het gevaarlijke beeld (6) (486)

989_d05595c6c1f778532e004e5ae61b2c14

Waarde ex-patiënt,

Ik las je bijdrages over BEELDVORMING, en nu ik terug in het land ben, na een lange afwezigheid valt het mij op dat je intussentijd de onzichtbaarheid bent trouw gebleven, maar dat jij en mijn goede vriend in Londen, ook nog steeds kunst en kunde trouw zijn gebleven, en dat het lang voorbije geborstelde en getekende blijkbaar een eeuwige inspiratiebron voor het benaderen van deze tijden mag heten.

Uw gewaardeerde Caravaggio had duidelijk geen last van zijn zelfbeeld.
In een van zijn konterfeitsels schildert hij zichzelf in het net afgehakte hoofd van de reus.
Hij is dan op de vlucht wegens het neersteken van iemand na een uit de hand gelopen ruzie.

Ik stuur dat zelfportret hierbij op, bij wijze van begroeting.
Het vraagt inderdaad enige moed om jezelf te portretteren in het hoofd van de verliezer, maar Merisi kende zijn tijd genoeg om te weten dat tussen de afhakker en de afgehakte niet veel verschil bestaat, of tenminste niet veel tijd hoeft te verlopen om van rol te verwisselen.

De Franse Revolutie, deze dagen zo hoog geprezen of veracht, was daar een schrijnend voorbeeld van.
Je moet maar Robespierre heten of Marat om te weten dat revolutionair of reactionair zijn ten aanzien van het eigen lijf slechts vage begrippen lijken.

Zo las ik in jullie kranten dat het hoogste goed van de democratie de vrije meningsuiting is, en dat mensen tegen elke gezegde of uiting van gemoed kunnen protesteren, een godsgeschenk zogezegd, en een versimpeling die men wel in meer linkserige kringen vindt. (van de rechtse kringen zullen we maar helemaal zwijgen want ik zag ook dat bepaalde aanhangers van deze strekking zich met Deense vlaggetjes tooiden in het parlement, een land dat anderzijds op het gebied van vrije zeden en blootpublikaties wel niet dadelijk deze partij zou aangesproken hebben, maar ach, de tijd wist alle tegenstellingen!)

De koppensnellerij van de Franse revolutie wordt wel eens letterlijke en figuurlijk over het hoofd gezien, maar ook dat in haar beginselen niet alleen de vrijheid van meningsuiting werd gepropageerd, maar tevens de FRATERNITé, de broederlijkheid.

Je kunt dus je vrome wensen voor waar houden en alle achterstalligen in de geschiedenis zo’n revolutie toewensen als je dan maar niet de versimpeling toepast maar duidelijk rekening houdt met dat vergeten broederlijke woord.

De auteur en balling Kader Abdolah wijst duidelijk naar de mannen met baarden die toen hij twintig was het zachte van de Koran veranderden in een soort wetgevende macht, en sindsdien zonder al te veel moeite en dank zij de Amerikaans-Engelse bezoeken aan het verre Oosten, blijkbaar dat grimmig gezicht hebben doorgegeven aan de geloofsgenoten over de hele wereld..

Als dus vrije meningsuiting het hoofden afhakken is, en het toelaten van het protest tegen dat gehak, dan leven wij blijkbaar in het oudtestamentische oog om oog, tand om tand, en is de bril en het kunstgebit een dankbaar alternatief om in een wazige spiegel te kijken.

Als psychiater het opnemen voor de broederlijkheid lijkt wellicht op het verwisselen van de rol van therapeut voor die van sjamaan, maar al toeteren wij in Beethovens Alle Menschen die broeders zouden worden, het ei dat we intussen hebben uitgebroed, heeft een verdachte geur van ikke, ikke en de rest kan stikken, een principe van het kapitalisme dat ethiek hoogstens als de handel bevorderend kan zien.

Ik vraag mij nog maar eens af: waar is de Europese steun aan de intellectuelen uit de Islam die een einde aan die lange baarden dictatuur willen maken?
Onze steun aan de dissidenten van het voormalige Oostblok was alomvattend, hun literatuur in het Westen gedrukt en verspreid, maar blijkbaar hanteren wij nu andere normen, of zijn de handelsovereenkomsten ook hier de ware dicteerders in plaats van de fraternité?

En die intellectuelen zijn er.
Ik zag ze op straat wandelen in de stad waar jij woont waar een meneer op zoek was naar Mechelse koppen.
De man zei: kijk in Iran zijn het laatste jaar 250 mensen opgehangen, en de fotograaf antwoordde: ja, later ga ik zeker eens een fotootje van jou maken.

Met vrije meningsuiting kunnen we tot aan de muren van de bezette stad komen, maar zonder de broederlijkheid zullen we alleen de dictatuur nog maar eens van naam laten veranderen, van sjah naar ayatollah, en van ayatollah naar…?

Een mooie verklaring in de Scheldestad doet ook zo’n beetje lacherig aan: we beloven elkaar geen pijn meer te doen, ik zal niet meer pitsen, en gij nijpt ook niet meer in mijn billen.
Een mooi begin van de broederlijkheid, maar met dat gave gat van ons moeten we in staat zijn om samen op de volwassen schoolbanken te gaan zitten en veel geld te besteden aan ontwikkeling van onze jonge en oudere geesten, want als er nu iets de toorts uit de franse revolutie brandend kan houden dan is het de wetenschap die ons leert dat wij inderdaad voor korte tijd op aarde niet zoveel verschillen en naast de heerlijke gerechten en de prachtige sensuele gedichten, ook nog veel wijsheid van elkaar kunnen krijgen.

De ware broederschap gaat ruzies niet uit de weg, maar ze eindigen toch beter bij pot en pint, en niet in fik en as.

En eerlijk gezegd, nergens is zo mooi over de liefde en haar geheimen geschreven als in de Islamitische Cultuur, je kon er zelfs je vel redden door elke nacht een verhaal te vertellen.<


het gevaarlijke beeld (5) (485)

535_6d37a294470f650e3d47bc29e12adeb3

Tussen zelf-beschouwing, meditatie dus en spiegeling van het eigen ik liggen dunne bange lijntjes.

