464_1c6b00e3f0e6c76fcead96a893bb6d4f

Terwijl Merisi (lees Caravaggio) aan zijn Matheus-cyclus werkt, schildert hij dit bijgaande levensgrote doek, nu in Berlijn te zien: Amor

De opdrachtgever is Marchese Vincenzo Gustiniani.
De jongen, twaalf jaar, zit op een wereldbol.
In zijn rechterhand houdt hij zijn boog vast.
Aan zijn linkerkant liggen allerlei kunst-instrumenten, studieboeken, en daarop een lauwerkrans.

Cupido heeft in verhouding tot zijn gestalte grote donkerbruine adelaarvleugels, en dat alles heel natuurgetrouw getekend, met sterk koloriet, en met grote zuiverheid en zulke rondingen dat (en ik citeerHugo Wagner, auteur van de beste Caravaggio-biografie) “dass es dem Leben wenig nachgegeben”.

De tijd?
We bevinden ons tussen 1598 en 1600.
In het bekende proces tussen Baglione en Caravaggio in 1603 wordt dit doek aangeduid met: “Amor terreno”, de aardse liefde, waartegenover Baglione een “Amor divino” heeft gesteld.

“Terreno” is hij.Zelfs de grote vleugels nemen daar niets van weg, maken hem niet hemelser, integendeel. Ze drukken hem stevig op de aarde.

Deze levendige straatjongen, met zijn verwarde donkerbruine haren,

“…steht die Nacktheit besser an als zerissene Kleider, in denen ihn Merisi auf einer Römischen Piazza entdect haben mag.”
(Hugo Wagner, Caravaggio, Eicher und Co, Bern, 1958)

Hij voelt zich machtig, kijk naar zijn spel met de sterren bedekte hemelsfeer die hij onder zijn dij duwt.
Van de kroon tot aan de staal-leren wapenuitrusting ligt alles aan zijn voeten terwijl hij in zijn rechterhand de pijlen klaarhoudt. (met weerhaakjes!)

Niet alleen zijn pijlen zijn paarsgewijze gekruist, ook de andere instrumenten: scepter en kroon, Cirkel en tekendriehoek, viool en boog, en daaronder nog eens gekruist de luit.

Boek, lauwerkrans, partituur en gereedschap, het ligt allemaal aan de voeten van deze jeugdige heerser.
En de gespreide vleugels houden deze vitaliteit (in een uitgekiende en moeilijke houding) in evenwicht.

In de Italiaanse kunst van de 17de eeuw heeft een dergelijke uitbeelding van zoveel levendige jongen nergens zijn gelijke.
Hij is geen mythologisch verhaal meer, hij staat tot en met als een levendige persoon op de aarde.
De instrumenten laten nog een vage allegorie toe, de macht, de kunst en de wetenschap ter ere, maar ze staan in dienst van de jonge schoonheid.
Tegelijkertijd vindt Merisi hier ook nog een mogelijkheid om een stilleven te penselen zonder dat hij daarmee de centrale figuur stoort .

Je zou de naaktheid nog als verwijzing naar de renaissance kunnen zien, maar ze is hier totaal nieuw. Anders.
Ze is geprononceerd, uitdagend, kijk hoe hij met zijn linkerhand waarschijnlijk zijn enkel vasthoudt.
Het was honderd jaar daarvoor ondenkbaar geweest.

Mannelijk naakt mocht de goddelijke schoonheid dienen, maar deze Amor benadert eerder een modellenstudie, en als je de vergelijking met het naakt in de Sixtijnse kapel doortrekt dan is hier het leven zelf aanwezig, zonder hemelse noodzaak.

Deze Amor trekt zich niets aan van kerkelijke afspraken of religieuze inspiratie.
In die zin staat hij aan het begin van een vermenselijking in de beeldende kunst die tot in de moderne kunst zal doorwerken.

Deze figuur is mythe en religie tezamen, is een mengeling van het heidendom met de poging om de engelen aardser uit te beelden.
Ook de lichtinval werkt daaraan mee.
Hoofd, buik, geslacht en dijen, ze zijn centraal belicht, dijen die door de zittende houding nog eens extra vorm krijgen.
Bij het stilleven zou je aan de Cecilia van Raphael (Bologna) kunnen denken.
Caravaggio hield van muziek, denk maar aan de musicerende engel bij de vlucht naar Egypte.
Hier staat de muziek in dienst van de liefde.

Kijk ook naar het gebruik van de ruimte.
De figuur komt uit het donker en door de houding van de jongen ontstaat er een ruimtelijke diagonaal, die meer naar de diepte dan naar de voorkant helt.

Maar voor de rest wil de figuur uit de kader komen, kijk naar de linkervoet die maar één stapje moet doen om bij ons te zijn, ook de vleugels die over de helft van het lichaam een lichte schaduw werpen brengen het beeld naar voren.

De ruimte is zonder betekenis, de instrumenten liggen in het verlengde van de beweging, ze beklemtonen de diepte niet.
Voor de schilder is de ruimte zonder betekenis tenzij ze met lichamen wordt gevuld en die lichamen de aandacht moeten krijgen die ze verdienen.

Het licht valt van links boven een beetje schijnwerperachtig binnen en belicht vooral de gestalte, alsof de jongen op een scène stond.
Door rijk genuanceerde schaduwwerking wordt de ronding van het lichaam extra benadrukt.
Het licht op het stilleven is zwakker, staat ten dienste van het centrale thema.
Het witte doek krijgt een extra accentuering, en de schaduwrijke plooien scheppen een levendig contrast.

De hemel is niet meer zo hoog, maar de aarde blijft donker. List en bedrog verbergen zich achter deze “teerheid”.
De chtonische natuur wordt zichtbaar gemaakt, en dat is een gevaarlijke bezigheid zoals heel wat vroede vrouwen en mannen op de brandstapel mochten ondervinden.

Het beeld wordt een spiegel.
Al is de heerser een schoonheid, zijn speelsheid is niet van dat Victoriaanse of Roussiaanse gehalte!
Ze benadert veel sterker de werkelijkheid.
Ze is tragisch.
Niet alleen door haar vluchtigheid, of onbereikbaarheid, maar vooral door haar dubbelzinnigheid, die gespletenheid die nooit nog zal helen.