428_eb4a3f1a7e56a0a0c20847e7f750342d

“Je suis à un âge où l’on trouve de l’ivresse à mourir.
Il me semble que personne n’aime tellement que moi les arts, la musique, la peinture, les livres, la société, les vêtements, le luxe, le bruit, le calme, la tristesse, la mélancolie, la tromperie, l’amour, le soleil; toutes les saisons, tous les climats, les plaines tranquilles de Russie et les montagnes qui entourent Naples; la neige en hiver, les pluies en automne, le printemps et ses follies, les jours calmes de l’été et les belles nuits étoilées…j’admire et j’aime tout.
Tout se présente, pour moi, sous des aspects intéressants ou sublimes; je voudrais voir tout, comprendre tout, me fondre avec tout et mourir; et vue que c’est nécessaire, mourir dans deux ou trente-ans, mourir dans l’extase pour éprouver ce dernier mystère, cette fin de tout…ou ce divin commencement”.

(1884, het jaar van haar dood, nog voor ze 26 werd)

Alles willen zeggen, alles willen doen, alles willen proeven, het past natuurlijk in het tijdskader maar tegelijkertijd zit er ook een tragiek in die wil tot alles als je dan nog voor je zesentwintig bent, moet sterven.

Beter dan woorden neem ik je mee naar haar werk.
Kijk hier naar haar prachtig herfstlandschap, en je voelt de verlatenheid, het te vroege einde, en het alles willen zijn en zo weinig tijd hebben.

Je weet dat het hier nooit nog lente wordt.
Het bankje voor de zomerwandelaar is omgevallen.
Er is alleen nog onrust of rust voor altijd.