Voor het middernacht was geworden liepen op de bereikbare zenders zestien politieseries, gebeurden een twintigtal moorden, passeerden 70 nieuwsuitzendingen en werden we in zeker 55 spelletjes meegesleurd.
Een beeldenstroom.

De indruk ontstaat dat de wereld gevaarlijk is, net zoals de liefde.
Het woord van de tijd: pas op.

Op internet, in film en televisie, via vieze blaadjes en gore steden, in verwaaide dorpen en negorijen, overal waart het gevaar rond, en waren er niet al die spaarplannen, verzekeringen, hulplijnen en blauw op de straat, dan zou er naast een schuilkelder ook een vluchtkamer in elk huis verplicht worden.

Beeldvorming: overal dreigt gevaar.

Ontsnappingsroute: er is gelukkig altijd iemand slechter dan ikzelf.
Die verwende ik, spiegelend in de verheerlijking van zijn/haar persoontje vanaf je de eerste stapjes zonder ouderlijke of grootouderlijke steun hebt gezet.
Het ooh, en aaah, en applaus is niet van de lucht voor alles wat je tijdens je leven hebt uitgescheiden, van kakje tot krijtje, het kan allemaal niet genoeg opgehemeld worden.

Of het tegenovergestelde.
Er wordt je geen strobreed in de weg gelegd, je doet maar.
Pa en ma hebben hun wereld, jij de jouwe.
Als je iets niet krijgt, zwijg je drie dagen, en daar is de brommer!

De spiegel is nu vernauwd tot je eigen onbestaande maar vaak opgeroepen beeld: de heerser. De potentaat.

Nemesis ligt op de loer, ventje.


het gevaarlijke beeld (4) (484)

487_8006e9388901bfae71b966402efa502e

Kijk ‘s morgens, dadelijk na het verlaten van de slaapsponde even in de spiegel.
Fixeer dit beeld in je gedachten.

Hardlijvigheid is niet leuk.
Je zit op het toilet en de onverlaat wil maar niet komen.
In de badkamer staat een spiegel. Je ziet jezelf zitten.

Het moment van de extase, je weet wel, als twee lichamen zich verenigen zoals dat zo mooi heet.
Kreten en gefluister, geroep en getier, gekreun.
In gedachten roep je dit beeld terug op, nadien, als de lusten gaan liggen zijn.

Ontluisterend?
Waarom?
Het beeld is een zelfbeeld, en het is niet zo’n vreemd moment als de inname van Troje of de val van het Romeinse Rijk, het is een beeld dat we geregeld onder ogen zouden kunnen zien, gesteld dat we ons weerspiegelden.

Dat zou je als BEELDVORMING kunnen laten doorgaan, want al krijg je de kroon op je kop, al ben je de veroveraar van de Nobelprijs, het verlaten van het bed, de kreun op het toilet of de zucht van het orgasme, daarin onderscheiden we ons misschien in toonhoogte en volume, maar de aard van het beestje behoort bij die beeldvorming.

De spiegel?
Er is een nadeel aan dat ding.
Wat rechts is, blijkt links te zijn en omgekeerd.
Een foto dan, een schilderij, een pentekening, een ets of gravure.
Het zou best vermakelijk kunnen zijn, en bij de spreuken van Breughel of de taferelen van Bosch J. zijn nog wel eens te vinden, maar het beeld van de net ontwaakte, zich afscheidende of extatische mens is alleen in een wat wij “dubieuze” beeldvorming noemen aanwezig.

We blijven bij Merisi.
Hier kijkt Maria magdalena en Martha in de spiegel.
Zij, de zondige en Martha, degene die het oor aan de Meester leende terwijl haar zusje zich in de keuken uitsloofde.

Beeldvorming: zondig zijn is best mooi, maar wil je die schoonheid ook in de eeuwigheid beleven dan zul je wijzer moeten worden, enz. enz.

Toch kijken we steeds weer.
Alsof we verwachten dat er plots iemand anders zou staan.
Dat ZELFBEELD, samengesteld uit ouderlijke verwachtingen, ethische nomen en utopische dromen.


het gevaarlijke beeld (3) (483)

469_5dfad8177773b4a408734cedc3602544

Citeren we Susan Sontag, zaliger:

De wereld bezitten in de vorm van plaatjes
is niets anders dan opnieuw ervaren hoe
onwerkelijk en veraf de werkelijkheid is.

We hakken dus meteen het hoofd van de reus af en stellen ons de eeuwige vraag: wat is de werkelijkheid, of met Pilatus, quod est veritas, als we’ t over waarheid hebben.

Toen wij jongens waren moest je in de schoolbibliotheek 1fr. betalen om een stripboek uit te lenen terwijl de boeken met hoofdzakelijk lettertjes gratis waren.
Daar is het dus weer, dat gevaarlijke beeld.

Je foto laten nemen is voor bepaalde volkeren, je ziel stelen, en het staat al in het oud testament: gij zult geen beelden snijden van mensen of dieren. (terwijl we zouden gemaakt zijn naar Gods beeld en gelijkenis!)

Enkele ingangen om tot bij de reus te komen:

-een beeld is de directe weg naar de bezieling.
Een masker of een beeld van de godheid wordt dadelijk de godheid zelf.
Wij wringen de godheid in de beperktheid van een beeld.

-Voor nomadenvolkeren zijn beelden cultusvoorwerpen die aanleiding geven tot verbindingen met de plaats waar je de cultus bent begonnen, of waar belangrijke gebeurtenissen uit de cultus-verhalen hebben plaats gevonden.
De monotheïstische god is een god voor een zwervend volk, voor mensen in de diaspora.
De beeldencultussen zijn sterk regionaal gebonden, de monotheïstische godsdiensten zijn over de wereld uitgewaaierd en het is het symbool van de ene (en ware) die hen boven de regionale beperkingen optilt en tot een uitverkoren groep maakt.

Beelden zijn een directe toegang tot genot.
Zij hebben geen abstracte tekens nodig, noch zinsverbanden of opeenvolgende zinnen.
Zij spreken dadelijk tot de ver-beelding.
Hun suggestieve mogelijkheden werken snel in op grote groepen mensen.
Beelden ontsnappen aan wetten.

