Kijk, hier heb je de beloofde foto, zwemmende studenten met leraar, en daarnaast zijn intussen beroemd geworden “swimming hole”.

’STRANGER! if you, passing, meet me, and desire to speak to me, why should you
not speak to me?
And why should I not speak to you?’

En dat is het korte gedicht van Thomas’ vriend wiens portret hij schilderde, Walt Whitman.

Deze wonderlijke mens, op zijn zeventiende gaf hij al les aan een éénklas-schooltje op Long Island waar de kinderen hem gewoon met zijn voornaam mochten aanspreken, betekende veel voor de vaak teleurgestelde schilder.

De isolatie waarin we ons bevinden, dit “stranger” zijn, dit elkaar voorbijlopen, ze herkenden het net zoals ze beiden door de muziek waren gepassioneerd.

Critici noemden Thomas Eakens wel eens ‘ the annhilator of vanity”, en dat was hij ook, net zoals zijn vriend Walt Whitman.

Whitman had een Quaker-achtergrond, zijn ma, Louisa van Velsor was een Hollandse. Hij aanbad haar.
Zijn vader kwam uit Engeland en was met Tom Paine bevriend, schrijver die een pamflet tegen de Engelse dominantie in de States publiceerde.

Als tweede jongste van negen kinderen ging Whitman op zijn elfde van school want er moest brood op tafel komen.
Hij ging bij een drukker in de leer en kwam zo bijna vanzelfsprekend in contact met het geschreven woord.

Hij verslond boeken. Hij las Dante, Homerus, hij kende bijbel bijna van buiten deze “God-intoxicated poet”.
Hij ging op zoek naar een Tolstoisiaans geloof waarin de mensen elkanders broeders waren, waarin de moderne tijden het oude Arcadia zichtbaar zouden maken.

In the new garden, in all the parts,
In cities now, modern, I wander,
Though the second or third result, or still further, primitive yet,
Days, places, indifferent—though various, the same,
Time, Paradise, the Mannahatta, the prairies, finding me unchanged,
Death indifferent—Is it that I lived long since? Was I buried very long ago?
For all that, I may now be watching you here, this moment;
For the future, with determined will, I seek—the woman of the future,
You, born years, centuries after me, I seek.

In al dat veranderend gedoe, en er is in die negentiende eeuw ‘t een en ‘t ander veranderd (van middeleeuwen naar de moderne tijd!), blijft de mens de onbekende, de zoekende, alsof hij al lang geleden begraven was, herken je ‘t thema?

En het was dat gevoel, dat verlangen naar een eeuwig Arcadië dat je bij zo menig schilder uit die stervende 19de eeuw aantrof.

Er moest een uitweg zijn, een nieuwe tijd waarin de muziek en de schilderkunst voor vrede en openheid zouden zorgen, wat zeg ik het naïef en dat is het ook, god zij dank.

Daarom eindig ik met een schilderij van Thomas Eakens en enkele woorden van Walt Whitman.
De eerste stierf toen Europa al in brand stond en de tweede zou de twintigste eeuw slechts in zijn teksten gewaarworden, hij stierf in 1891.

En de sensualiteit?
Jawel, na Verdun en andere nutteloze slachtpartijen (de generaals van beide zijden zijn nooit voor een internationaal gerechtshof verschenen, integendeel!) zou het even stil worden in Europa.

Grote stemmen zochten hun weg, maar het waren stemmen als Thomas Mann als Stravinsky, als zovelen andere grote geesten die wisten dat het Arcadië nog niet voor morgen of overmorgen was.

En toch…


As Adam, early in the morning,
Walking forth from the bower, refresh’d with sleep;
Behold me where I pass—hear my voice—approach,
Touch me—touch the palm of your hand to my Body as I pass;
Be not afraid of my Body.



We are two clouds, forenoons and afternoons, driving overhead;
We are seas mingling—we are two of those cheerful waves, rolling over each other, and interwetting each other;

We are what the atmosphere is, transparent, receptive, pervious, impervious:
We are snow, rain, cold, darkness—we are each product and influence of the globe;
We have circled and circled till we have arrived home again—we two have;
We have voided all but freedom, and all but our own joy.

slot van We two—how long we were fool’d!