verstand en vergeestelijking in unisono te laten weerklinken.
Dit is natuurlijk vragen om spleen, gespletenheid, versplinterd worden.

Maar laat eerst nog de cicade onder je raam zijn lied zingen terwijl Florence wegdeemstert en de weidsheid van de “oer”-natuur de groeiende versteedsing en industrialisatie van antwoord zal willen dienen.
Nog een splijtzwam.

Gemälde / Öl auf Leinwand (um 1822) von
Carl Gustav Carus [1789 – 1869] Blick auf Dresden bei Sonnenuntergang

zachte letters bij de krimpende dagen (4) (386)

9f0a6-167_6758ecf09d341a6591253fcfd081c302
Jules Dupré Woud Landschap (1840-1842) Klik op onderschrift om te vergroten

 

Jules Dupré schilderde eerst op porselein
Zijn vader had een porseleinfabriekje in Parmain aan de Oise en daar kon de jongen al vroeg aan het werk.
Bloemen uit de streek inspireren hem.

Geboren in 1811 in Nantes kreeg hij in Parijs ook les van de landschapschilder Michel Diebolt.
Hij bestudeerde ook het werk van Hobbema en Ruisdaal

Als zijn vader directeur wordt van de Coussac porselein-ateliers bij Limoges, dan inspireren de landschappen hem daar ten zeerste.

Op zijn twintigste, in 1831, stelt hij voor de eerste keer zijn landschappen ten toon op het salon en maakte daarna enkele reizen naar Engeland waar hij met het werk van John Crome in contact kwam.

Het was Dupré die de Engelse landschapsstijl mee naar Frankrijk bracht en ze mixte met de stijl van de Barbizon-schilders, een groep schilders die werkten in het stadje met die naam (ten zuiden van Parijs) en die zich tegen het academische afzetten.

Met zijn vriend schilder, Theodore Rousseau, zwerft hij door het zuidwesten van Frankrijk.
Als werk van Theodore op het salon wordt geweigerd zal Jules zijn werk ook terugtrekken.

Ik stuur je dit heel intense zomerlandschap op.
Nu de dagen korten is het goed met je gedachten in de zon te zitten, of in de schaduw van een grote boom zoals de koeien het doen als de dagen loodzwaar zijn.

Je merkt invloeden van de Engelse schilder John Constable: het landschap vervloeit met het licht en de wolken tot een grote bijna onvatbare eenheid.
Elk menselijk perspectief verzinkt er in de grote totaliteit van licht en schaduw.

Het zonlicht verguldt de boomtoppen, tinten van groen van donker tot lichtgroen, tot emerald groen laten het landschap leven.

Als ik moe ben, kijk ik vaak naar landschappen.
Ik verbeeld me dat ik erin kan verdwijnen, dat ik de geluiden van de zomerbries hoor, het herkauwen van de koeien.
De wereld weerspiegelt zich in de plas.
Een boom is omgezaagd om als hout voor de winterdagen verwerkt te worden.
Wilde bloemen zijn nutteloos mooi.

Ik strek me uit en word in wolken gewikkeld.
Mijn moeder zingt een liedje.
Eindelijk ben ik landschap geworden.


Jules Dupré. De Windmolen. (1850s)

zachte letters bij de krimpende dagen (2) (385)

4d705-142_053831689a41bfcdd94072ec821f8331

Als antwoord op je mooie tekst in memoriam matris, stuur ik je vanuit Florence deze gravure van Jacob Jordaens.

Het is nacht.
Een sikkeltje maan staat aan de hemel.
De lantaarns worden ontstoken.

De tekst die erbij hoort maakt de prent duidelijk:

“The light once loved by me, I give, dear child, to thee.”

Een mooi idee op deze donkere Allerzielendag.


zachte letters bij de krimpende dagen (1) (384)

Het ruimen van een graf.

(in memoriam matris, 1/11/1990)

Dat uw gebeente werd verzameld,
uw bekken dat mijn slaapplaats was,
het hoofd dat zong en heeft gestameld
dat ik uw allerliefste kindje was.

Uw armen waarin ik woonde,
uw schouderblad waarop ik sliep,
uw vingers die de wereld toonden,
uw stem waarop ik angstig riep.

Dat uit uw dodenwieg geschud,
gij in de aarde moet verdwalen.
Verschuil u dan in mij en stut
mijn woorden in al uw moedertalen.

Gmt


delicate mushroom in forest setting

Clearing a grave

(in memoriam matris, 1/11/1990)

That your bones were gathered,
your pelvis that was my sleeping place,
the head that sang and stammered
that I was your dearest child.

Your arms in which I lived,
your shoulder blade on which I slept,
your fingers that showed me the world,
your voice to which I cried out in fear.

That shaken from your cradle of death,
you must lose yourself in the earth.
Then hide yourself in me and support
my words in all your mother tongues.

Gmt