We zijn al een stuk dichter bij de beeldenreus.
Het zijn nog maar voorzichtige kringen die we hebben beschreven.
Maar beelden breken vaak de tirannie van de heersende opinie en gevoelens.
Kerk en Staat wantrouwen beelden.
Zij willen hun eigen beelden, hun eigen ééngodendom verbeelden. De publieke opinie. Een gevaarlijk woord!

“Het individu moet beschermd worden tegen de tirannie van de heersende opinie en gevoelens, tegen de neiging van de maatschappij om haar ideeën en haar gebruiken als absolute gedragsregels op te leggen, om iedereen te modelleren naar het eigen beeld. Er moet een limiet zijn aan de bemoeienis van de publieke opinie met de individuele onafhankelijkheid. Men moet een grens stellen tussen het publieke en het private en haar tegen inbreuken beschermen. Het is even onmisbaar, voor een goede stand van zaken, als het verdedigen van de staat tegen despotisme.”

Stuart Mill, On Liberty, 1859

En we sluiten met het gevoel dat we het beeld niet moeten beschuldigen maar onszelf, ons eigen diep geworteld wantrouwen.
Wij hebben een tekort aan eigen, persoonlijke beelden.
Daarom wantrouwen we de beelden van anderen en roepen we vertrouwde beelden op tot een oase van veiligheid en gemoedsrust.
Erger nog: de beelden vervangen vaak het leven.
Het leven zoals het is.
Of “WAS”.

De David in ons merkt dat hij net zo goed een Goliath mag genoemd worden.


het gevaarlijke beeld (2) (482)

Terwijl Merisi (lees Caravaggio) aan zijn Matheus-cyclus werkt, schildert hij dit bijgaande levensgrote doek, nu in Berlijn te zien: Amor vincit omnia.(Liefde overwint alles)

De opdrachtgever is Marchese Vincenzo Gustiniani.
De jongen, twaalf jaar, zit op een wereldbol.
In zijn rechterhand houdt hij zijn pijlen vast.
Aan zijn linkerkant liggen allerlei instrumenten, studieboeken, en daarop een lauwerkrans.

Cupido heeft in verhouding tot zijn gestalte grote donkerbruine adelaarsvleugels, en dat alles heel natuurgetrouw getekend, met sterk coloriet, en met grote zuiverheid en zulke rondingen dat (en ik citeer Hugo Wagner, auteur van de beste Caravaggio-biografie) “dass es dem Leben wenig nachgegeben”.

De tijd?
We bevinden ons tussen 1598 en 1603.
In het bekende proces tussen Baglione en Caravaggio in 1603 wordt dit doek aangeduid met: “Amor terreno”, de aardse liefde, waartegenover Baglione een “Amor divino” heeft gesteld.

“Terreno” is hij. Zelfs de grote vleugels nemen daar niets van weg, maken hem niet hemelser, integendeel. Ze drukken hem stevig op de aarde.

Deze levendige straatjongen, met zijn verwarde donkerbruine haren:

“…steht die Nacktheit besser an als zerissene Kleider, in denen ihn Merisi auf einer Römischen Piazza entdect haben mag.”
(Hugo Wagner, Caravaggio, Eicher und Co, Bern, 1958)

Hij voelt zich machtig, kijk naar zijn gedoe met de sterren bedekte hemelsfeer die hij onder zijn dij duwt.
Van de kroon tot aan de slordig neergesmeten instrumenten en wapenuitrusting ligt alles aan zijn voeten terwijl hij in zijn rechterhand de pijlen klaar houdt. (met weerhaakjes!)

Niet alleen zijn pijlen zijn paarsgewijze gekruist, ook de andere instrumenten: scepter en kroon, cirkel en tekendriehoek, viool en boog, en daaronder nog eens gekruist de luit.

Boek, lauwerkrans, partituur en gereedschap, het ligt allemaal aan de voeten van deze jeugdige heerser.
En de gespreide vleugels houden deze vitaliteit (in een uitgekiende en moeilijke houding) in evenwicht.

In de Italiaanse kunst van de 17de eeuw heeft een uitbeelding van dergelijke levendige jongen nergens zijn gelijke.
Hij is geen mythologisch verhaal meer, hij staat tot en met als een levendig persoon op aarde.
De instrumenten laten nog een vage allegorie toe, de macht, de kunst en de wetenschap ter ere, maar ze staan in dienst van de jonge schoonheid.
Tegelijkertijd vindt Merisi hier ook nog een mogelijkheid om een pseudo stilleven te penselen zonder dat hij daarmee de centrale figuur stoort .

Je zou de naaktheid nog als verwijzing naar de renaissance kunnen zien, maar ze is hier totaal nieuw. Anders.
Ze is geprononceerd, uitdagend, kijk hoe hij met zijn linkerhand waarschijnlijk zijn enkel vasthoudt.
Het was honderd jaar daarvoor ondenkbaar geweest.

Mannelijk naakt mocht de goddelijke schoonheid dienen, maar deze Amor benadert eerder een modellenstudie, en als je de vergelijking met het naakt in de Sixtijnse kapel doortrekt dan is hier het leven zelf aanwezig, zonder hemelse noodzaak.

Deze Amor trekt zich niets aan van kerkelijke afspraken of religieuze inspiratie.
In die zin staat hij bij het begin van een vermenselijking in de beeldende kunst die tot in de moderne kunst zal doorwerken.

Deze figuur is mythe en religie tezamen, is een mengeling van het heidendom met de poging om engelen aardser uit te beelden.
Ook de lichtinval werkt daaraan mee.
Hoofd, buik, geslacht en dijen, ze zijn centraal belicht, dijen die door de zittende houding nog eens extra vorm krijgen.
Bij het stilleven zou je aan de Cecilia van Raphael (Bologna) kunnen denken.
Caravaggio hield van muziek, denk maar aan de musicerende engel bij de vlucht naar Egypte.
Hier staat de muziek in dienst van de liefde.

Kijk ook naar het gebruik van de ruimte.
De figuur komt uit het donker en door de houding van de jongen ontstaat er een ruimtelijke diagonaal, die meer naar de diepte dan naar de voorkant helt.

Maar voor de rest wil de figuur uit de kader komen, kijk naar de linkervoet die maar één stapje moet doen om bij ons te zijn, ook de vleugels die over de helft van het lichaam een lichte schaduw werpen brengen het beeld naar voren.

De ruimte is zonder betekenis, de instrumenten liggen in het verlengde van de beweging, ze beklemtonen de diepte niet.
Voor de schilder is de ruimte zonder betekenis tenzij ze met lichamen wordt gevuld en die lichamen de aandacht moeten krijgen die ze verdienen.

Het licht valt van links boven een beetje als in een spot binnen en belicht vooral de gestalte, alsof de jongen op een scène staat.
Door rijk genuanceerde schaduwwerking wordt de ronding van het lichaam extra benadrukt.
Het licht op het stilleven is zwakker, staat ten dienste van het centrale thema.
Het witte doek krijgt een extra accentuering, en de schaduwrijke plooien scheppen een levendig contrast.

De hemel is niet meer zo hoog, maar de aarde blijft donker. List en bedrog verbergen zich achter deze “teerheid”.
De chtonische natuur wordt zichtbaar gemaakt, en dat is een gevaarlijke bezigheid zoals heel wat vroede vrouwen en mannen op de brandstapel mochten ondervinden.

Het beeld wordt een spiegel.
Al is de heerser een schoonheid, zijn speelsheid is niet van dat Victoriaanse of Roussiaanse gehalte!
Ze benadert veel sterker de werkelijkheid.
Ze is tragisch.
Niet alleen door haar vluchtigheid, of onbereikbaarheid, maar vooral door haar dubbelzinnigheid, die gespletenheid die nooit nog zal helen.


Een fragment uit ‘De jongen’ van Germaine Greer: (blz. 69 ev)

“Caravaggio had de gewoonte de humbug van de aristocratische estheten te ondergraven door voor zijn Johannes de Doper en Davids weinig verfijnde types te kiezen met een veeleer levensecht dan ideaal lichaam. Het lichaam van het kind hier is niet meer verleidelijk weergegeven als wel realistisch. Zijn naaktheid wijst op een zekere overrompeling; hij heeft twee pijlen waarvan de punten niet te zien zijn, niet in een koker dan wel in zijn hand. De enige boog die we zien is de strijkstok van de viool, die met een teorbe en een vel bladmuziek op de grond ligt naast een afgelegd kuras en een laurierkrans. Twee instrumenten en één kuras; misschien is hier wel een paar aan het musiceren geweest, dat zich heeft teruggetrokken voor een vrijpartij -vandaar de overwinning van Cupido. Deze picturale gemeenplaats is misschien niet nieuw geweest in die tijd, rond 1600, toen markies Vincenzo Gustiniani. het schilderij bestelde bij Caravaggio. Een twintig jaar oudere variant wordt toegeschreven aan Ippoliti Scarsella uit Ferara, vier andere worden toegeschreven aan Orazio Riminaldi, een jongere tijdgenoot van Caravaggio.

Hoewel connaisseurs wel beseft zouden hebben wat de strekking van deze allegorie van Caravaggio was, lokte de gewaagde afbeelding en het gebrek aan verfijning een reactie uit , onder aanvoering van kardinaal Benedetto Giustiani, die een iets correctere variant bestelde bij Caravaggio’s voormalige volgeling en voornaamste tegenstander Giovanni Baglione. Deze liet in zijn versie de aardse liefde in de persoon van Cupido overmannen door de hemelse liefde, gepersonifieerd door de aartsengel Michaël. Zijn mollige Cupido ligt naakt op een lendendoekje na, machteloos op zijn rug tussen de kapotte pijlen. De aartsengel Michaël schitterend in volle wapenuitrusting en bonte veren, torent boven hem uit, een pijl van licht in de aanslag.

Caravaggio noch Baglione beschouwde Cupido als een eerzame knaap, waar Caravaggio hem afbeeldt als brutaal onstuitbaar en praktisch onkwetsbaar, toont de ander hem als Saulus, op weg naar Damascus op het punt door een bliksemschicht te worden verlicht en tegelijkertijd verblind. In een schilderij uit diezelfde tijd over een aanverwant onderwerp laat Bartolomeo Manfredi Cupido een voor jongens ietwat gebruikelijke bestraffing ondergaan: een genadeloze afstraffing door zijn vader Mars. Diezelfde mollige jongen als op het schilderij van Baglione ligt op dezelfde plek te kronkelen, maar hij is geblinddoekt en zo gedraaid dat we meer van zijn billen zien. Mars slaat er uit alle macht op los met een paar stukken touw terwijl Venus van haar door duiven getrokken wagen is gestapt in een vergeefse poging hem te kalmeren.

Germaine Greer ‘De jongen’ Meulenhof Amsterdam 2003 Vertaling: Auke Leistra, Atty Mensinga

Bartolommeo Manfredi De geseling van Cupid (klik om te vergroten op naam schilder)

het gevaarlijke beeld (1) (481)

507_8f190d941314f8860b1ab330e12d4be1

Het was ook een tijd van hevige emoties.
Zijn schilderwerk en zijn leven zorgden voor heel wat commotie in de zeventiende eeuw.

(Wie niet dadelijk Rembrandt met Caravaggio kan verbinden, reize naar Amsterdam om de mooie tentoonstelling Rembrandt-Caravaggio te bekijken)

Maar laten we bij de ongekende emoties blijven.

Ongekend in de West-Europese schilderkunst.

Als Abraham zijn zoon Isaac aan Jahweh moet offeren, gebeurt dat niet zonder protest van de betrokkene.
De mooie Engel links kan de aartsvader nog op andere gedachten brengen, en wijst de plaatsvervanger aan, maar het gezicht van de jongeman verraadt dat zijn tussenkomst hoog nodig was.

Hier wordt niet gemekkerd, tenzij door de bok die weldra de zoon mag vervangen, hier wordt geen ideaal beeld opgehangen van de gelovige pa die zelfs zijn zoon wil offeren, hier zie je een walgelijke vader die zijn puber bijna met enig genoegen de keel oversnijdt, een vaardigheid waarin de schilder ook wel eens uitblonk.

Willen of niet, je wordt erbij betrokken, je hoort de jongen roepen, en je voelt de hand van de engel op je eigen arm die vastberaden het mes op de kinderkeel gaat zetten.

Je kunt je voorstellen dat Rembrandt, een man uit het Noorden wel even schrok.
Hij kwam in contact met het werk van Caravaggio door zijn leermeester Pieter Lastman en later door zijn vriend Jan Lievens die het werk van de Utrechtse caravaggisten al kende voor hij met Rembrandt in contact kwam.

Jan Lievens (denk aan de gezeten schildersgezel voor het plaasteren cherubijntje) kende Rubens, ook al door Caravaggio beïnvloed, en die vreemde mengeling van Antwerpse, Utrechtse, Leidense en Italiaanse licht en schaduwen zette in de zeventiende eeuw het statische beeld in beweging.

Je kon het doek horen.
Erger nog, je kon de lichamen bijna ruiken of voelen.

Caravaggio verafschuwde navolgers, hij raadde iedereen af zijn stijl te gebruiken, maar er ontstond in Europa een ware Caravaggio-industrie.

Kleur, ja, maar vooral licht en schaduw waren de krachten die het onderwerp uit zijn tweedimensionale beperking haalden en de kijker naar de keel en soms ook wel eens naar het hart grepen.

Het was een tijd van grote emoties.
Net zoals nu.
Het beeld zette mensen in beweging, afschuw en lof toeterden tot bij heersers en kerkelijke prinsen.
Het beeld werd gevaarlijker dan ooit.

(morgen meer)


de boodschapper (480)

116_ddf8382cec46487afca37ef0719ebbcd

Hij werd Guglielmo Fiammingo, Willem de Vlaming, genoemd in Italië, toen hij in dienst was bij de Florentijn Benvenuto Cellini.
Nochtans was hij een rasechte Nederlander, deze Willem Danielszoon van Tetrode, geboren en getogen in Delft.
Het was nog een mooie tijd toen al het volk dat uit de Nederlanden kwam met de naam Fiammingo werd bedacht.

Willem reisde rond 1547 naar het Zuiden en kwam toen in dienst bij de fameuze Florentijn die vooral in opdracht van Cosimo I de’ Medici restauratiewerken aan antieke marmeren beelden verrichte naast het construeren van ander fraais.

In 1551 gaat hij bij een andere Willem werken, Guglielmo della Porta, en uit die tijd komt het fraai Mercuriusbeeld dat ik je hierbij verzend.

Je ziet de boodschapper van de goden hier op het moment dat hij op het punt staat om weg te vliegen, deze zoon van Zeus en Maia, de dochter van Atlas.

Naast zijn postbodewerk begeleidde hij ook de stervelingen naar de onderwereld.
Voor bronsgieters stond de vlucht van Mercurius symbool voor het na verhitting vloeibaar geworden brons.

Dit bronzen beeld in gesleten donkerbruin is één van de vier variaties op het thema en het oorspronkelijke beeld kun je bewonderen in de Bargello in Florence.

Grappig is dat dat de beeldhouwer ook nog een Hercules goot die de bijnaam “Pommarius” kreeg, en dat vanwege de appels die hij achter zijn rug verborgen hield.

Dit 44,5cm hoge beeld van Mercurius is in het Rijksmuseum te Amsterdam te bekijken.
Mercurius is hier een bevallige jongen die niet alleen door zijn gevleugelde voeten maar door heel zijn houding een teken van beweging, verbinding is.

De boodschapper is ook een teken van het mooie dat hij overbrengt, zijn ideale lichaam, zijn gespierde ledematen stralen het toenmalige beeld van de nieuwe mens uit.
Hij blijft echter een jongen en is niet tot de majestueuze nazi-inspiratie van het klassieke te herleiden.
Eens hij zijn goddelijke post heeft bezorgd, zal hij achter de meisjes (of jongens) aanzitten en sterk overdreven verhalen vertellen over zijn avonturen.

Er was ook nog een martelaar, een heilige Mercurius, een van de soldaten-heiligen uit de Romeinse keizertijd van Decius en Vallerianus.
Hij wordt in de Koptische eredienst vereerd.

Dat hij ook zijn naam aan een planeet en dus aan tal van sterrenwachten heeft gegeven zal niemand nog verbazen.

7449d04d0999af26a7389ebd01b8c36f

Hier is hij een jongeman, een mooi mix van mens en god.
Een troost dus voor degenen die de langste reis gaan beginnen.
Wellicht is dat zijn laatste bericht dat hij aan de stervelingen brengt: kom nu maar, je mag deze arena verlaten voor rust en rede.


een allegorie (479)

587_3b7fb349e529ec3fbe41bfb89bb0e674

In de schilderkunst is hij de moedige, de verzinnebeelder van macht.
De Leeuw.

We zullen het niet hebben over ze zullen hem niet temmen, want de pathetiek heeft intussen het beeld uitgehold en sommigen lakten zijn nagels verdacht bruin, het arme dier.

De mens ging nogal veel te rade bij de dieren als het om symbolen ging, en het ontlokte al wel eens deze woorden aan een wijze man:
“Het zijn niet de adelaars die het veld beploegen of lasten dragen, maar de ezels.”

Leeuwen, van nature eerder luie en gezapige dieren, staan voor het onverschrokkene terwijl de kleine mus niet vlug een wapenschild zal sieren.

De Egyptenaren kozen de mestkever als symbool van de onsterfelijkheid, van de wedergeboorte, de scarabee, daarmee getuigend van meer inzicht dan onze vroede vaderen die de lage landen door allerlei Leeuwenfiguren lieten vertegenwoordigen op schilden en blazoenen.

Kijk naar dit mooie doek: De allegorie op het rampjaar van Jan van Wijckersloot.

Er is het beeld van de Hollandse tuin (later spottend de Hollandse Knollentuin genoemd), het grondgebied dus.
De poort is al platgelopen.
Daarboven kraait de Franse Haan victorie.
Hij staat op een wapenschild met drie lelies.

Het gaat hier duidelijk om het jaar 1672.
De ramp leek niet te overzien in 1672 toen de republiek der Nederlanden van drie zijden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Munster en Keulen.

In de binnenlandse politiek leidde de oorlog tot de grote afrekening tussen prins Willem III van Oranje en Johan de Witt, de raadpensionaris. (eerder ‘landsadvocaat’ genoemd) Raadspensionarissen waren hoge ambtenaren in de gewesten van de Republiek.

Vooral de raadpensionaris van het machtige Hollandse gewest had een invloedrijke positie. Hij bekleedde tal van functies: leidde onder andere de Hollandse afvaardiging in de Staten-Generaal en onderhield de buitenlandse contacten van Holland.

Als vertegenwoordiger van de gewestelijke Hollandse belangen botste hij geregeld met de stadhouder die immers de belangen van meerdere gewesten verdedigde en bovendien zijn eigen macht probeerde uit te breiden.

De Witt werd door zijn tegenstanders verantwoordelijk gesteld voor de inval en Willem III werd als redder in de nood geroepen.
De Witt trad af. Enkele maanden later werd hij met zijn broer Cornelis door een opgewonden menigte vermoord. De oorlog werd onder leiding van Willem III tot een goed einde gebracht. De vijand werd teruggedreven.

Dat is natuurlijk geschiedenis en de moord op de twee broers is niet dadelijk een staaltje van Hollandse koelbloedigheid.

Het is echter dat rampjaar dat de twee op het schilderij bekijken.
En wij mogen via hun ogen meekijken, als de grote derde onbekende.

De rechtopstaande man maakt het contact, de gekroonde kijkt hulpeloos naar de allegorie.
Mooi detail: de rechtopstaande man heeft een pijpje in zijn linkerhand dat op de schouder van het andere personage ligt.

588_dcc7c86b2c71127bc106f5a3f2c4db99

De manier waarop beide voormalige volkshelden aan hun einde kwamen is niet zo allegorisch.
Bijgaand schilderij toont de methode aan.
De massa is tot meer wreedheid in staat dan welke leeuw ook.
Onze excuses, heren de Witt, maar ‘t was niet zo bedoeld.

De hyena’s hebben het eeuwige leven.
De leeuwen mogen even brullen, maar daarna leggen ze zich weer neer en vangen hoogstens een uiltje.

Het volk steekt een pijpje op.

Vrije mannen, let op uw tekenpen of uw penseel, kijk uit voor wat uw gevleugelde pennen krassen.
De hordes zijn vlug in beweging gebracht


Leeuw en Welp (5) (478)

In de wolken

Welp en Leeuw zaten op de heuvel en keken naar de giraffen.

‘Giraffen hebben geen vleugels nodig. Met hun kop kunnen ze bijna van de wolken eten. Ik wou dat ik ook zo hoog kon kijken, Leeuw.’
‘Als welp droomde ik heel vaak dat ik een vliegende leeuw was.’
‘Toen de maan vol was, had ik ook zo’n droom. Stel je voor dat we vleugels hadden, jij en ik. Dan konden we naar de bergen vliegen en er in de sneeuw spelen.’
‘Zalig zou het zijn, Welp. Eerst heel hoog vliegen en dan je in de diepte laten vallen en net voor je op de grond komt weer de lucht ingaan.’
‘De dieren zouden roepen: “Kijk daar, Leeuw en Welp, de enige vliegende leeuwen ter wereld!”
‘We zouden de hele wereld kunnen ontdekken. ‘
‘Misschien vlogen we samen naar de maan. Of verder nog: tot aan de kijkgaatjes in het hemelvel, op bezoek bij de zilveren leeuwen. Zou je niet bang zijn, Leeuw?’
‘Wie is er nu bang om op bezoek te gaan bij de zilveren leeuwen? Ik zou er mijn vader en moeder terugvinden of mijn twee welpen van lang geleden.’
‘Ik bedoel bang om zo te hoog te vliegen? Als we soms in de bomen klimmen zeg jij vaak, niet te hoog, Welp! En dan trillen je poten zoals ze trillen als het grote onweer begint, of bij een brand in de brousse.’
‘Wie hoog klimt, kan diep vallen, Welp. Ik ben gewoon bezorgd. Als we vleugels hadden, moesten we nergens bang voor zijn.’ ‘
‘We zouden de rivier kunnen volgen en ontdekken waar ze naar toe stroomt,’ riep Welp opgewonden.
‘We schrijven tekens in de lucht. Twee cirkels wil zeggen: ik vind je zalig en een zigzag – lijn: niet zo zagen asjeblief!’
‘Als ik in een driehoek vlieg wil dat zeggen: kom vlug naar mij, terwijl een vierkant er op wijst dat ik graag alleen wil zijn.’
‘Misschien zouden we samen figuren kunnen instuderen. In kringen naar boven bijvoorbeeld en als een vallend blad samen naar beneden. “Kijk, ze storten neer,” zouden de dieren roepen.
Maar net voor we de grond raken, trekken we ons op en in sierlijke cirkels verdwijnen we achter de wolken die het regenseizoen aankondigen.’

Ze zagen het voor hun ogen gebeuren.
Welp en Leeuw, lichter dan de lucht.
‘Het is te mooi om waar te zijn,’ zuchtte Welp terwijl hij naar de wolken bleef kijken.

397_e266830798ce81f59250bcc12977acc3

‘Zal ik elke dag eens stevig aan je nek trekken, Welp? Misschien word je dan de eerste welp met een giraffennek’
‘Toch maar liever vleugels, Leeuw.’
‘Leeuwen en vleugels, ik denk niet dat het een goede combinatie is, Welp.’
‘Dat zeg je nu, maar als je morgen met vleugels op je rug zou wakker worden, zou je wel anders piepen!’
‘Vliegen zal vast heerlijk zijn, maar dan zouden we onze poten alleen nog maar gebruiken om op te stijgen en te landen. Nu zijn ze nog sterk. We kunnen ermee rennen of een prooi vangen.’
‘Allemaal overbodig als je kunt vliegen. Dan landen we toch gewoon op een lekkere antilope.’
‘Zonder sterke poten zou ze ons dadelijk van haar rug schudden en vertrappelen! We zouden moeten wachten tot de leeuwen zonder vleugels een beetje vlees voor ons overlieten.’
‘Zoals de gieren bedoel je?’
‘Inderdaad. Vliegen zal best fijn zijn, maar je bent wie je bent. Hoor je de hyena’s al lachen als ze ons beiden in de takken van de apebroodboom zien zitten, wachtend op de restjes?’
‘En bij het stoeien en knuffelen zitten die vleugels aardig in de weg!’
‘Zeker waar, Welp. Nu zijn mijn poten nog sterk en kunnen ze jou beschermen als je bij mij komt slapen. Maar als ik vleugels had dan waren ze licht om in de lucht te kunnen maar veel te zwak om een veilige rustplaats te zijn voor jou.’
‘Maar goed dat we geen vleugels moeten meezeulen, Leeuw!’
‘Zo is het. Kijk, de eerste sterren verschijnen. Kom maar tussen mijn poten liggen, dan vertel ik je nog een verhaaltje.’
‘Toch niet over vliegen hoop ik!’
‘Niet echt, maar in feite kunnen we vliegen. In gedachten. Of als we dromen. Vliegen zonder vleugels. Tot aan de kijkgaatjes in het hemelvel.’

Welp legde zich tussen de voorpoten van Leeuw.
‘We zijn wie we zijn,’ zuchtte hij. ‘Leeuw en Welp.’
Hij voelde het grote hoofd van Leeuw boven hem knikken.
‘Leeuw en Welp, ken jij iets beters, Welp?’
Welp legde zijn kopje op de sterke voorpoten van Leeuw.
‘Als ik bij jou ben, ben ik in de wolken, Leeuw.’

Morgen zouden ze samen verjaren.


(de mooie foto bovenaan is van de fotografe TARA SHRINER, de twee welpen van lang geleden)


de Pruisische en de Ridgeways theepot

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Weldra zal ik in boekvorm over hen allen schrijven.
Ik druk ze aan het hart die mij verdrukten.
Mijn grootmoeders.
Mijn dertig grootmoeders.
Het is geen symbolisch getal, het slaat niet op een verhaal uit de Bijbel, noch minder is het een overdrijving en ook geen nauwkeurige kwantiteit, het is een verzameling, en dertig wil zeggen: veel, want zij zouden over 77 spreken, maar doe mij maar wat minder kabbala al zal enige mystiek zeker nodig zijn om het te begrijpen.
Ook het begrip “grootmoeder” is een rekbaar begrip.
Je zou “wijze vrouw” (vroede vrouw) kunnen schrijven, maar sommigen blonken, althans in mijn beperkte ogen, uit in alles behalve in de alom gekende wijsheid, net zoals ik.

“Es hofft der Mensch, so lang er lebt.”, dat was het motief van mijn Pruisische grootmoeder, nooit verlegen om een citaat, wat zeg ik, levend van citaten en zelfs daarmee gestorven!(“Niemand ist unersetzlich, Traurigkeit macht Herzeleid!”)
Een meer Nederlands gezegde: “Het is tevergeefs gefloten als het paard niet pissen wil”, en al stond het testamentair vast dat dit op haar grafsteen moest komen, het is van de weinige dingen die haar niet zijn gelukt, al was dat eerder aan een stedelijke verordening dan aan onze goede wil te wijten.

Zij is mijn meest beroemde grootmoeder, althans in onze kringen, en die zijn nogal uitwaaierend zoals dat hoort van mensen die om geen leugen verlegen zitten.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

U ziet hierbij één van haar meest merkwaardige voorwerpen.
En wat meer is, ik hoop hem niet al te lang meer te moeten zien.
Een theepot?
Inderdaad. Maar niet zo maar een theepot.
Eerst en vooral: het is een Ridgways (Bedford en Stoke on Trent) en aan de boog en pijlkoker onder de theepot te zien is hij gemaakt rond 1895-1905.
Ruw geschat zou hij op de markt makkelijk een prijs van 150 euro waard zijn.
Hij is, en hoe kan het anders, van het patroon “Simple”, een patroon dat erg zeldzaam werd dus zeer gegeerd door verzamelaars.

U moet vooral goed kijken.
Mooie eenvoudige bloemenmotief, vaak naar de States uitgevoerd, fraai gedecoreerd en van vorm (rechthoekig) ook al niet zo’n alledaagse verschijning.
Toch is er iets met hem aan de hand, aan de tuit om nauwkeurig te zijn.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Deze theepot werd als wapen gebruikt. Door de Pruisische.
Op een vroege morgen werd deze merkwaardige vrouw gewekt door een vreemd geluid aan de voordeur.
Iemand wilde zich duidelijk nogal onhandig toegang verschaffen tot het pand.
De onvergetelijke winter van dat jaar zorgde op dat vroege uur voor korte dagen en zeer lange nachten, en nadat ze in de donkere keuken was beland en de deur langzaam opendraaide, greep ze het eerste en beste voorwerp dat haar onder handen kwam.
Het was de theepot, de Ridgeways.
Met de tuit duwt ze in de rug van de duistere figuur die intussen zachtjes de deur weer wilde sluiten en roept: “Alte Vögel sind schwer rupfen!” (Oude hanen zijn moeilijk te plukken!).
De figuur blijft als versteend staan, steekt zijn handen omhoog en zegt “Ich bin’s!”
Hij wil zich kenbaar maken, draait zich om, slaat met zijn hand waar rond de ringvinger een zware zegelring voor een onzachte ontmoeting zorgt tussen porselein en grootvader August.
De tuit breekt vooraan af, de Pruisische gilt: “Rede weinig, höre viel” en staat met de geschonden theepot in aanslag voor de lichtelijk aangeschoten man.

Het verhaal werd later op alle feesten en partijen verteld en waarschijnlijk aangedikt, maar ik zie het nog steeds gebeuren als ik naar de Ridgeways kijk.

Met zijn geschonden tuit bleef hij jarenlang in een of andere kelderruimte rusten tot ik hem op een dag weer terugzag terwijl de Pruisische mij met een kop lindenthee en het citaat Gute Ware kostet ihr Geld de renaissance van de Ridgeways verklaarde.

Er zat een mooi rubbertje rond zijn gekwetste tuit, en als je goed kijkt, lees je: “Taiwan” op het witte ding.
Maar de thee smaakte zoals vroeger.

Nu ik haar verhaal bij de mijn bundel van de dertig grootmoeders opneem, mag de theepot het huis uit.
De letters nemen zijn rol over, en wellicht kan hij iemand plezier doen, want telkens ik het ding zie, zie ik hen beiden in de donkere hal staan en kom ik de eerste uren niet tot zinnig werk.

Genoeg gelachen.
Wie hem wil (denk eraan, het is een Ridgeways!) mag mij een bod doen en mij beloven hem eerbiedig over te leveren aan de volgende generatie.
Dit verhaal krijg je erbij, ondertekend door de auteur.
Mocht er iemand zijn, mail dan naar timelesscollection@skynet.be en zeg wat hij je waard is.
Het hoogste bod wordt vrijdag 3 februari na middernacht aan de betrokkene persoonlijk bekend gemaakt, gesteld dat er een bod zou zijn.
Ik verwacht een som en een leuke formulering (mag in versvorm) van de belofte goed voor de theepot te zorgen en hem in beste staat over te leveren.
Met het geld brand ik alvast een kaars ter nagedachtenis, en ik zeg met de Pruisische: “Von schönen Worten wird man nicht satt.”


Leeuw en Welp (4) (476)

8ed07-967_1373eae658dc2999238e1f28cc541e13

 

Kiezen

Welp had een probleem.
Hij wilde naar verhaaltjes luisteren, maar net zo goed zou hij graag in de rivier spelen.

‘Ik kan je eerst een verhaaltje vertellen,’ zei Leeuw, ‘en daarna zullen we dan samen in de rivier gaan spelen. Of wil je eerst het water in en daarna naar verhaaltjes luisteren?’
‘Ik wil en verhaaltjes en in de rivier. Tegelijkertijd. Kun je geen verhaaltje vertellen terwijl we in het water stoeien?’
‘Ofwel verslik ik me dan terwijl ik in de rivier speel, ofwel moet ik zo diep nadenken dat ik niet meer weet wat we aan het spelen waren, Welp. Je moet dus kiezen.’

Welp zuchtte heel diep.

‘Als ik nu één ding heel vervelend vind, dan is het wel kiezen, Leeuw. Als je iets kiest, verlies je altijd iets anders.’
‘Maar je hebt toch wat je gekozen hebt!’
‘Soms ben ik zo moe dat ik wil slapen, maar tegelijkertijd zou ik nog uren willen knuffelen of naar de sterren kijken.’

Leeuw nam Welp mee naar de rivier. Bij een laag gelegen oever kwamen er vele dieren drinken.
‘Zie je die leeuwenwelpen aan de overkant?’
‘Druktemakers,’ zei Welp. ‘Ze dachten dat ze ons jachtterrein konden innemen tot pa zijn tanden liet zien en ze als hyena’s afdropen.’
‘Die grootste welp ziet er wel moedig uit. Kijk eens hoe hij de weg vrijmaakt voor zijn broertjes.’
‘Hij is inderdaad moedig.’
‘Het zou best mijn vriendje kunnen zijn.’
‘Pas maar op, hij kan liegen dat hij het zelf gelooft!’
‘Hij is wel lenig, en hij heeft heldere oogjes.’
‘Hij stinkt uit zijn bek, Leeuw.’
‘Hij is niet eens bang voor de nijlpaarden.’
‘Welke welp laat zich door een nijlpaard afschrikken?’
‘Zullen we eens naar hen zwemmen, dan kunnen we kennis maken.’
‘Ze zullen ons wegjagen.’

Leeuw deed alsof hij het water inging.
‘Kom je mee, Welp?’
Welp zei niets. Hij draaide zich boos om en ging met zijn rug naar Leeuw zitten.

‘Zou het kunnen dat je een beetje jaloers bent?’
Welp antwoordde niet.
Leeuw kwam uit het water en duwde met zijn snuit tegen Welp ’s rug.
‘Ik zal je dus een verhaaltje vertellen, Welp.’
‘Vertel het maar aan dat moedige ding met zijn stinkbek aan de overkant.’

Leeuw zette zich voor zijn boze Welp.
‘Er was eens een leeuw die Leeuw werd genoemd. Hij was al iets ouder dan de rest van de troep. In die troep leefden er een stel welpen. Eén van de welpen die Welp werd genoemd kwam vaak met Leeuw spelen. Ze vonden elkaar aardig. Ze werden vrienden van elkaar. Welp koos Leeuw als vriend, en Leeuw koos Welp. Ze kozen voor elkaar. Ze vonden elkaar heel bijzonder. Je kunt alleen echt vriend zijn als je die iemand boven de anderen verkiest en als je door hem verkozen wordt. Einde van mijn verhaaltje. Zullen we nu in het water gaan spelen?’

Welp keek Leeuw aan.
‘Dus, dat van die welp aan de overkant, dat meende je niet?’
‘Natuurlijk vind ik hem heel moedig en mooi. Maar ik heb niet voor hem gekozen, en evenmin heeft hij mij gekozen. Al kijk ik graag naar hem, toch is hij mijn vriendje niet want dat ben jij.’
‘Met alle dieren vriendje zijn is inderdaad onmogelijk, Leeuw.’
‘En heel vermoeiend! Zonder te kiezen vind je nooit een vriend.’
‘Nu je ’t zegt, aan de overkant zit er ook een heel wijze leeuw. Zijn manen zijn hevig bruin en zwart. Je ziet aan zijn wijze ogen dat hij waarschijnlijk prachtige verhalen kan vertellen, en zijn vacht is zeker heel zacht. ‘
‘Ik ken hem. Pas maar op, hij kan liegen dat je ’t zelf gelooft!’
‘Hij is sterk en je bent zeker heel veilig bij hem.’
‘Hij stinkt uit zijn bek!’
‘En zelfs door een neushoorn laat hij zich niet afschrikken.’
‘Welke leeuw laat zich nu door een neushoorn bang maken?’
‘Zullen we eens naar hem zwemmen, dan kunnen we kennis maken.’

Welp en Leeuw keken elkaar lachend aan.
‘Je zult nog vele bijzondere vrienden en vriendinnen hebben, Welp. Gelukkig maar.’
‘Maar jij was de allereerste en al stinken we soms uit onze bek, we zullen elkaar nooit verlaten,’ zei Welp terwijl hij Leeuw kopjes gaf.
‘Ik tel nog tot drie. Als je dan niet in ’t water bent, eet ik je op! Eén…’

Welp liep lachend het water in.


(de tekening is een schets van Marcus Barbieri, de heilige Hiëronymus en zijn Leeuw)